Deze rector kan spreken als een vakbondsleider

De Universiteit Leiden wil zich profileren als selectief onderzoeksinstituut. Paul van der Heijden, jurist en „fenomenale netwerker”, moet dat als rector magnificus uitdragen. Hoe een ambitieus katholiek jongetje opklom in de universitaire wereld.

Tijdens zijn middelbare schooltijd woonde Paul van der Heijden in het kleinseminarie in Nijmegen. Foto NRC Handelsblad Vincent Mentzel Prof.mr.dr. Paul van der Heijden(1949) Rector magnificus Universiteit Leiden. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C== Leiden, 24 januari 2008 Mentzel, Vincent

Hij is geen man van bomen, zee, frisse lucht. Als je Paul van der Heijden wilt pesten, zegt zijn ‘personal assistant’ Hetty van der Meij, zet je hem twee dagen op de hei. Of op een boot. Dat merkte ze tijdens een „fantastische vaartocht” op de Noordzee, op het schip de Eendracht. Van der Meij: „Paul had de hele dag een glimlach op zijn gezicht. Hij had voor iedereen een vriendelijk woord. Maar tussendoor stond hij ongelukkig aan de reling. Hij was blij dat hij uiteindelijk van boord mocht. Je kan geen kant op, hè, op zo’n boot.”

Op 8 februari, de verjaardag van de Universiteit Leiden, is Paul van der Heijden één jaar rector magnificus én voorzitter van het college van bestuur in Leiden. Op de meeste universiteiten zijn die functies gescheiden. In Leiden niet. De universiteit wil zich profileren met één baas als boegbeeld.

Hij werd er binnengehaald als grote vis. Voor een universitaire bestuurder is hij namelijk opvallend invloedrijk. In de top-200 invloedrijkste mensen in het openbaar bestuur, opgesteld door de Volkskrant, stond hij als een van de slechts twee rectores. Daarnaast is hij commissaris bij diverse grote ondernemingen (geweest), wat maar weinig intellectuelen kunnen zeggen. Hij is nu „alleen nog” commissaris bij Shell Nederland, Kroonlid van de Sociaal-Economische Raad, voorzitter van Stichting de Volkskrant en voorzitter van de commissie over vakbondsvrijheid van de International Labour Organization.

Met díe ervaring en dat netwerk zou hij een van de weinige mensen zijn die de combinatie van rector en collegevoorzitter aankan.

Zijn oude werkgever, de Universiteit van Amsterdam (UvA), liet hij vorig jaar met de nodige problemen achter. Als rector magnificus had hij de bestuurlijke fusie met de Hogeschool van Amsterdam (HvA) in gang gezet maar die verloopt stroef. Ook botste het vierkoppige college van bestuur van de UvA vaak onderling: naast Van der Heijden zaten collegevoorzitter Sijbolt Noorda, oud-topambtenaar Ankie Verlaan en HvA-topman Rob Scheerens. Ze stonden met de rug naar elkaar toe, zegt de arbeidssocioloog Jelle Visser, die in de jaren negentig met Van der Heijden samenwerkte in het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies. „Ze wilden allemaal het liefst voorzitter zijn.”

Van der Heijdens overstap van de ‘informele’ Amsterdamse universiteit naar het ‘plechtige’ Leiden wekte bij de buitenwacht verbazing. Maar volgens assistent Hetty van der Meij wilde Van der Heijden al langer terug naar Leiden. „Leiden past hem als een jas, heeft hij weleens gezegd.” Van der Heijden kent Leiden. In 1984 promoveerde hij bij Max Rood op de Leidse rechtenfaculteit. Daar zat hij ook in de faculteitsraad, onder anderen met Willem Vermeend, de latere minister van Sociale Zaken (PvdA) en met Rudy Andeweg, nu hoogleraar politicologie in Leiden. In Leiden legde hij de basis voor zijn netwerk. Daar komt bij dat hij zo veel expertise over het besturen van ondernemingen opbouwde, dat bedrijven hem als commissaris vroegen.

‘Dat kan leuk worden’, dacht Rudy Andeweg toen hij hoorde dat Van der Heijden zou terugkomen in Leiden. Hij voorzag een botsing van de „losse Amsterdamse stijl” met „het formele Leiden”. Want: „Dat heel formele heeft Paul niet.” Maar toen Andeweg laatst met Van der Heijden een oratie bijwoonde, bleek dat hij zich had aangepast. „Hij deed mee aan het ritueel, en droeg ook geen spijkerbroek onder zijn toga.”

In zijn inaugurele rede formuleerde Van der Heijden de ambitie om Leiden sterker te positioneren als onderzoeksuniversiteit. Afgelopen week, een jaar later, bleek uit een notitie hoe. Om de masterstudies beter te laten aansluiten op het promotietraject bepleit Van der Heijden één ‘graduate school’ per faculteit. Hiermee zou Leiden de internationale trend volgen om de master niet te zien als verlengde van de bachelor, maar als voorportaal van de promotie.

In weerwil van de mislukte experimenten met selectie aan de poort blijft Leiden zich tegelijkertijd profileren als ‘selectief’. Andeweg: „Hij heeft moeiteloos het wat elitaire profiel overgenomen sinds zijn aantreden.”

In zijn pogingen om die Leidse selectiviteit te waarborgen moet Van der Heijden eerst het nodige bezuinigen, blijkt uit interne rapportages. Doordat minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) geld uit de basisfinanciering van universiteiten naar individuele wetenschappers heeft overgeheveld, raakt de universiteit 9 miljoen euro kwijt. Hij wil de faculteiten der letteren, archeologie, godsdienstwetenschappen, kunsten en wijsbegeerte laten fuseren. Ook is het Centrum voor Milieuwetenschappen al gekortwiekt.

Paulus Franciscus van der Heijden (58) groeide op in Utrecht, in de wijk Oog in Al. Hij was zoon van een Hongaarse vluchtelinge en gemeenteambtenaar, die eerst de boekhouding deed en later organisatieadviseur werd bij de gemeente. Zijn opa van moederszijde sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog in Rusland.

De zes kinderen, van wie Paul nummer vier was, kregen een katholieke opvoeding. De jonge Paul had een katholiek vriendje uit een PvdA-gezin, waar sociaal-democratische verkiezingsposters voor de ramen hingen. Dan werd thuis besproken of dat jongetje nog wel over de vloer mocht komen. En protestantse vriendjes mochten niet zwemmen op zondag, dat maakte die vriendschap weer ingewikkeld. Samen met Jeroen Sprenger, nu directeur voorlichting op het ministerie van Financiën, was Van der Heijden misdienaar in de Sint Dominicusparochie. „We woonden onder de geur van de Douwe Egbertsfabriek”, vertelt Sprenger. „Er woonden veel gemeenteambtenaren die actief waren in de katholieke vakbeweging. Zo kenden onze vaders elkaar.”

De middelbareschooltijd bracht Van der Heijden buitenshuis door. Zijn ouders stuurden hem naar het kleinseminarie in Nijmegen, dat bekendstond om het goede onderwijs. Daar ontmoette hij jeugdvriend Theo Helmerhorst, nu hoogleraar gynaecologie in Rotterdam. De sfeer was er volgens Helmerhorst niet meer zo religieus, maar de paters lieten de jongens wel hard leren. Alle jongetjes hadden een degelijke katholieke opvoeding genoten, zegt Helmerhorst. „Maar ik heb Paul nooit kunnen betrappen op de ambitie om priester te worden.”

Drie leraren van de latere rector magnificus waren gepromoveerd. De natuurkundeleraar werd later zelfs hoogleraar. ’s Ochtends om half acht zat hij in de bibliotheek om over heiligen te leren. „Ik denk dat daar mijn liefde voor de wetenschap vandaan komt”, zegt Van der Heijden nu. Zijn vader was ook al „een liefhebber van het intellectuele”, aldus Van der Heijden. „Ik las op m’n zesde voor m’n lol in de encyclopedie.”

Op school in Nijmegen begon ook Van der Heijdens bestuurlijke carrière – hij zat samen met Helmerhorst in de leerlingenraad. Daar rookten ze een sigaartje met de leraren, herinnert Helmerhorst zich. „Dan eisten we bijvoorbeeld dat we ook eens meisjes te zien kregen”, zegt Van der Heijden.

Ze gingen studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Volgens Helmerhorst wilde Van der Heijden „de wijde wereld in, niet in Nijmegen studeren, dat deden twee van zijn broers al”. Ze werden in 1968 lid van de katholieke studentenvereniging Sanctus Thomas van Aquino, die niet veel jaren later aan de maatschappelijke betrokkenheid van haar leden – onder wie Pim Fortuyn – ten onder zou gaan. Het was de tijd van ‘aksie’, niet van klassieke, van de maatschappij afgekeerde studentenverenigingen.

In het eerste studiejaar van Van der Heijden werd het Maagdenhuis bezet. Daar deed hij niet aan mee. Actiebereidheid legde Van der Heijden wel aan de dag in de sociale advocatuur. Hij werd actief in de rechtswinkel, waar hij naar eigen zeggen „vocht voor rechtshulp voor elke Nederlander”.

Van der Heijden greep hoog, zegt Helmerhorst. „Dat deden we allebei. We probeerden onze talenten maximaal te benutten. We wilden beiden een belangrijke bijdrage leveren aan de maatschappij.” Helmerhorst denkt dat zijn studievriend de ambitie van huis uit heeft meegekregen. „Opklimmen was daar belangrijk. Hij merkte dat hij goed was in wat hij deed, en dat hij er plezier in had. Hij wilde, denk ik, kijken hoe ver hij kon reiken, gewoon doorgaan als hij een volgend stapje had bereikt. Dat heeft hem ver gebracht.”

Helmerhorst en Van der Heijden zijn altijd vrienden gebleven. Hun oudste zoons zijn elkaars beste vriend. Helmerhorst: „We hebben een trouwe vriendschap, waarin we de mindere dingen op de koop toe nemen. Die loyaliteit is er, dat is lang geleden al zo bepaald.”

Na zijn tijd als promovendus in Leiden vertrok Van der Heijden naar Groningen, waar hij hoogleraar werd. Van 1985 tot 1989 was hij daarnaast een paar jaar rechter in Amsterdam, waar hij in 1990 ook als hoogleraar belandde. Hij adviseerde over het Amsterdamse taxibeleid, is lid van het Republikeins Genootschap en sprak zich geregeld uit over het arbeidsrecht. Zo bepleitte hij in 1995 al de omvorming van een meebeslissende universiteitsraad naar een adviserende ondernemingsraad, een model dat enkele jaren later op de meeste universiteiten ook ingang vond. In 1996 wilde hij het ontslagrecht versimpelen en in 1998 voorspelde hij het einde van het poldermodel.

In zijn jaar als Leidse universiteitsbaas heeft Van der Heijden het nieuws maar één keer gehaald: het college van bestuur wilde al het universitaire nieuws gaan verspreiden via de eigen digitale Nieuwsbrief. Het universitaire weekblad Mare zou een tweewekelijks, meer opiniërend blad moeten worden, zonder directe nieuwsvoorziening. Bijkomend voordeel zou zijn dat er kon worden bezuinigd op de Mare.

De redactie van Mare vreesde voor haar voortbestaan. De Universiteitsraad stelde een petitie op. Die werd door duizenden ondertekend, onder wie enkele prominente oud-studenten zoals VVD-leider Mark Rutte. Na veel publiciteit draaide het college van bestuur zijn voornemen terug. Wel schreef Van der Heijden in een boze brief aan Rutte dat hij zich niet met de kwestie moest bemoeien. In een handgeschreven briefje antwoordde de VVD-leider dat een goed bestuurder achter de vrije pers staat.

Paul van der Heijden wilde niet dat er familieleden zouden worden benaderd voor dit verhaal. Hij heeft drie kinderen van wie de oudste twee studeren in Amsterdam en van wie de jongste dit jaar vwo-eindexamen doet. Zijn assistent Van der Meij: „Paul wil emotie en ratio strikt van elkaar scheiden. Zijn familie is van hem.”

Als bestuurder staat Van der Heijden bekend als benaderbaar, maar zakelijk. Hij heeft „een effectieve bestuursstijl”, zegt Sijbolt Noorda, oud-collega in het Amsterdamse college. „Als je het vergelijkt met voetbal is hij een speler die altijd op de juiste plaats staat. Hij trekt niet voortdurend zijn mond open, maar zegt de juiste dingen op de juiste momenten.”

Als rector in Amsterdam was Van der Heijden al verantwoordelijk voor academische kwesties. Nu mag hij in Leiden ook openingen verrichten, doordat hij ook de voorzitter is. Dat gaat de als ‘fenomenale netwerker’ geroemde Van der Heijden prima af. Noorda roept in herinnering dat Van der Heijden in 2003 een studentenmenigte toeschreeuwde door een megafoon, „als een volleerd vakbondsleider”.

Van der Heijden vindt studenten leuk, zegt Van der Meij. „In Amsterdam at hij een keer mee met de studentenraad. Daar kreeg hij het voor elkaar dat vrijwel elke student een stuk van een gedicht ging declameren. Daar heeft hij dan, als liefhebber van de Nederlandse poëzie, veel plezier in.”

In Amsterdam woont hij op de Leidsegracht, vlak bij een café waar hij graag een praatje maakt met bezoekers. Ook kuiert hij geregeld door Amsterdam. Leiden mag dan zijn universiteit zijn geworden, Amsterdam is zijn stad. Ver weg van de natuur.