Pratende blokken

Ontwerpster Helma van Rijn is afgestudeerd op speelgoed voor autistische kinderen Ellen de Bruin

Tijdens haar afstudeerproject kwam industrieel ontwerper Helma van Rijn voor het eerst in aanraking met een groep kinderen die naar alle waarschijnlijkheid zelf nooit zullen kunnen afstuderen: kinderen met een stoornis in het autistisch spectrum die problemen hebben met het leren van taal. “Ik had geen idee wat ik kon verwachten”, zegt Van Rijn. “Op het medisch kinderdagverblijf klom er meteen een jongetje van vijf op mijn schoot, raakte mijn haar aan, ging met zijn neus tegen mijn neus aan zitten – zoiets had ik nog nooit meegemaakt, dat is echt héél dichtbij. En ik had het gevoel dat hij mij niet als mens zag, dat is het rare.”

Aan Van Rijn de taak om voor deze groep kinderen speelgoed te ontwerpen dat hen zou helpen om woordjes te leren. Dat werd Linkx, een spel met pratende blokken: als een kind een blok tegen een voorwerp houdt, hoort het een van de ouders dat voorwerp benoemen. In januari 2007 is Van Rijn er cum laude op afgestudeerd aan de TU Delft, in november werd ze vervolgens uitgeroepen tot beste afstudeerder van haar studiejaar.

oude versjes

Diezelfde maand won ze samen met vriendin Mariet Schreurs ook nog de Ontwerpwedstrijd ‘Vergeethenniet’ (over dementie) van de provincie Noord-Brabant met het project ‘Klessebessers’, een heel simpel gezelschapsspel dat demente ouderen ertoe aanzet samen over hun herinneringen te praten, onder meer met oude versjes en polygoonjournaalfilmpjes. In het ID - StudioLab op de TU Delft, waar van Rijn nu als promovendus werkt, hangen foto’s van spelende bejaarden die het lijken uit te kraaien van plezier. Van Rijn heeft zich inmiddels gestort op de algemene onderzoeksvraag hoe industrieel ontwerpers inzicht kunnen krijgen in de belevingswereld van doelgroepen met wie moeilijk te communiceren valt, omdat ze bijvoorbeeld geestelijk gehandicapt zijn of niet kunnen praten.

Voor haar project met autistische kinderen observeerde ze kinderen in de klas, sprak met hun pedagogen, en verdiepte zich uitgebreid in de belevingswereld van drie jongetjes (van drie, vier en vijf jaar oud) en hun ouders. Hoewel autistische kinderen erg van elkaar verschillen, vond ze drie toch voldoende. “Voor een conceptversie wel. Deze drie kinderen verschilden onderling heel sterk van elkaar: een was helemaal gek van geluiden, bijvoorbeeld, een van kleuren en een hield heel erg van cijfers – zijn allereerste woordje was ‘acht’. En voordat Linkx echt in productie genomen kan worden, zou het sowieso nog uitgebreider moeten worden getest op een grote groep kinderen.”

Van Rijn observeerde de jongetjes thuis en interviewde de ouders uitgebreid, volgens een methode die ‘contextmapping’ wordt genoemd. Ze gaf de ouders schriftjes mee waarin die allerlei vragen moesten beantwoorden over hoe het is om een autistisch kind te hebben – een kruising tussen een dagboekje en een opdrachtenschrift, waarin ze ook foto’s konden plakken, en stickers met lachende en droevige gezichtjes. Die boekjes heeft ze vervolgens uitgebreid met de ouders besproken. “Het is een techniek die nog niet heel lang gebruikt wordt; ik had het in mijn masterstudie gehad. Je geeft de ouders een handvat om zich voor te bereiden en te uiten. Als je in een interview meteen met heel intieme vragen komt, overval je ze waarschijnlijk. Ik heb er heel veel informatie uit gehaald, uit die boekjes en de gesprekken erna. Je krijgt empathie, je leert begrijpen hoe het is om zo’n kind te hebben, en je leert wat de kinderen wel en niet leuk vinden.”

En waar de kinderen problemen mee hebben. “Het dringt niet tot deze kinderen door dat het goed is om te praten”, zegt Van Rijn. “Ze begrijpen het niet meteen als hun ouders daar blij over zijn, dat komt gewoon niet aan. En ze pakken de betekenis niet automatisch mee. Woorden als ‘koekje’, ‘eten’, ‘drinken’ zijn nog relatief makkelijk, maar heel veel dingen in taal zijn niet letterlijk. Dat maakt het nóg moeilijker.” En voor de ouders is dat ook moeilijk. “Ik had me niet gerealiseerd hoe frustrerend het is als je kind niet praat.”

knijpen

Maar hoe kwam ze op het idee van de pratende blokken? “Ik wilde het heel fysiek houden. Bij een van de eerste bezoekjes had ik een bak met verschillende materialen meegenomen, en ik kwam erachter dat ze rubber heel fijn vinden om in te knijpen. De volgende keer nam ik grote witte foamblokken mee en die vonden ze geweldig.” En deze kinderen kunnen geen interesse veinzen. “Ze lopen gewoon weg, of ze gaan heel hard gillen – dat heb ik op school wel gezien. Maar dat is gelukkig niet gebeurd. En verder... deze kinderen praten bijna niet, dus ik dacht: laat ik nou beginnen hun wat woordjes te leren uit de dagelijkse omgeving. Drie woordjes per kind.” Van Rijn vond het ook belangrijk om het spel visueel te maken. “Op school zie je overal pictogrammen. Op de kastjes staan pictogrammen: een met wat erin zit, een voor ‘buiten spelen’ een pictogram van een glijbaan. Dat begrijpen ze gemakkelijker dan wanneer de juf ‘buiten spelen’ zegt, want dat moeten ze onthouden om het te verwerken, dat kost tijd. Een pictogram blijft zichtbaar.”

magneetjes

Bij Linkx loopt het blok dat het kind vasthoudt vol gekleurd licht als het tegen het contactblok op het goede voorwerp worden gehouden. Er zitten ook magneetjes tussen, dat voelt lekker. Dat het de stem van een van de ouders is die het voorwerp benoemt, leken de kinderen niet door te hebben. “Eén jongetje zei: ‘deur’ is een mevrouw en ‘loopfiets’ is een meneer – terwijl het z’n ouders waren. Ach, misschien klonk het toch wel vertrouwd. En de ouders vonden dit zeker prettiger dan zo’n blikken computerstem, ook omdat de kinderen úren doorspelen. Autisten zijn erg dol op herhaling.”

De ouders waren minstens even enthousiast over het resultaat als de kinderen. “Deze ouders zijn heel erg op zoek naar speelgoed”, vertelt Van Rijn, “want er is heel weinig voor die doelgroep. De meeste kinderen speelden met babyspeelgoed.” En een van de pedagogen zei bij Van Rijns afstuderen dat ze niet wist “dat Beer zó kon lachen”. De reacties van andere pedagogen liepen van ‘als ze nou maar niet woordjes en kleuren door elkaar gaan halen’ tot ‘breng het op de markt’.

Maar dat laatste zal nog niet meteen gebeuren. “Het draait nu nog op software vanuit mijn laptop, met een kastje eraan met radioverbinding naar de blokjes, en de blokjes zelf moeten heel lang opgeladen worden met een speciaal soort adapter. Dus er moet eerst een beter prototype komen, en dan moet er onderzoek plaatsvinden bij een grotere doelgroep. Maar het is een beetje een ‘kip en ei’-verhaal: je kunt er wel veel tijd en energie instoppen, maar als je geen geld hebt, houdt het gewoon op. Bij die prijs voor ‘Klessebessers’ kregen we subsidie van de provincie Noord-Brabant, maar dat is ook niet genoeg om het echt te ontwikkelen en op de markt te brengen.”

Dus voor Linkx is het wachten nu op een zakenpartner? “Ja, en op een academische partner, een sociaal-wetenschapper. Dit geldt eigenlijk voor beide projecten. Ik kan het gewoon niet zelf doen. Als ik met de blokjes langs gezinnen moet gaan rondrijden om ze verder uit te testen, komt er niet veel van promoveren. Ik ben ook beter, denk ik, in omgaan met mensen, daar ontwerprichtlijnen uithalen en die omzetten in een concept. En daarna moeten andere ontwerpers er maar verder mee.”