Tien matrassen in de koopflat van Seta

Wie staat er voor de rechter en waarom? Ali en zijn dochter verhuurden haar koopwoning aan illegale Bulgaren. „Dat is toevallig. Heet u niet ook Ali?”

Door Rinskje Koelewijn

Een vader en zijn dochter komen de rechtszaal binnen in Den Haag. Hij voorop. Zij, met hoofddoek achter hem aan. De tolk gaat tussen hen in zitten op de zwarte bankjes. De officier van justitie heeft alleen nog maar de aanklacht voorgedragen: vader en dochter worden ervan verdacht in 2005 en 2006 een woning te hebben verhuurd aan illegalen. Meneer steekt direct van wal. Ik protesteer, vertaalt de tolk. In rap Turks begint de man zijn argumenten uiteen te zetten.

De rechter hoeft ze niet in vertaling te horen. Hij wil graag eerst weten hoe het zit. Hij richt zich nu tot de dochter, ze is 27. Die woning in Den Haag, van wie is die?

In perfect Nederlands antwoordt Seta dat het haar woning was. Een koopflat. Ze deelde hem met haar zus, haar broer en haar nichtje. Tot ze besloot het huis te verkopen. De sleutel gaf ze aan haar vader, en ze ging, samen met haar ouders met vakantie.

Juist. En haar vader heeft, voor hij op die vakantie ging, die sleutel weer aan iemand anders gegeven. Aan een aannemer uit Den Haag, zegt hij zelf. Die zou het huis een beetje opknappen, voordat het in de verkoop zou gaan.

Op een avond, rond een uur of acht, heeft de politie eens aangebeld bij de woning. Waarom ze dat deden, of ze soms waren getipt door iemand, is niet duidelijk. Ze belden aan, en werden binnen gelaten door drie Bulgaren. Drie illegale Bulgaren. Twee mannen en een vrouw.

Zij verklaarden, elk afzonderlijk, dat ze daar woonden en dat ze elke maand 150 euro huur betaalden aan ene Ali. Een Turk van ongeveer 60 jaar, 1 meter 75 lang en met grijs haar. De vrouw dacht dat hij 50 was en 1 meter 65, maar de naam, nationaliteit en haarkleur kwamen overeen. De derde woonde er nog maar net.

Dat is ook toevallig, zegt de rechter tegen meneer. Heette u niet ook Ali? Ja, hij heet ook Ali. Maar, zegt Ali, er zijn wel meer Turken die Ali heten. En bovendien, hij woont al dertig jaar in Den Haag, iedereen kent hem. Iedereen kan zijn naam wel noemen.

Ook als je net uit Bulgarije komt?, vraagt de rechter fijntjes. Ali praat op de tolk in. Die vat Ali’s monoloog bondig samen: meneer verwerpt de aantijgingen.

De rechter gaat weer over naar de dochter. Die blijft tenminste rustig.

Nee, zij wist er niks van, van die Bulgaren. Ze had wel eens iemand gezien, toen ze de post kwam halen, maar daar had ze verder niks achter gezocht.

De politie trof in de woning tien matrassen aan. Die zijn van mij, zegt Ali. Die hadden we daar opgeslagen. „Ik heb vijf kinderen. Ik kan al die bedden niet in mijn huis hebben.”

Hoe kan het dan, vraagt de rechter, dat die bedden opgemaakt en wel in het huis van zijn dochter stonden. Waarom lagen er T-shirts en pyjama’s onder de kussen en zagen de bedden eruit alsof ze nog net waren beslapen? Ali doet er heel lang over om uit te leggen dat hij dat echt niet weet.

De officier is ervan overtuigd dat Ali en zijn dochter het huis verhuurden aan illegalen. En daar staat, zegt ze, een flinke geldboete op. Het is strafbaar gesteld in het mensensmokkelartikel. „Illegalen lopen groot risico te worden uitgebuit.” De Bulgaren verkeerden in een afhankelijke positie, ze waren voor de ‘veiligheid van hun woonomgeving’ aangewezen op Ali. En uit winstbejag verschafte Ali hen onderdak.

Zou de integratie dan toch geslaagd zijn? Ali en zijn dochter zijn een treetje hoger gestegen op de maatschappelijke ladder. Zij bungelen niet meer onderaan, daar hangen nu de illegalen. Nu zijn zij degenen die de minst bevoorrechten kunnen exploiteren.

De officier legt Ali 2.000 euro boete op, zijn dochter de helft, omdat ze nog student is.

Geïnteresseerd vraagt de rechter waar Seta nu woont. In Den Haag. Alleen? Nee, met een vriendin. En ze studeert? Pedagogische Wetenschappen. Waar? Aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. De rechter wil vragen waarom ze dan niet in Amsterdam woont, maar halverwege lijkt hij zich te bedenken. „Amsterdam is een grote, boze stad natuurlijk.” Dus, stelt hij vast, u bent een spoorstudent. Seta kijkt niet-begrijpend.

De rechter komt tot zijn oordeel. De vader legt hij 2.000 euro op, waarvan de helft voorwaardelijk. De dochter spreekt hij vrij. Hij vermoedt dat ze wel op de hoogte was van haar vaders plannetje. Haar verklaringen zijn, zegt hij ook niet helemaal consistent. Het zij zo, besluit hij. De toekomst van de dochter is gered.

Of de beklaagden nog iets willen zeggen. Seta niet, haar vader wél. Hij kreunt over zijn hoge woonlasten, zijn maandelijkse verplichtingen.

De rechter rekent hem rustig voor: 150 euro maal tien slaapplaatsen, en dat een paar maanden lang. Geld genoeg.