Het is de vraag of de waarheid nu op tafel ligt

Het kan goed zijn dat Joran van der Sloot zich heeft overgegeven aan sinistere fantasieën en niet de waarheid heeft verteld. En ook dat De Vries dat weet , meent Henk E. Brink.

De vraag naar het waarom van de werkwijze van Peter R. de Vries is onvoldoende gesteld in de dagen waarin hij zich internationaal als hype katapulteerde.

Toen hem zaterdag in NOVA werd voorgehouden dat waar Van der Sloot in de afgelopen tweeënhalf jaar over zoveel gelogen heeft, niet zonder meer valt uit te sluiten dat hij ook in de opnames de waarheid geweld aandoet, antwoordde De Vries met de wedervraag naar het waarom van dergelijke leugens. Gisteravond benadrukte De Vries keer op keer dat de mogelijkheid van onjuiste berichtgeving door Van der Sloot aan De Vries’ informant Patrick van der Eem wel uitgesloten moest worden. Alsof de overtuiging uit de herhaling moest komen.

Vanuit rechtspsychologisch – en daarmee uiteindelijk ook vanuit juridisch – perspectief blijft van belang of er bij Van der Sloot redengevende omstandigheden denkbaar zijn (geweest) die hem ertoe hebben gebracht tegen de informant van De Vries te liegen omtrent zijn wetenschap ten aanzien van de dood en de verdwijning van Holloway.

De Vries heeft bij zijn speurtocht gebruik gemaakt van een gerichte informant. Toen hem in NOVA gevraagd werd naar de betaling hiervan, kwam hij weg met wat gemeenplaatsen over de vermogenspositie van de informant en bagatelliseerde hij de onkostenvergoeding. Twan Huys verzuimde door te vragen – kennelijk boezemt De Vries bij zijn collegae dusdanig grenzeloze bewondering in dat iedere journalistieke benadering terstond verdampt – maar het belang zat hem er in dat er een informant was ingeschakeld met als uitgesproken doel het vertrouwen van Van der Sloot te winnen teneinde hem uitspraken te ontlokken en deze vast te leggen.

Deze operatie vond plaats onder de strakke regie van De Vries zelve. Zijn standpunt omtrent de bemoeienis van Van der Sloot bij de verdwijning van Holloway was al tamelijk onwrikbaar vast komen te staan. Geen sprake is dus van een goede vriend of vage bekende van Van der Sloot die zich tijdens reguliere sociale omgang plotseling geconfronteerd zag met specifieke bekentenissen en zich in radeloosheid – en wellicht gedreven door acute gewetensnood – tot De Misdaadverslaggever wendde. Welnee, integendeel; het ging om een gestuurde informant met een missie. Eén die zoals uit het programma genoegzaam is gebleken begiftigd is met goed ontwikkelde sociale vaardigheden, waarmee hij in staat is van een onbekende in korte tijd diens vertrouweling te worden en mogelijk ook hem zekere uitspraken te laten doen – eventueel zelfs uitspraken die niet waar zijn.

Ik weet niet wat er zoal tussen de informant en Van der Sloot besproken is gedurende de afgelopen maanden. In het programma van De Vries hebben we slechts een deel daarvan meegekregen, maar reeds daaruit blijkt hoezeer de informant Van der Sloot heeft weten te prikkelen tot het doen van zekere uitlatingen.

Wat daarbij opviel is dat Van der Sloot zich buitengewoon geïmponeerd toonde door de informant Van der Eem. Diens vermeende criminele status boezemde bij de jonge Van der Sloot ontzag in. Stelselmatig werd gesproken over wiet en blowen en goed geld verdienen. Prachtig vond Van der Sloot het ten overstaan van deze man kond te doen van de wijze waarop de politie faalde en te benadrukken hoe heldhaftig en professioneel hij zich in de verhoren had weten op te stellen.

Zijn toon veranderde toen hij door Van der Eem werd uitgenodigd – of was het uitgedaagd? – details prijs te geven over de verdwijning van Holloway. Hij werd kwetsbaarder en de stoere toon van kort daarvoor verdween. De vraag is of zijn breekbaarheid werd veroorzaakt door opspeling van zijn geweten en de herinnering aan zijn laakbaar gedrag of door het feit dat hij ten overstaan van de door hem bewonderde crimineel Van der Eem geen weg terug zag.

Van tweeën één: of Van der Sloot heeft na tweeënhalf jaar plotseling de behoefte gevoeld deze relatief onbekende het vertrouwen van de waarheid te schenken, of hij heeft zich overgegeven aan uitingen van sinistere fantasieën.

Anders dan De Vries nu wil doen geloven is er geen enkele aanleiding aan de eerste variant méér geloof te hechten dan aan de tweede. Sterker, gelet op de specifieke benadering door de geregisseerde informant lijkt de laatstgenoemde mogelijkheid het meest aannemelijk.

Dat weet De Vries ook. Door evenwel vijf dagen lang het gevoel te geven dat de oplossing daadwerkelijk daar is, hoopt hij dat de kritische kanttekeningen zullen verstommen in maatschappelijke euforie.

Wanneer zal blijken dat een en ander juridisch tot niets leidt heeft hij zijn glorie reeds geconsumeerd.

Henk E. Brink is strafrechtadvocaat in Amsterdam.