Matthijs Vermeulen verdient meer aandacht

Klassiek Schönberg Kwartet, Irene Maessen (sopraan), Marja Bon (piano), Viola de Hoog (cello) en Paolo Giacometti (piano). Werken van Vermeulen, Pijper, Ruyneman en Bosmans. Gehoord: 3/2 Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. Herh.: 8/2 Eindhoven. Info: www.matthijsvermeulen.nl.

Van alle miskende, genegeerde en vergeten componisten uit de Nederlandse muziekgeschiedenis is Matthijs Vermeulen (1888-1967) misschien wel degene die deze status het minst verdient. Al bij leven werd zijn muziek niet, of veel te laat uitgevoerd, en daarna werd het niet veel beter, op een enkele kortstondige opleving na. Hoogtepunt was in dat opzicht het Holland Festival van 1997, toen onder meer al zijn zeven symfonieën werden gespeeld.

Toch is bijvoorbeeld bij de grote orkesten het besef nog altijd niet doorgedrongen dat hij van ‘onze’ componisten uit de eerste helft van de vorige eeuw de meest eigenzinnige en compromisloze was. En, geniaal of niet, in elk geval te bijzonder om vergeten te worden.

Het gaat dan vooral om zijn instrumentale muziek, die tegelijk ook zijn meest zangerige is. Het Schönberg Kwartet hield in het Strijktrio (1923) en Strijkkwartet (1960-61) het karakteristieke veelgelaagde gezang van begin tot eind helder, glanzend en met grote intensiteit vol. Vooral in het zich eindeloos niet-ontwikkelende Strijkkwartet was dat een grote prestatie.

Het Strijktrio lag soms wat tè gemakkelijk in het gehoor. Meer vuur en verbetenheid, en wat minder behaaglijk, ‘mooi’ spel, zouden beter recht doen aan Vermeulens kenmerkende combinatie van weerbarstigheid en gelukzalige extase.

Pianist Paolo Giacometti en celliste Viola de Hoog speelden de Eerste cellosonate (1918) minder opgepoetst, en dat werkte. Typisch Vermeulen zijn de vertroebelde ostinati in de pianobegeleiding, en de soms hard botsende dissonanten die ontstaan bij een schrijfwijze waarin geen enkele melodielijn zich naar de andere voegt. Giacometti en De Hoog speelden met volle overtuiging, van de diepe weemoed aan het begin tot het onstuimige geweld van het tweede deel.

Dat Vermeulen een componist met twee gezichten was, bleek in de vaak aangrijpende liederen. Als hij een tekst had om zich aan te houden, schreef hij ineens muziek met een kop en een staart. Bovendien sloot hij hier veel sterker dan in zijn instrumentale werk aan bij het Franse (lied)repertoire, en daarmee ook bij het – eveneens sterk Frans geïnspireerde – werk van zijn landgenoten Ruyneman, Pijper en Bosmans.

Irene Maessen zong alles verzorgd en indringend, en Marja Bon begeleidde haar sprankelend en speels op de piano. Vermeulens werk stak niettemin vooral op eigen kracht boven dat van zijn collega’s uit: zijn lyrische en emotionele reikwijdte is toch echt een stuk groter.