Iemand doet aan eigendunk, en de media giechelen een beetje

Het begon vorige week donderdag. In het Journaal van 8 uur hoorde ik dat Peter R. de Vries – in de dagen daarna werd hij steeds vaker liefkozend Peter R. genoemd – dat Peter R. de zaak Natalee Holloway had opgelost.

Potverdrie, dacht ik, en probeerde er via Netwerk, Teletekst, radio, en een paar krantensites achter te komen hoe het precies was gegaan, en ontknoopt. Het enige wat ik begreep was dat Peter R. had gezegd dat hij de zaak Natalee Holloway had opgelost.

Ik wachtte op Nova.

Nova had nieuws! Peter R. bleek in een persbericht te hebben bevestigd dat hij naar eigen zeggen de zaak Natalee Holloway had opgelost, en daaraan toegevoegd dat we de details zouden vernemen in een twee uur durend televisieprogramma dat niet nog deze zelfde avond, noch de avond daarop, en zelfs niet op zaterdagavond, maar pas zondag door SBS zou worden uitgezonden.

Peter R. beschikte dus over informatie van groot, grensoverschrijdend algemeen belang, en had in z’n eentje besloten er voorlopig een embargo op te leggen.

Als je in mijn tijd relevant nieuws, al was het maar voor de tijdspanne van één editie, onder je hield, kon je onmiddellijk bij personeelszaken je laatste salarisstrookje ophalen. Fit to print?, luidde het adagium in die dagen. Dan zúl je het verdomme ook printen.

De redactie van Nova deed niet of haar neus bloedde, maar had zenuwachtig een verslaggever op pad gestuurd die natuurlijk met niks thuiskwam, en een rechtspsycholoog uitgenodigd die enige speculaties uit zijn duim zoog.

Allemaal wanhoopjournalistiek, moest ik vaststellen. Gelukkig had Clairy Polak de presenteerbeurt, dus ik ging er van uit dat zij de blabla met één slotzinnetje zou torpederen. Journaliste toch? Maar mevrouw Polak, ofschoon naar ik altijd dacht niet op haar achterhoofd gevallen, zei helemaal niets, dat wil zeggen: ze kraaide tot slot van de uitzending „Nou, ik zal zondag gráág kijken”.

Meteen daarna verscheen Peter R. persoonlijk: bij Pauw en Witteman tegenover wie hij volhardde in de zelfopgelegde zwijgplicht. Het duo wilde zich omgekeerd voor geen goud laten kennen als journalistieke interviewers, wat ze altijd wel knipogend doen tegenover dommige gasten of onnozele Idolsmeisjes. Niemand in het talkshowgezelschap, waarin ook de roemrijke mediaminister Plasterk, durfde te vragen waarom we in godsnaam niet nu al mochten horen wat ons voor zondag werd beloofd. Niemand, behalve de oud-bokser Rudi Lubbers. Maar Pauw en Witteman kwebbelden haastig over diens vraag heen.

Die donderdagavond was al duidelijk, wat in de etmalen die volgden steeds evidenter werd. Hier was geen sprake van een crimefighter, een waarheidzoeker, een apostel van het Recht, een behoeder van vrouwe Justitia of van mevrouw Holloway, maar van een ordinaire zelfbevlekker die met stiekeme camera’s, duurbetaalde provocateurs en bovenal met een driedaagse ‘radiostilte’ niet alleen Clairy Polak, Pauw & Witteman, alle kranten en alle actualiteitenrubrieken, maar ook het suffe Arubaanse OM in gijzeling had genomen, teneinde het opperste rendement te halen uit een bloedstollend televisienummertje dat hem geen windeieren mocht leggen (hele uitzending reeds verkocht aan ABC) en dat hem liefst regelrecht moest bevorderen tot de heerlijkheid van Oprah Winfrey.

Dat ik straks – het is zondagavond even na negenen – ga kijken naar Peter R. de Vries, misdaadverslaggever bezorgt me geen gewetensproblemen. Ik kijk wel vaker naar opgewonden, slecht geacteerde, sentimentele pulp, en onder het kijken ben ik ’t meestal al vergeten. Dat Joran van der Sloot misschien eindelijk schuld bekent aan de veldwachter van Aruba doet me ook niks. Wat me dwars zit is een overdaad aan besmuikte, half olijke krantenreacties, zonder één blijk van de behoefte om te oordelen dat alles aan de zaak stonk en stinkt. Zelfs de slijpsteenpers liet zich niet horen.