Zelfs de brandweer kan een coup plegen

In het chronisch instabiele Tsjaad hebben rebellen dit weekeinde geprobeerd om president Déby af te zetten. De hand van Soedan in het rebellenoffensief lijkt overduidelijk.

Koert Lindijer

Tsjaad is een van de meest chronisch instabiele landen van Afrika. Jacques Chirac, oud-president van Frankrijk, zei eens over Tsjaad: „Het is geen staat, maar een door buurlanden begrensd gebied gecontroleerd door krijgsheren.” De Tsjadische president, Idriss Déby, sloeg drie keer in de afgelopen twee jaar aanvallen van rebellen af, hij bestreed muiterijen en manipuleerde verkiezingen. Met oliegeld probeerde hij zijn tegenstanders af te kopen.

De verdeeldheid in Tsjaad weerspiegelt zich ook in de rebellengroepen, die constant nieuwe allianties vormen. Ze laten zich sturen door buitenlandse belangen, de hand van Soedan in het rebellenoffensief lijkt overduidelijk. In Tsjaad kan de brandweer een staatsgreep plegen, het overheidsapparaat is zwak en corrupt. De rebellen zijn al even amateuristisch. Bij een vorige poging N’Djamena in te nemen raakten ze de weg kwijt naar het presidentiële paleis omdat ze de straten van de hoofdstad niet kenden.

Het gevecht om de staatsmacht is een onderonsje tussen politici uit het oosten en noorden. Net als elders in Afrika geeft controle over het overheidsapparaat toegang tot financiën en betekent het beheersing van een lucratief patronagesysteem. Bij de onafhankelijkheid in 1960 kwam de macht te liggen bij politici uit het zuiden, het ‘Tchad utile’, het nuttige Tsjaad, waar de vruchtbare akkers liggen en waar sinds begin deze eeuw 160.000 vaten olie per dag worden gewonnen. Het schrale en islamitische noorden raakte gemarginaliseerd. Met de machtsovername van de noordelijke strijdheer Hissène Habré (1982-1990), gevolgd door de eveneens uit het noorden afkomstige soldaat Idriss Déby kwam aan die zuidelijke dominantie een einde. Sindsdien doet het zuiden niet mee aan de gewelddadige stoelendans om de macht. De rebellen namen de afgelopen dagen niet eens de moeite militaire acties uit te voeren in het zuiden en trokken rechtstreeks naar N’Djamena.

De rebellenleiders zijn voormalige medewerkers van Déby of zijn familieleden. Ze kregen ruzie over inkomsten en beleid. De nieuw gevormde rebellenalliantie de Unie van Strijdkrachten voor de Democratie en Ontwikkeling (UFDD), wordt geleid door Timon Erdimi, Abdelwahid Aboud Makaye en Mohamat Nouri. Erdimi is een neef van de president en was tot twee jaar geleden de macht achter diens troon. Nouri is een voormalige minister van Defensie. De meeste opstandelingen behoren tot de etnische groepen de Zaghawa, de Tama en de Goran uit het noorden en oosten van het land.

Tsjaad heeft nooit geluk gehad met zijn leiders. Sinds de onafhankelijkheid had er nooit op geweldloze manier een machtswisseling plaats en het land was 23 jaar in een burgeroorlog verwikkeld. Grote gebouwen in de hoofdstad tonen hun pokdalige muren als een herinnering aan de vele veldslagen. Krijgsheren werden president en weer krijger als ze door concurrerende collega’s waren afgezet. Niemand, ook de voormalige kolonisator Frankrijk niet, kon de strijdtonelen bedwingen.

Habré en Déby kwamen ieder met hulp van Soedan aan de macht. Aanvankelijk assisteerde Déby de Soedanese regering bij haar strijd tegen opstandelingen in Darfur, maar deze steun leidde tot onvrede binnen zijn etnische groep, de Zaghawa. De Zaghawa’s, die zowel in Soedan als Tsjaad leven, vormen een kleine minderheid maar zijn economisch invloedrijk. Veel Zaghawa in Soedan vechten met verzetsgroepen in Darfur. Een Zaghawa-kliek in Tsjaad probeerde Déby in 2004 door een muiterij in de presidentiële garde af te zetten; toen dit niet lukte deserteerden invloedrijke Zaghawa’s uit het leger en begonnen een eigen rebellengroep.

Déby veranderde daarop van tactiek en ging alsnog de opstand in Darfur steunen. Daarmee riep hij de woede van de Soedanese regering over zich af en sindsdien heeft Soedan consequent geprobeerd door actieve steun aan de rebellen Déby uit het presidentiële paleis te verwijderen.

De confrontatie tussen Soedan en Tsjaad concentreerde zich de afgelopen twee jaar in hun grensgebieden. Déby zette Afrikaanse milities in tegen Arabische milities vanuit Soedan en hij gaf onderdak aan Darfuri verzetsbewegingen. De meest efficiënte verzetsgroep van Darfur, de Beweging voor Gerechtigheid en Gelijkheid (Jem), heeft bases ten noorden van de Oost-Tsjadische stad Abèché en de Jem zou de afgelopen dagen hebben meegevochten aan de zijde van Déby’s regeringsleger. Tsjadische regeringsvliegtuigen bombardeerden in december Tsjadische rebellen in Darfur. Die aanval wekte zoveel woede op bij de Soedanese regering dat ze kennelijk besloot haar volle gewicht te leggen achter de nieuwe invasie door de gewapende tegenstanders van Déby.

Tsjaad is sinds 2000 een middelgrote olieproducent. Déby wendde een aanzienlijk deel van de toegenomen inkomsten aan om met nieuw gekochte wapens zijn militaire positie te versterken. Een belangrijke tegenslag voor Déby kwam in oktober toen een deel van zijn leger deserteerde samen met de minister van Defensie, de ex-rebel Mahamat Nour Abdelkarim, en posities innam in de bergen van Oost-Tsjaad. Ook raakten zijn relaties met Parijs vertroebeld na de komst van president Sarkozy.

Inwoners van N’Djamena, moe van het corrupte en militaristische bewind van Déby, stonden zaterdag te juichen toen de eerste rebellen de stad binnenkwamen. Zoals bij de intrede van elke nieuwe krijgsheer. Maar deze machtsovername lijkt te veel op al die vorige keren, de marcherende soldaten geven nog steeds de doorslag.