Mediaconcurrentie leidt tot hypes

De publieke omroep is in een felle concurrentiestrijd verwikkeld met de commerciëlen. Zenders jagen achter hetzelfde aan en daar is de mediahype, meent Hans Beerekamp.

Elk jaar verdwijnen in de hele wereld honderden kinderen en jongeren. Een enkeling eindigt als opsporingsbericht op een melkpak of in een tankstation. Heel soms worden ze een beroemdheid, zoals de Engelse kleuter Madeleine McCann of de Amerikaanse tiener Natalee Holloway.

De onevenredige media-aandacht voor zulke causes célèbres heeft te maken met de vaardigheid van de ouders om camera’s op zich gericht te krijgen. In de twee genoemde gevallen hadden de ouders bovendien goede contacten aan de bovenkant van de samenleving. Uiteraard zijn de media dol op zulke verhalen. Of liever: dat deel van de media dat voor zijn voortbestaan en dus omzet afhankelijk is van de attentie van een belangrijk segment van het publiek. Laten we zeggen: mensen met weinig interesse voor wereldpolitiek, cultuur, economie of wetenschap.

In de Verenigde Staten zijn de meeste televisiezenders alleen gericht op de grootste gemene deler. De overheid ziet het nauwelijks als haar taak om via televisie de informatie over belangrijker onderwerpen dan moord en doodslag te waarborgen.

In Europa hebben serieuze kranten een relatief groter marktaandeel en bestaat in bijna elk land een publieke omroep, die mede uit belastinggeld wordt gefinancierd. Maar in veel Europese landen, waaronder Nederland, vindt de politiek ook dat de publieke omroep de concurrentie moet aangaan met de commerciële radio- en televisiezenders. Zo wordt het voor de publieke omroep lastig om zich aan mediahypes te onttrekken. De angst om een boot te missen leidt tot een krampachtige poging om in de aandacht voor populaire onderwerpen vooral niet achter te blijven.

De situatie in Nederland is uniek. Niet alleen wil een ruime Kamermeerderheid dat Nederland 1 de grootste kijkdichtheid haalt (wat sinds kort is gelukt), maar ook dat het oude verzuilde systeem in stand blijft. Het resultaat is een moordende concurrentie, niet alleen tussen publieke en commerciële televisie, maar ook tussen de omroepen onderling. Een deel van de recente maatschappelijke nervositeit en instabiliteit in Nederland is daaraan gerelateerd.

Misdaadverslaggever Peter R. de Vries werkt voor producent Endemol en voor SBS6. Hij bedient zijn markt briljant, misschien nog wel beter dan Amerikaanse tegenhangers, die in de rij stonden om zijn special over de verdwijning van Natalee Holloway aan te kopen.

De afgelopen dagen was goed te zien hoe hij ook de publieke zendgemachtigden in paniek wist te brengen.

Met veel lef kondigde hij zijn primeur over de oplossing van het drama drie dagen tevoren aan, zonder met details te komen. Uiteraard trachtten de publieke concurrenten, met wisselend succes, het nieuws af te snoepen.

Voor het grootste deel moesten de actualiteitenrubrieken Nova, Netwerk en Een vandaag, alsmede het NOS Journaal en Pauw en Witteman zich beperken tot het oprapen van kruimels. Maar ja, je kunt het ook niet negeren, toch?

In feite is het schouwspel van foto’s van Joran van der Sloot in een discotheek, cameraploegen voor zijn huis en gesprekken met deskundigen over wat er zou kunnen gebeuren, niet anders dan dat rond de onzichtbare film van Geert Wilders of de dreiging van inheems terrorisme: een stand-upper voor een afzetlint.

De gratis kranten laten hun agenda voor een belangrijk deel dicteren door wat op televisie belangrijk gevonden wordt. Slechts een deel van de geschreven pers is nog in staat en bereid andere accenten te leggen, maar ook daar is het marktconforme denken de laatste jaren alleen maar sterker geworden.

Het zou helpen als de politiek in Nederland minder krampachtig zou worden in het handhaven van het huidige omroepbestel, dat zowel de oude verzuilde belangen als de angst voor de commerciële media prioriteert. Ook dan zouden we nog spreken over Peter, Joran en Natalee, maar niet in elke opening van ieder nieuwsprogramma.

Hans Beerekamp is mediaredacteur en televisierecensent van NRC Handelsblad.