Politici maken zich druk om dieren die het eigenlijk heel goed hebben

In het debat over dierenwelzijn lijkt het vooral te gaan over een dertigtal circusdieren. Dat is om twee redenen verkeerd. Dieren hebben het vaak goed in het circus. En wie zich bekommert om dieren, kan beter kijken naar de de bio-industrie.

Jet Bakels

Auteur van ‘Hoe tem je een leeuw’. Inrichter van de gelijknamige tentoonstelling in het Rotterdams Natuurhistorisch Museum. Gepromoveerd op de relatie tussen mensen en mensenetende dieren.

Wie weleens een circusvoorstelling met roofdieren heeft meegemaakt, weet wat een intense ervaring dit is. Je ruikt en hoort de dieren, je ziet hun spieren bewegen en kijkt mee met hun blik. Opeens worden het persoonlijkheden, prachtig en gevaarlijk, die samen met hun trainer een kunststuk opvoeren. Toen ik enkele jaren geleden met het gezin, in het wintercircus van Carré het optreden van de Engelse dompteur Alex Lacey zag, was dat wat ik zag: een man en zijn dieren, die in grote harmonie en onderling vertrouwen figuren vormen, opgebouwd uit simpele bewegingen als springen, rollen en zitten, een elegant en harmonieus ballet. Hoogtepunt is wel het moment dat Alex zijn hoofd laat verdwijnen tussen de kaken van zijn enige mannetjesleeuw, Masai. Samen vormen ze één beeld, alsof de grens tussen mens en dier even is opgeheven.

Pas later, toen ik, aangevuurd door mijn nieuwsgierige kinderen, bezig was met het schrijven van een kinderboek over Alex en zijn dieren, hoorde ik hoe je tot zoiets komt. Voor Alex is deze houding de ultieme demonstratie van vertrouwen, omdat hij zich als dompteur volkomen aan zijn leeuw uitlevert. Niets is opgewassen tegen die sterke leeuwenkaken. „Ik kan mijn dieren nooit domineren”, vertelt Alex, „dus ik moet hun beste vriend zijn”. En dat zie je, als publiek, heel goed.

Het is dan ook een kafaeske ervaring te horen hoe momenteel actiegroepen en politici over de dierentrainers tekeergaan. Circusdieren staan momenteel opnieuw in de belangstelling; niet in de piste, maar in de politiek. In de discussie over het dierenwelzijn in de Kamer van afgelopen maandag speelden ze, naar hun aantal afgemeten, zelfs een buitengewoon grote rol. Het gaat in feite om twintig tot dertig dieren – als we het beperken tot semi-wilde dieren als zeeleeuwen, leeuwen, tijgers en olifanten – waarvan men nu, misschien, het optreden in Nederland wil verbieden. De verdachtmakingen en beschimpingen van een gewone, legale beroepsgroep en aanverwanten – de dierentrainers worden als halve criminelen weggezet, circusdirecteuren bedreigd en het circuspubliek wordt uitgejouwd – roepen akelige vragen op. Waarom wordt er zo bewust een misleidend beeld van de circuspraktijk gegeven? Resoneert in deze kijk op de circuswereld geen diepgeworteld wantrouwen jegens deze ‘mensen van de reis’? Het circus wordt van oudsher geassocieerd met zigeuners. ‘Haal de was binnen, het circus komt’ is een uitspraak die uiteraard tot het verleden behoort, maar doen de bijbehorende sentimenten dat ook? Dierenactivisten spelen gretig op deze onderbuikgevoelens in, wanneer ze zich tijdens het wintercircus in Carré in berenpak, met een ketting om de nek, opstellen voor het theater. Beelden van zigeuners die beren laten dansen op de gloeiende plaat komen bovendrijven. Weten de dierenactivisten dat de Serviërs, die vanaf 1860 tot de Tweede Wereldoorlog Europa overstroomden met hun dansende beren, niets met het circus te maken hadden, en dat bovendien dansende beren allang tot het verleden behoren? Hitler maakte in nazi- Duitsland al een einde aan de dansende beren in zijn rijk: uit liefde voor de beren en uit haat tegen de ‘zigeuners’.

Het schokkendste is misschien wel dat politici de eeuwenlange traditie van het dierencircus van tafel willen vegen, zonder dat ze er blijk van geven op de hoogte te zijn van de situatie waarin circusdieren leven, of zich bereid tonen de beschikbare informatie tot zich te nemen. Het is heel makkelijk om in een vlaag van rechthaberei en zelfverheerlijking (kijk mij eens diervriendelijk zijn) een eeuwenlange traditie te vernietigen en de betrokken mensen en dieren op straat te zetten. Het is moeilijk om deze traditie, wanneer men weer bij zinnen is gekomen, weer op te bouwen.

Niet alleen de aandacht die de circusdieren trokken is opmerkelijk, ook de enorme haast waarmee de anti-circusdierenlobby voor een verbod ijvert, valt op. Zo onverdraaglijk zwaar drukt plots het leed van dit gemêleerde groepje circusdieren op de schouders van de Kamerleden, dat een aantal politici (Partij voor de Dieren, geflankeerd door de Partij van de Arbeid) een wetenschappelijk onderzoek naar het welzijn van dieren in het circus, dat op last van minister Verburg van start is gegaan, niet eens meer wil afwachten. Waarom onderzoeken wat men toch al weet, is de gedachte – maar werkelijke kennis is, moet ik concluderen, in het huidige debat juist zeer gebrekkig. Vooroordelen, ja, die zijn er te over. De laatste jaren kwam steeds dezelfde riedel bovendrijven in pamfletten van actiegroepjes, klakkeloos overgenomen door de Partij voor de Dieren. Circusdieren leven ongezond; ze zitten de hele dag in kleine hokken, hebben stress bij het vervoer en ondergaan geweld bij de training – om de ergste beschuldigingen maar even te noemen. Een aantal van deze aantijgingen zijn relatief gemakkelijk te onderzoeken: kooien kun je opmeten, stresshormonen in het bloed kun je meten, lichamelijke en geestelijke fitheid kan een dierenarts redelijk beoordelen. Het is een indicatie van het niveau van het gevoerde debat, dat een Engels rapport (Wild Animals in travelling Circuses ), in oktober aangeboden aan de Engelse ambtgenoot van minister Verburg met precies deze onderzoeksvragen, in het Kamerdebat niet lijkt doorgedrongen.

De Engelse rapportage maakt nadrukkelijk korte metten met genoemde argumenten. Het onderzoek werd uitgevoerd door een wetenschappelijk team dat zorgvuldig was samengesteld uit drie voor- en drie tegenstanders van dierencircussen. In een moeizaam tot stand gekomen slotconclusie ( „most, if not all of the participants have been on the point of walking away at least once”) wordt geconcludeerd dat er geen reden is gevonden die een ban van circussen kunnen rechtvaardigen. „There appears to be little evidence to demonstrate that the welfare of animals kept in travelling circuses is any better or worse than that of animals kept in other captive environments.” Dat is in ieder geval duidelijke taal.

Roofdieren zitten niet ‘bijna altijd’ opgesloten in hun nachthok. Ja, ze slapen erin, maar overdag worden er grote buitenhokken opgezet. Alex Lacey bij voorbeeld, heeft een buitenhok van 10 bij 28 meter en werkt aan een uitbreiding tot 38 meter, groter dan de behuizing in menig dierentuin. Ook de stress bij het vervoer blijkt een fabeltje (er werden geen stresshormonen in het bloed gemeten). Het vervoeren van circusdieren is ook onvergelijkbaar met de problematiek rond het transport van varkens en koeien. Bij veetransporten is er wel degelijk sprake van enorme stress, koeien en varkens worden opgepropt in een vrachtwagen, een omgeving die hun bovendien vreemd is. Circusdieren daarentegen zijn in hun nachthok op wielen geboren, en worden dus gewoon in hun slaapkamers vervoerd, van jongs af aan.

En dan de training. Het veel gehoorde argument is ‘dat het er in de piste wel leuk uitziet, maar dat de gewelddadige training in het geniep plaatsvindt’. Een enkel (heel akelig) filmpje, waarin olifanten worden geslagen en dat 30 jaar geleden in Amerika of India is opgenomen en nu op de websites van de actiegroepen is geplaatst, moet de algemene geldigheid van die stelling bewijzen. Tja. Het is een beetje hetzelfde als een sappige filmopname maken van een bullebak die in het Vondelpark zijn hond een schop geeft, en vervolgens Martin Gaus van dierenmishandeling beschuldigen. Om daarna aan te sturen op een algemeen verbod van hondenbezit.

Natuurlijk zijn er goede en een enkele slechte maneges, hondenkennels, boeren, caviahouders, en dierentrainers. Maar waar komt het voor dat vooroordelen en een mogelijke rotte appel aanleiding vormen om de gehele beroepsgroep te demoniseren? Waarom zijn er mensen die uitgaan van een kwaadaardig wantrouwen jegens de dierentrainer, die juist meer dan in welk beroep ook met en voor zijn dieren leeft. Hoe liefdevol en respectvol de relatie tussen een trainer en zijn dieren kan zijn, heb ik beschreven in mijn kinderboek Hoe tem je een Leeuw? gebaseerd op het leven en werk Alex Lacey, de Martin Gaus, zullen we maar zeggen, van de Europese roofdierentrainers. In de gelijknamige expositie in het Natuur Historisch Museum in Rotterdam kan de bezoeker zich ook op de hoogte stellen van de huidige circuspraktijk en zien hoe die met de tijd verandert. Dansende beren en fietsende mensapen behoren allang tot het verleden. Dat vinden we nu, terecht, niet getuigen van respect voor deze dieren. Ook de tijgers die door een brandende hoepel springen zijn verdwenen. Niet omdat ze dat pijn doet. Dierentrainer Tom Dieck noemde dat springen door een brandende hoepel een van de gemakkelijkste kunstjes om zijn dieren te leren, want „als ze geen slechte ervaring met vuur hebben gehad, zijn ze er ook niet bang voor”. Maar de brandweer heeft het nu eenmaal verboden.

In de rechtvaardiging van een totaal verbod op dieren in het circus lieten enkele politici afgelopen maandag de wind opeens ook uit een andere hoek blazen. Naast het aloude gemor over dierkwellerij, leek het accent te verschuiven van dierenwelzijn naar puur ethische overwegingen. Mogen we dieren ‘gebruiken’ voor ons plezier?, luidde nu de hamvraag. Als ik het goed heb begrepen vond de Partij van de Arbeid dat dat wel mocht indien er aantoonbaar ‘nut’ bestond – schapen geschoren voor wol, koeien geslacht vanwege het vlees – maar niet wanneer het om amusement ging. Nut. Een wel heel glibberig begrip om ingrijpende beslissingen mee te schragen. Waarom is vlees eten eigenlijk nuttig? Niet voor de koe, noch voor ons (ongezond) of het milieu. Mogen we onze kinderen als hobbezakken op manegepony’s laten rijden, uur na uur, puur voor hun eigen genoegen? Wandelen door Artis? En wat is het nut van een hond op driehoog achter? Of van kunst in het algemeen – want daar valt het circus ook onder.

Ik weet wat ik er nuttig aan vind. Wie naar een goed circusnummer met dieren kijkt, ziet daar een ongekende demonstratie van wat mens en dier, in onderlinge saamhorigheid en met wederzijds respect, aan kunststukken kunnen opvoeren. Dat ontroert. Dat laat kinderen iets ervaren, wat, hoop je als ouder, ze de rest van hun leven zullen meedragen. Belangstelling, liefde en respect voor dieren, het palet waar het ook de circusmensen om te doen is.

Dierenwelzijn is in het circus van een vergelijkbaar niveau als dat bij andere dierenhouders, en zeker niet slechter. Politieke stellingname tegen circusdieren lijkt dan ook zelden ingegeven door inhoudelijke argumenten. Wie zich, als politicus, gemakkelijk een diervriendelijk imago aan wil meten, zonder al te grote economische consequenties of politieke offers, die neme het circus. Kleine beroepsgroep, geen politieke lobby zoals de boeren die hebben, en een grote exposure. Kennis is niet nodig. Enige aanwakkering van vooroordelen voldoet.

Dat laat onverlet dat het een goed idee is die kwaliteiten te waarborgen door goede controle, zoals in Duitsland gebeurt. Dat willen de circusmensen zelf ook graag; zo kan het kaf van het koren worden gescheiden. Juist in het circus, waarbij het om zulke kleine aantallen gaat, zou controle een fluitje van een cent zou moeten zijn. Dan kan de politieke verontwaardiging verschuiven naar het terrein waar ze thuishoort, zoals de bio-industrie.

Het rapport ‘Wild animals in traveling circuses’ is te lezen via nrc.nl/opinie. Daar staat ook een link naar een hoofdstuk met interessante onderzoekstabellen uit het boek ‘Animals in Circuses and Zoos’ van de Britse onderzoeker Marthe Kiley-Worthington.