Belgrado laat vluchtelingen uit Kosovo stikken

De relaties van Servië met de EU staan door de kwestie-Kosovo onder druk. Dat thema bepaalde de presidentsverkiezingen van gisteren. Maar hoe gaat het de Serviërs die in 1999 Kosovo ontvluchtten?

Een paar kilometer buiten de Servische hoofdstad Belgrado hangt een bruine mist boven de nieuwbouw van Kaludjerica. Langs de weg hakken mannen hout om de huizen mee te verwarmen.

Kaludjerica is officieel geen stad en ook geen dorp. Een stratenplan is er niet. Maar er wonen inmiddels ruim 25.000 mensen die er zonder vergunning hun huizen bouwen en hun winkels openen.

Kaludjerica, volgens Servische media ‘Europa’s grootste illegale nederzetting’, is een vergaarbaak van Serviërs die tijdens de Joegoslavische oorlogen in de jaren negentig op drift raakten. Uit Kroatië, Bosnië en Kosovo belandden ze hier, aan de rafelrand van de Servische samenleving.

Volgens het overheidscommissariaat voor vluchtelingen in Belgrado leven in Servië nog altijd een half miljoen vluchtelingen. Ruim 200.000 van hen zijn internally displaced persons – vluchtelingen uit de Servische provincie Kosovo.

„Kom terug naar Kosovo”, zegt de Kosovaarse premier Hashim Thaçi die mogelijk deze maand of de volgende de onafhankelijkheid van Kosovo zal uitroepen. In een onafhankelijk Kosovo, gedomineerd door de Albanese meerderheid (meer dan negentig procent), hebben de Kosovo-Serviërs volgens Thaçi „niets te vrezen” en „is er ook voor hen een toekomst”.

Maar in Kaludjerica gelooft niemand daarin. In houten barakken op een in onbruik geraakt fabrieksterrein woont Milan Dobric met zijn gezin. Ze delen het terrein met 35 andere families, allemaal afkomstig uit de Kosovaarse steden Pec en Prizren waaruit ze aan het eind van de oorlog om Kosovo in 1999 door de Albanezen werden verdreven.

In een hok achter de barakken staan wc-potten. Eromheen stapelt het huisvuil zich op. De kinderen, gehuld in tweedehands skijacks die een buitenlandse hulporganisatie onlangs kwam brengen, spelen op de modderige hoofdweg.

„Alle kinderen jonger dan acht jaar zijn hier geboren, zo lang zitten we hier nu al”, zegt Milan, zelf vader van drie pubers. Hij werkte in Kosovo in een sportcentrum en sloeg pas in de nadagen van de oorlog op de vlucht, toen het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK hun kant opkwam. „Onze Albanese buren hielpen ons, we waren altijd vrienden gebleven, ondanks het oorlogsgeweld. Zij begeleidden ons tot de grens met Servië. Daarna stonden we er alleen voor.”

Bijna negen jaar na de oorlog leeft het merendeel van de 200.000 Servische vluchtelingen uit Kosovo bij vrienden of familie in Servië. „Ze zijn opgegaan in de grijze economie, daar hebben we geen zicht meer op”, zegt Vesna Petkovic van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR in Belgrado. „Nog zo’n zesduizend Kosovaarse vluchtelingen wonen in kampen, zoals in Kaludjerica.”

In onderhandelingen over de toekomstige status van de formeel nog altijd Servische provincie eist het VN-bestuur in Kosovo van de Kosovaarse politiek repatriëring van Serviërs mogelijk te maken. Onder supervisie van het United Nations Development Program financierde de Kosovaarse regering de herbouw van huizen van Serviërs in sommige gemeenten.

Maar volgens Vesna Petkovic van de UNHCR zijn de resultaten teleurstellend. „Slechts drieduizend Serviërs keerden tot nu toe terug. In Kosovo is er geen politieke wil om de Serviërs te helpen.”

Tegelijk doet volgens Petkovic de Servische regering in Belgrado niets aan het verbeteren van de situatie van de vluchtelingen. „Als de Servische regering een serieus sociaal en economisch integratiebeleid zou opzetten, betekent dat impliciet dat ze ervan uitgaat dat er voor Serviërs in Kosovo geen toekomst meer is. Alsof Servië Kosovo heeft opgegeven. En dat is politiek onverkoopbaar. Dus laat men de IDP’s maar aan hun lot over.”

Op zaterdagochtend laadt Dejan Trbuskovic in Belgrado zijn oude Mazda met startproblemen vol met cadeaus. Springtouwen, hoepels en gymschoenen. De geschenken zijn ingezameld door hulporganisatie Grupa 484 waarvoor Trbuskovic al jaren op en neer rijdt tussen Belgrado en de vluchtelingenkampen.

Trbuskovic: „In sommige kampen is er geen stromend water, daar koken ze soep met regenwater.” Aangekomen in het kamp in Kaludjerica stalt hij de cadeaus uit op een lange tafel in een leegstaande barak. Om beurten mogen de kinderen iets uitzoeken.

„Iedereen heeft zijn mond vol over de toekomst van Kosovo”, zegt Trbuskovic. „Het is een politiek interessante kwestie, maar om Kosovaren zelf geeft niemand.”

Milan Dobric vertelt dat er afgelopen week een koppelbaas hun terrein opkwam. „Hij had vijf man nodig voor de bouw van nieuwe huizen en bood tien euro als dagloon. Het is niet veel, maar je pakt wat je pakken kunt.”