Wordt niet vervolgd

Onlangs verdween de laatste vervolgstrip uit een Nederlandse krant. Alles moet kort, snel en grappig.

Striprecensie van Typex in NRC Next Typex

‘De dood van de dagbladvervolgstrip’ kopte de bijlage van het Vlaamse dagblad De Morgen. De krant wijdde vorige maand een volledige pagina aan het besluit van het Nederlands ochtendblad De Telegraaf om de laatste feuilletonstrip in Nederland, de realistisch getekende detectiveserie Nicki Saxx, te beëindigen. Geen van de Nederlandse kranten merkte deze droevige mijlpaal voor de krantenstrip op.

Dat een Belgisch dagblad de necrologie van de vervolgstrip moet schrijven is tekenend voor de Nederlandse stripcultuur, zeggen kenners: hier is te weinig belangstelling voor ‘serieuze’ strips.

Makers van Nicki Saxx zijn tekenaar Mick Oosterveer en tekstschrijver Willem Ritstier. „De voorpublicatie in kranten is hard nodig”, zegt Ritstier. „Albums in ons genre liggen ook niet opgestapeld bij de boekhandel. Via de kranten leren mensen de strip pas kennen.” En Oosterveer: „Opvolgers? Die zijn er haast niet. Het is echt keihard werken om zo’n vervolgstrip te maken.” De twee zijn wat verbolgen over het plotselinge einde. „Je schrijft een verhaal met een bepaalde spanningsboog, en ineens krijg je te horen dat het binnenkort moet aflopen.”

Bevlogen vervolgstriptekenaar Dick Matena (hij ‘verstripte’ onder meer de roman De Avonden in Het Parool) beaamt dat de krantenstrips nu in een vicieuze cirkel zijn beland: „Als het niet in de krant staat, kent niemand de strip, maar omdat niemand de strip kent, komt het niet in de krant.” Voor het verdwijnen van de serieuze vervolgstrip geeft hij ook tekenaars zelf de schuld, omdat zij niet meer het geduld en de techniek kunnen opbrengen voor een lang verhaal. „De huidige generatie heeft FC Knudde en de Familie Doorzon als voorbeeld, en dacht toen: je moet een grap en een idee hebben, dat is genoeg.”

Maar beleidsmakers bij de kranten zien het anders: „Met drie plaatjes per dag is het moeilijk om het hele verhaal te blijven volgen”, zegt Charles de Vroede, lid van de hoofdredactie van de Telegraaf, die besloot om de Nicki Saxx serie per 1 januari stop te zetten. „De aandacht die je van lezers vraagt is te veel. Het past niet zo goed meer in deze tijd, waarin ook televisieprogramma’s en films een sneller tempo aanhouden.” De hoofdredacties van Het Parool en het Algemeen Dagblad, traditioneel voorvechters van het stripverhaal, vertellen hetzelfde verhaal.

De Vroede merkt op dat de functie van kranten is veranderd, in elk geval die van hem: „We richten ons op informatie en entertainment. Strips horen daar zeker bij, die zorgen voor de dagelijkse glimlach. Daarom kiezen we voor korte strips met een grap erin.” De plek waar sinds 2002 het speurwerk van Saxx te volgen was, wordt nu gevuld met het luchtige ‘5x30+’, waarin de ‘zieleroerselen van vijf hartsvriendinnen’ elke dag centraal staan.

„Is Nicky Saxx afgelopen? Oh mijn god, daar ben ik echt even stuk van”, reageert Martin Lodewijk, tekenaar van onder meer Agent 327. Volgens hem luidt het stopzetten echter niet de dood van de vervolgstrip in. Sterker: hij is zelf bezig met een nieuw verhaal van Agent 327: ‘Het Oranje-complot’, dat misschien in de krant – misschien weer in het Algemeen Dagblad – komt als het af is. „Inderdaad, als het af is. Voorpublicaties willen kranten niet meer. Is ook niet nodig, het zal de toch al kleine oplages van stripalbums niet beïnvloeden.”

Ook hij betreurt de verschuiving in strips: „Het zijn enkel halfautobiografische, geinige scènetjes uit het dagelijks leven. Het is óf grapjes, óf Manga”, zegt hij smalend. En dan, wat verdrietig: „Jongetjes die striptekenaar willen worden, maken geen avonturenstrips meer.”

Krantenredacties begonnen in de jaren twintig met het publiceren van vervolgstrips. Ze waren bedoeld als een middel om lezers – via hun kinderen – te binden aan het toen vaak uiterst saai geïllustreerde dagblad. Eerst namen Nederlandse kranten strips uit de VS over, later verscheen ook werk van Nederlandse tekenaars in de dagbladen.

Een van de langst lopende Nederlandse feuilletonstrips is Marten Toonders beeldverhaal voor volwassenen over Ollie B. Bommel. De eerste Bommelstrip verscheen in 1941 in De Telegraaf, na de oorlog verhuisde deze naar de Nieuwe Rotterdamsche Courant (1947), om pas op 20 januari 1986 in NRC Handelsblad afscheid te nemen. Afleveringen van Bommel zijn in die krant nog jaren, zelfs tot twee of driemaal toe, herhaald, tot in 1998 ook daar een eind aan kwam.

In de plaats kwam geen andere vervolgstrip, maar de toenmalige hoofdredactie koos voor Fokke & Sukke: „We wilden een frisse start maken na Bommel. Strips als Kamagurka en Fokke en Sukke vonden we meer bij de tijd passen”, zegt Jan Paul van der Wijk, chef vormgeving.

Hij weet ook wel waarom de vervolgstrip de krant niet meer haalde: „Er was niet echt wat goeds voorhanden. Bovendien is een vervolgstrip niet handig: zodra je als lezer een dag mist, is de strip, en dus die plek in de krant, waardeloos geworden. Dat vonden we zonde.” Van der Wijk wijst erop dat NRC Handelsblad en nrc.next wel experimenteren met andere vormen voor strips: de striprecensie en de stripreportage.

Het lot van de vervolgstrip mag dan twijfelachtig zijn, met de humorstrip gaat het misschien wel beter dan ooit. Hoewel de belangrijkste stripagent Comic House klaagt over buitenlandse syndicaten die voor een euro per strip hun producties (Garfield, Linke Loetje) aan kranten slijten, prijkt in bijna elk Nederlands dagblad een rijtje humorstrips van striptekenaars uit de stal van Comic House zoals Lectrr, Flo, Single en Michiel van de Pol.

„Die gags zijn een doorslaand succes”, zegt directeur Hans Buying van Comic House. Toch vindt zelfs hij dat het aanbod wat „vlak en veilig” wordt. „Dat gebeurt overal binnen de media en kunst. Steeds wordt kapot-onderzocht wat de consument wil. Vergelijk het met theater: stand-up comedy is hartstikke leuk, maar moet dat ten koste gaan van Shakespeare?”

Volgens Buying is er met de dood van de dagbladvervolgstrip geen platform meer voor beginnende striptekenaars. Met het uitsterven van stripbladen als Robbedoes, Sjors en Pep (de latere Eppo) zijn tekenaars aangewezen op de albumverkoop in stripspeciaalzaken en is serieus striptekenen weggepromoveerd tot hogere kunstvorm.

Stripcultuur is in calvinistisch Nederland nooit echt van de grond gekomen, meent striptekenaar Matena, en volgens zijn eigen theorie is de zestiende-eeuwse beeldenstorm daar ongemerkt debet aan. „Kijk naar België en Frankrijk: katholieke landen met een grote beeldcultuur. In Nederland is het woord, de Bijbel, altijd belangrijker geweest: strips werden nog tot diep in de jaren vijftig als verderfelijk beschouwd.”

Hoe populair de strip nu ook is met veel nieuwe cartoonisten, literaire strips en humorstroken, Matena mist de diversiteit uit de beginjaren. Hij weet dat realistisch tekenen een ondergeschoven kindje is in de stripwereld, en dat computertechniek de kroontjespen verdrijft. Toch houdt hij hoop: „De makers van computeranimaties of game-ontwerpers zouden zich op de strip moeten storten. Dat kan nog wel eens interessant worden.”

Ook Comic House volgt hoopvol het jonge talent dat zich via internet openbaart, en heeft nog wel vervolgstrips in productie, aldus de directeur: „We zijn niet van plan om op te geven.”

Lees meer over stripgeschiedenis op de site van stripwinkel Lambiek: lambiek.nl

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Vervolgstrip

In het artikel Wordt niet vervolgd in de bijlage Zaterdag &cetera (2 februari, pagina 38-39) staat dat onlangs de laatste vervolgstrip uit een Nederlandse krant verdween. Dat is onjuist. Het Nederlands Dagblad plaatst dagelijks het stripfeuilleton Panda van Marten Toonder.