Geen sterren maar evenmin bijzondere cinema

NieuwsanalyseSterren gaan niet naar Rotterdam. Belangrijker is dat goede films er steeds minder te zien zijn. Het is de vraag of Rutger Wolfson de directeur is die het probleem kan oplossen.

De uitreiking van de Tiger Awards vrijdagavond heeft een al jaren sluimerend probleem van het Rotterdams filmfestival manifest gemaakt. Twee van de drie prijzen gingen naar films die vorig jaar al op een ander festival bekroond zijn. De derde winnaar was een film die door verschillende juryleden als filmisch volstrekt oninteressant was beoordeeld. Wordt Rotterdam een tweede-keusfestival voor filmmakers?

Het toeval wil dat deze kwestie samenvalt met het moment waarop het festivalbestuur moet beslissen over de benoeming van een algemeen directeur, nu de termijn van interim Rutger Wolfson afloopt. De persoon van die nieuwe directeur kon wel eens doorslaggevend worden voor de richting die het festival de komende jaren op gaat. En zo voor de positie van Rotterdam op de festivalkalender.

Elk filmfestival heeft in theorie drie opties. Het kan een groots evenement met de belangrijkste (publieks)premières organiseren, waar sterren uit de hele wereld, en dan liefst uit Hollywood, op afkomen. Cannes, Venetië en Berlijn hebben zo’n festival, Rome probeert dat te worden. Dat kost handenvol geld en zoveel heeft Rotterdam niet. Dat is dus geen optie.

Een festival kan ook, zoals Film by the Sea in Vlissingen, een fijn programma voor een algemeen publiek samenstellen. Dan vertoont het de mooiste films van buitenlandse festivals en geeft het voorpremières van publiekstrekkers. Rotterdam doet dat ook. Op de 37ste editie kregen No Country for Old Men (gebroeders Coen), I’m Not There (Todd Haynes), La graine et le mulet (Abdel Kechiche) en Persepolis (Marjane Satrapi) hun Nederlandse première. Daarnaast vertoont men in Rotterdam films die wel op internationale festivals te zien waren, maar die misschien niet de Nederlandse bioscoop zullen halen. Dat is belangrijk, anders zouden filmliefhebbers hier bijvoorbeeld nooit het duistere Autumn Ball van de Est Veiko Õunpuu op het grote doek te zien krijgen.

Toch strookt die bescheiden, wat passieve opstelling niet met de ambities van het festival. Sinds de eerste editie onder oprichter Huub Bals is de organisatie op zoek naar het avontuur. Nieuwe filmmakers, nieuwe films, nieuwe manieren van filmen. Programmeur Gerwin Tamsma definieerde ‘Rotterdam’ vorige week in een interview op nrc.nl/film als volgt: „Een festival voor de beginnende filmmaker die met relatief bescheiden middelen, maar op heel inventieve manier een eigen stijl aan het ontwikkelen of zoeken is. De film hoeft niet direct een meesterwerk te zijn, maar wel bijzondere cinema.”

Zo’n avontuur hebben de bezoekers de afgelopen jaren te weinig beleefd in Rotterdam. Voorbeeld: dit jaar was de Japanner Masahiro Kobayashi een van de filmmakers in focus. Op een persconferentie rechtvaardigde de organisatie haar keuze aldus: zijn films waren de laatste jaren niet meer op het festival te zien geweest. Dat betekent dat óf de programmeurs niet goed hebben opgelet, waardoor Kobayashi met Ai no yokan (‘De wedergeboorte’) vorig jaar in Locarno de Gouden Luipaard kon winnen. Of Rotterdam heeft een naar eigen inzicht minder interessante regisseur tot Filmmaker in Focus verheven. De eerste verklaring lijkt waarschijnlijker dan de tweede.

Concurrentie tussen festivals is moordend geworden. Niet voor niets wordt in Rotterdam overwogen om films die geld hebben gekregen van het eigen Hubert Bals Fonds, minder vanzelfsprekend eerst op andere festivals te laten uitkomen. Dat zou een oplossing zijn, hoewel de openingsfilm van deze editie, Cordero de Dios, daar geen goede reclame voor was. Een goedbedoelde film, met een hartverwarmend thema, maar geen „bijzondere cinema”, om het criterium van programmeur Tamsma te gebruiken. En dat gold dit jaar voor te veel films in de competitie, van de Filippijnse warboel Years When I Was A Child Outside tot de Kazakse rechttoe rechtaan puberfilm Strizh.

Interim-directeur Wolfson is dit alles niet aan te rekenen. Hij kwam in september aan boord nadat pogingen een ‘echte’ directeur aan te trekken waren mislukt. Zijn energie, enthousiasme en presentatie zijn een aanwinst, maar het is twijfelachtig of hij het probleem van het festival kan oplossen. Hij heeft wel interesse voor, maar geen verstand van cinema, zoals hij dat wel heeft van beeldende kunst. Hij vond dus de openingsfilm heel erg mooi en zei bij de opening van het festivalonderdeel Exploding Cinema, dat zich in het grensgebied met de beeldende kunst afspeelt, dat „hier mijn hart ligt”. Als hij volgend jaar wel de belangrijkste beslissingen neemt over het programma en de keuzes van zijn programmeurs tegen het licht moet houden, zal zijn gebrek aan kennis en ervaring een handicap vormen.

Het moet gezegd, het echte avontuur in Rotterdam zat dit jaar niet in een bioscoop maar in het voormalige fotomuseum, waar onder de titel New Dragons Inns installaties van grote filmmakers als Tsai Ming-liang, Apitchapong Weerasethakul en Wang Bing werden getoond. Schitterend programmaonderdeel, waarschijnlijk de reden waarom Wolfson hamerde op flexibiliteit als onderscheidend punt voor Rotterdam: de flexibiliteit om van filmvertoningen over te stappen op de expositie van beeldende kunst als interessante makers dat doen. Maar het is de vraag of dat een weg is die Rotterdam – dat altijd trots de vlag ‘best bezochte betaalde evenement van Nederland’ voert – met succes in kan slaan. En of het festival die kant op moet wíllen.