SCHAATSEN BOVEN NUL

De ijsbanen in Baambrugge en West-Knollendam zijn al elf winters ijsvrij. Een baantje trekken kan alleen nog op kunstijsbanen. Maar, vindt Warna Oosterbaan, er gaat niets boven schaatsen tussen de rietkragen, van Spijkerboor naar Jisp.

Ik bewaar ze in een metalen sigarendoos, ook al iets wat tot een ver verleden behoort. Sommige hebben een ringetje aan de bovenkant, aan andere zit ook een gekleurd lint met een veiligheidsspeld. De meeste hebben een goedkope bronskleur, maar je hebt ze ook die iets zilverigs hebben.

In de iconogra?e keren een paar elementen terug. Ten eerste de schaatser zelf, het meest voorkomende element. Hij heeft meestal de handen op de rug en schaatst onveranderlijk tussen de rietkragen. Alleen op de medaille van de Midden Frieslandtocht en die van de Botsholtocht heeft hij een arm losgegooid. Meestal is de schaatser alleen, behalve op de Vijfstedentocht (zoals bekend doet die Grosthuizen, Scharwoude, Avenhorn, Oudendijk en Beets aan). Daar zijn twee schaatsers afgebeeld. Op sommige staat ook een schematisch kaartje van de tocht. Zoals op de bronzen plak van de Gouwzeetocht, die van Monnickendam via Marken naar Volendam ging (en dan weer terug naar Monnickendam), of de Westveense poldertocht rondom Woerden.

Je hebt medailles met heraldische motieven, zoals het gemeentewapen met schaap van Wijde Wormer op de medaille van de Bannetocht, of de twee leeuwtjes op het minuscule Elfstedenkruisje. Tot slot is er nog het kenmerkende landschappelijke object, waarvan de molens op de zilveren plakken van de Molentocht in de Alblasserwaard wel de bekendste zijn. Op de meeste medailles ontbreken ook de afgelegde kilometers niet – behalve natuurlijk op het Elfstedenkruisje – iedereen weet dat het daar om 200 km gaat.

Dan is er nog iets dat op de medailles staat: de datum. Ik heb ze uit de jaren zeventig, tachtig en negentig. De laatste zijn van 1997. Maar daarna breekt een medailleloos tijdperk aan dat tot op de dag van vandaag voortduurt. Want het is afgelopen, uit, voorbij. Al elf jaar moeten we het doen zonder het hoogtepunt van elke winter: bevroren buitenwater. Al meer dan een decennium hebben we geen ijswinter gehad.

Hoe ziet een ijswinter eruit? Een ijswinter begint met lichte vorst. Dan komt er matige vorst, en vaak ook strenge. De ijsbaan van je dorp of stad bevriest. En na een dag of vier is het zover: de ijsbaan gaat open. Je ?etst naar de ijsbaan en op een bank doe je je schaatsen aan. Er is muziek uit luidsprekers. Het liefst Abba.

Er zijn jongens en meisjes uit je klas. Opeens is er een nieuwe hiërarchie. Sommige meisjes en jongens blijken er niets van te kunnen. Voor meisjes is dat niet erg, die kun je helpen. Maar een jongen die niet schaatsen kan, dat is toch een schande. Als de ijsbaan een paar dagen open is, verleggen we onze aandacht naar de vaarten, de kanalen en de plassen. Het is gevaarlijk, waarschuwt de radio. Soms rijd je als eerste over een diepzwarte plas, waar hier en daar witte vlekjes in zitten. Af en toe zingt het ijs, af en toe kraakt het onheilspellend. Maar dan roep je ‘kraakijs is geen breekijs’, en meestal is dat ook zo. Intussen houden we een scherp oog gericht op de schaatskalender. Zaterdag koop je de Volkskrant, en daar staan de eerste tochten in. Kijk ook goed op teletekst, pagina 430, als ik het me goed herinner.

Nu breken de weken van de ijsclubs aan, organisaties die het hele jaar slapen, maar nu wakker worden. Uit schuren en hangars worden matten gehaald, loopplanken en banken. Wakken worden gemarkeerd, pijlen in het ijs gezet en koek- en zopietenten opgericht. Stempelkussens worden opnieuw geïnkt, medailleleveranciers gewaarschuwd en alle vrijwilligers opgetrommeld. Het gaat beginnen! Je pakt je warm in. Er is altijd wel een vriend met een auto, of een vriend die een auto kan lenen. Dan rijd je naar Jisp, naar Spijkerboor, naar Bleskensgraaf of naar een andere plaats die je alleen van het schaatsen kent.

In het dorpscafé zijn tientallen meters kokosmat gelegd, waarover de schaatsers heen en weer strompelen. Je schrijft je in, je betaalt een klein bedrag en je krijgt een stempelkaart. Dan de schaatsen aan, en de wijde wereld in. Tussen het riet, langs vastgevroren woonboten, over plassen. Vaak ruik je mest. Omdat de boeren dan de mest uitrijden? Of omdat dat nu eenmaal altijd de lucht van het platteland is? Zoek het uit!

Onder bruggen door, soms hele lage, waarvoor je diep moet bukken, of waar je zelfs moet kruipen. Vaak ook moet je de wal op, omdat het ijs niet goed is, of als er een wak onder een brug is. Heel Nederland herinnert zich weer het Friese woord daarvoor: klunen. Meestal liggen er rubber matten, zodat je je schaatsbeschermers niet eens om de ijzers hoeft te doen. Klunen is verschrikkelijk. Het doet pijn aan je voeten en je loopt het risico te vallen. Soms moet je wankele houten trapjes op en grijpt een andere schaatser zich opeens aan je vast. Je hebt ook altijd een paar schaatsers die je voorbij trippelen op hun gympen, de schaatsen in de hand. Nooit is duidelijk of ze daarin gelijk hebben – zij moeten hun schaatsen straks weer onderbinden. Als je weer van de oever op het ijs stapte moet je uitkijken. Heel wat schaatsers komen ten val door die plotselinge gladheid.

Maar dan, als je je muts weer op hebt gezet, als je maten zich weer verzameld hebben, en je je ritme weer hebt teruggevonden, dan kan het opeens gebeuren dat je iets meemaakt waar vrijwel niets tegenop kan. Op eigen kracht, maar zonder veel inspanning over het bevroren water scheren, een kerktoren achter je en de wijde plas voor je. Dat kan alleen maar in Nederland, denk je dan. Als de zon blikkert op het ijs, de wind de stuifsneeuw voor zich uitjaagt en je doorploetert. Soms op kop, soms achter de brede rug van je beste vriend.

Je probeert je schaatsen zo weinig mogelijk geluid te laten maken, en op de plas kun je dat goed oefenen. Ooit werden we bij Nieuwkoop voorbijgeschaatst door Jeen van den Berg, in 1954 winnaar van de Elfstedentocht. Hij groette, gleed langs ons en we hoorden niets, alleen ons eigen gekras.

Als je de laatste stempel hebt gezet, je schoenen hebt teruggevonden en moe en warm terugrijdt, dan weet je dat je deel hebt uitgemaakt van de vaderlandse geschiedenis. Ja, daaraan hebt bijgedragen. En als een maand later de enveloppe van de ijsclub wordt bezorgd en je de bronzen plak eruithaalt, staat het je weer helder voor de geest: het felle licht, de kou en de rietpluimen.

Maar als de tekenen niet bedriegen, de temperatuur blijft stijgen en het aantal ijsdagen blijft dalen, dan is het voorbij. Dan is 1997 het laatste jaar geweest waarin je een tocht kon schaatsen op natuurijs. Intussen groeit de ene na de andere generatie op die het niet kan, die het niets zegt en die verbaasd kijkt naar die waterplassen met hoge palen die je bij menig dorp ziet. Een cargo-cult is het zo langzamerhand, een magisch ritueel, bedoeld om de weergoden zover te krijgen dat ze het laten vriezen.

Wat moet er van de jeugd worden? Moet die blijven krabbelen op dichtbevolkte kunstbaantjes? Waar je alleen maar met kunstschaatsen of ijshockeyschaatsen mag komen? Moet die misschien gaan schaatsen op ‘synthetisch ijs’, zoals de knsb de onlangs uitgevonden kunststofbanen noemt? Je kunt ze overal neerleggen. Schaatsen op je eigen schoolplein, het is voor de knsb een wenkend perspectief. Maar schaatsen moet je tussen Benningbroek en Nibbixwoud, tussen Winkel en Oterleek, tussen Zuiderwoude en Holysloot. Schaatsen moet je op de Blikvaart, nagestaard door een verkleumde boer met een hooivork in zijn hand.

Wij leerden op school iets heel anders dan schaatsen op het schoolplein. Wij leerden:

Januari: heerlijk! ijs! Schaatsen aan, en dan op reis!

Het was het leukste dat er was. M

Raimond Wouda is fotograaf.

Warna Oosterbaan is redacteur van NRC Handelsblad en voltooide in 1986 de Elfstedentocht.