De betekenis van een verwoest gebouw in Gaza

Buurtbewoners vragen zich nog steeds af waarom Israël drie weken geleden een leegstaand gebouw in Gaza bombardeerde. ‘Israël probeert ons tegen Hamas op te zetten’, meent er een.

Fawaz (41) zit met zijn broers en neven rond een houtkachel in de open loods onder hun huis in Gazastad. Mensen druppelen binnen om hem te condoleren met de dood van zijn tante. Haniyeh Abd al-Jawad overleed drie weken geleden toen een Israëlische F-16 het leegstaande pand tegenover hun huis tot puin reduceerde.

Met enkele tientallen genodigden waren ze op straat het trouwfeest van Fawaz’ zoon aan het vieren. Meer dan dertig mensen werden gewond. Een achtjarig meisje werd met interne bloedingen en gebroken rug naar een Israëlisch ziekenhuis in Tel Aviv gebracht, een ander achtjarig kind werd opgenomen in het Shifa-ziekenhuis in Gazastad met gecompliceerde botbreuken in haar hele lijf.

Fawaz vraagt zich nog steeds af waarom Israël het gebouw tegenover zijn huis beschoot. „We waren met bijna honderd man op straat, de piloot moet ons toch gezien hebben.” In een straal van een halve kilometer sprongen de ramen en waterleidingen van de omliggende appartemententorens.

Het was de vierde keer dat het gebouw doelwit was van Israëlische beschietingen. Het deed enige tijd dienst als ministerie van Binnenlandse Zaken nadat de moslimfundamentalistische beweging Hamas de verkiezingen in 2006 had gewonnen. Maar enkele maanden later maakten Israëlische beschietingen het pand onbewoonbaar. Drie maanden geleden besloot de eigenaar de deuren en ramen te laten dichtmetselen tegen dieven en daklozen. „Er kwam nooit iemand en er was nooit licht aan”, zegt Mohammed Abu-Shanab, een buurtbewoner met uitzicht op het gebouw. „Er stond niet eens een bewaker.”

Direct na de aanval werd in de Israëlische media gesuggereerd dat het pand werd gebruikt om raketten te produceren. Maar na de aanval is niemand de restanten van het pand ingegaan om lichamen of materiaal te bergen, zo blijkt uit een rondvraag bij buurtbewoners.

Volgens het Israëlische ministerie van Defensie stond het gebouw inderdaad leeg, maar was van een vergissing geen sprake. „Vrijdag 18 januari voerde IDF [Israel Defense Forces, red.] een luchtaanval uit op een leeg hoofdkwartier van de Hamas-terreurorganisatie in een woonwijk in Gazastad”, aldus het schriftelijk antwoord op vragen van deze krant. „De aanval werd uitgevoerd in het kader van IDF-acties tegen de raket- en mortieraanvallen die in de voorgaande week dramatisch waren toegenomen.”

Israël voert bijna dagelijks militaire operaties uit in de Gazastrook, variërend van invallen door grondtroepen en mortierbeschietingen tot luchtaanvallen. Meestal zijn deze acties gericht tegen Palestijnse strijders. Vaak ook zijn de beschietingen gericht op de locaties waarvandaan raketten naar Israëlisch grondgebied worden afgevuurd.

„In tegenstelling tot de terroristen”, richt Israël zich niet tegen burgers, aldus de verklaring. „De strijdkrachten doen hun uiterste best om afzijdige burgers ongemoeid te laten.” Maar vanuit de Gazastrook gezien is het lang niet altijd duidelijk waarom iets of iemand doelwit is.

Eerder vorige maand maakte het hoofd van de Israëlische veiligheidsdienst Shin Bet bekend dat Israël in 2006 en 2007 in totaal 810 Palestijnen in de Gazastrook heeft gedood. Tweehonderd van de slachtoffers zouden niet gelieerd zijn geweest aan terreurorganisaties. Het Israëlische dagblad Ha’aretz telde zelfs 360 burgerslachtoffers en de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem zegt dat 48 jonger dan 14 jaar waren.

Met een deken over zijn benen en kussens in zijn rug, vertelt Fawaz over de aanval. „We waren buiten op het ritme van de tabla aan het dansen, dat is het laatste dat ik me kan herinneren.” Drie uur later kwam de voormalige politieagent in het ziekenhuis weer bij. De vijfentwintig hechtingen in zijn nek en achterhoofd verbergt hij onder een Arafat-sjaal. Zijn benen zijn beurs en blauw. „De dokter feliciteerde mij. Hij zei dat ik God moest danken dat ik zo’n dikke huid heb.”

Zijn zoon, de bruidegom op de bewuste dag, haalt de koffiepot van het vuur, schenkt kleine kopjes en biedt sigaretten aan. Dit zijn geen gerichte vergeldingsacties voor het afvuren van raketten op Israëlisch grondgebied, meent Fawaz. „Zo laten ze het Israëlische volk zien dat Palestijnen de prijs betalen voor hun steun aan Hamas. Ze willen laten zien: kijk, we hakken de Palestijnen in elkaar.”

Ahmed al-Ashi (37), de eigenaar van een nabijgelegen appartementencomplex, toont hoe een granaatscherf drie muren doorboorde om uiteindelijk op het aanrecht in zijn keuken te landen. Ahmad kocht het complex na veel geld te hebben verdiend met de handel in satellietontvangers. „Nu is mijn investering naar de bliksem.” De buitenmuren zijn zwaar beschadigd. „Israël probeert ons tegen Hamas op te zetten”, meent Ahmed, die vijftien hechtingen onder zijn muts heeft. „Ze zeggen dat Hamas het gebouw gebruikte, maar het zijn allemaal leugens. Als er iets geheimzinnigs werd gedaan, dan hadden wij dat echt wel gemerkt.”

Zou het een fout zijn geweest die Israël niet wil toegeven? „Het doet er niet toe”, zegt Issam Younis, directeur van het onafhankelijke Mizan Centrum voor Mensenrechten in de Gazastrook. „Ze wisten dat het gebouw leegstond en ze weten uit ervaring dat iedereen in een straal van 500 meter in levensgevaar is bij zo’n zware aanval.”

Het gebeurt wel vaker dat vooral burgers het slachtoffer zijn van Israëlische aanvallen, zegt hij. „Meestal geven ze na een zogenaamd onderzoek toe dat het een vergissing was. Ze zeggen sorry en gaan op dezelfde voet door. Ze komen er gewoon mee weg. Europa heeft hooguit zachte kritiek, maar daar ligt Israël echt niet wakker van.”

„De boodschap is dat ze dood en verderf kunnen zaaien wanneer ze willen. Dat we allemaal in angst moeten leven”, zegt Younis. „Elke locatie kan een doelwit zijn.”