Bagger

De Utrechtse stadsbus had zich al in beweging gezet, toen twee meisjes naast mij, aan de andere kant van het gangpad, elkaar begroetten.

„Ricky, wat leuk”, zei het meisje dat al zat. Ze had een fris, blozend gezicht.

„Da’s een poos geleden”, zei het andere meisje dat naast haar ging zitten. Ze had blond, halflang haar, een nogal pafferig gezicht en ogen die naar slaap verlangden. Haar motoriek had iets traags en uitgeblusts. „Alles oké, Esther?” vroeg ze.

Esther knikte opgewekt. „Ja, hoor. En jij? Je haar zit leuk.”

Het klonk als een gemeend compliment, maar het kon Ricky niet in vervoering brengen. „Dankjewel”, zei ze vlak. Misschien vertrouwde ze het niet helemaal, een compliment kan ook dienen als het gecamoufleerde begin van een verwijt.

Maar mijn eerste indruk was dat Esther daarvoor te goedmoedig was. „Waar zit je nou?” vroeg ze.

„In een opvanghuis.”

Sommige woorden hebben onmiddellijk een dramatisch effect, opvanghuis is zo’n woord. Ik merkte het aan Esther, en aan mezelf. Ik keek nog eens goed naar Ricky, ze was nog zo jong, misschien wel een, twee jaar jonger dan Esther.

„Ben je dan niet meer thuis?” vroeg Esther na een korte stilte.

„Nee, thuis is het bagger.”

„Hoe kan dat nou?”

„Mijn vader is er vandoor met een jonge meid, en mijn moeder kan niet relativeren.” Ricky begon steeds vlugger te praten. „Ik krijg overal de schuld van, ook van die jonge meid. Maar wat kan ik daar nou aan doen? Ze zeggen dat ik niks kan, maar dat kan ik wél. Ik maak mijn school af, en dan zullen ze het nog wel eens zien. Ik ben niet dom.”

Esther luisterde aandachtig. Af en toe onderbrak ze Ricky met een korte vraag, zonder nieuwsgierig te klinken. Je kon merken dat ze geschrokken was en begaan met het lot van Ricky, die ze vroeger goed gekend moest hebben. „Heb je een vriend die je kan helpen?” vroeg ze ten slotte.

„Al anderhalf jaar. Maar nu hebben we ruzie. Hij woont nog thuis bij zijn ouders en hij zit alsmaar te zeiken dat ze niet deugen. Maar waarom blijft hij dan bij ze wonen?”

„Wat hebben jullie toch allemaal met je ouders?” vroeg Esther, oprecht verbaasd. Het klonk alsof ze zich over het hoofd van Ricky tot haar hele generatie richtte.

„Rotzooi”, zei Ricky.

Ze keek stuurs. Daarna begon ze uit te weiden over het straffe regiem in het opvanghuis. Elke avond om elf uur binnen, anders volgden er harde maatregelen. Haar vriend vroeg wel eens of ze een nachtje kwam logeren, maar dat zou haar een week binnenblijven kunnen kosten, en dat had ze nog niet voor de liefde over.

„Zijn ze zó streng?” vroeg Esther.

„Ja. En ’s morgens altijd vroeg op. Structuur noemen ze dat.”

Plotseling zei Esther: „Ik ben jarig vandaag. Ik word achttien!”

Het was een verrassende overgang, dat zeker. Je zou kunnen zeggen dat het uit ongevoeligheid voortkwam, maar dat hoeft niet. Esther leek me optimistisch van aard, ze wilde Ricky misschien afleiden van haar bagger en haar rotzooi.

„O proficiat!” riep Ricky. Het klonk onvervalst joviaal. „Wat heb je gekregen?”

„Een gouden kettinkje van mijn ouders, een armband van mijn zus en oorbellen van mijn broer.”