De Breij in virtuele wereld

Cabaret iClaudia, door Claudia de Breij. Gezien: 24/1 Kleine Komedie, Amsterdam. Tournee t/m 31/5 en volgend seizoen. Inl.: www.claudiadebreij.nl

Een goed onderwerp: de virtuele wereld verdringt de echte. Vrienden bestaan niet meer in werkelijkheid, maar op MySpace. En seks gaat tegenwoordig via Second Life. Dat is zeker bruikbaar materiaal voor een cabaretier. Maar veel doet Claudia de Breij er niet mee, in haar nieuwe programma iClaudia. Ze constateert dat veel mensen tegenwoordig liever een schermpje tussen zichzelf en de echte wereld hebben, ze drijft er een beetje de spot mee, maar doorbijten doet ze niet. En ze heeft het ook minstens zo vaak over heel iets anders.

Haar vorige voorstelling, Hallo lieve mensen was een goed doordacht, puntig programma dat zich toespitste op het optreden van artiesten voor Nederlandse soldaten in oorlogsgebieden. Zo bewonderenswaardig is iClaudia lang niet. De Breij, tevens bekend als kordaat televisie-presentatrice (onder meer van de overbodige vrijdagavondshow Thank God it’s Friday), staat ditmaal vooral te demonsteren hoe bedreven ze is geworden in het scheppen van een huiselijk sfeertje.

Vaak krijgt ze de lachers al op haar hand door alleen maar iets te noemen. Dan is een goede grap dus niet eens nodig. En het kan overal over gaan, want ze kan beeldend vertellen. Over collega’s bij nachtelijke pompstations, over de pips ogende levensmiddelen in een natuurwinkel, of de stuitende geuren van medepassagiers in een vliegtuig. Soms zijn dat grappige observaties, en soms ook niet, maar veel lijn zit er niet in.

Als altijd wisselt Claudia de Breij haar conferences af met smeuïge liedjes op rockbasis, gespierd begeleid door haar musici Sander Geboers, Rogier Wagenaar en Thijs Lodewijk. Minstens één van die nummers, een lied over jeugdsentiment, verdient een langer leven. Zoals de kindertijd van de babyboomers is vereeuwigd in 1948 („Toen was geluk heel gewoon”) beschrijft dit lied de nostalgie van de achterbankgeneratie: „Reagan was nog president / en roken was nog stoer”.