Oranje, Schiphol en het bekleden van waardigheid

Koningin Beatrix is donderdag zeventig jaar geworden. Niet het staatshoofd was jarig, maar de persoon die al bijna dertig jaar die functie bekleedt. Het staatshoofd is niet de mevrouw die ’s ochtends voor de badkamerspiegel staat of die haar kleinkinderen op schoot neemt. Dat is de privépersoon die de burgerlijke stand kent als B.A.W. Prinses van Oranje Nassau en die wij koningin noemen. Het staatshoofd op zichzelf is een abstractie, onzichtbaar, die een persoon van vlees en bloed nodig heeft om tastbaar en waarneembaar te worden. Het begrip hoogwaardigheidsbekleder is daarom een accuraat en passend woord: hij of zij kleedt een waardigheid aan, en maakt die zichtbaar.

Een probleem voor de hoogwaardigheidsbekleder is dat er licht verwarring ontstaat tussen de persoon en de functie. De koningin heeft daarom altijd de grenzen tussen de twee nauwkeurig bewaakt, en geldt in dat opzicht als een perfectionist. Nooit zal zij in het openbaar iets doen dat niet dienstbaar is aan de waardigheid van het staatshoofd, eenvoudigweg omdat publiek, pers en politiek in haar altijd het staatshoofd zien. Daarom speelt haar privéleven zich noodzakelijk af achter muren en dichte heggen.

Wie een functie bekleedt en zo naar buiten treedt, houdt op privépersoon te zijn. Het is even een hele stap, maar zou de heer G.J.N.H. Cerfontaine zich hier ook van bewust zijn? Ook hij bekleedt een waardigheid, want hij is tot het eind van het jaar president-directeur van de NV Luchthaven Schiphol. In die hoedanigheid liet hij zich een interview afnemen dat twee weken geleden in deze krant stond. Alle details zijn belangrijk, weet de koningin, want ze worden opgemerkt en krijgen voor het publiek een betekenis. Zo waren er nogal wat dingen in het Cerfontaine-interview die de verwonderde vraag opriepen hoe het hoofd van de onderneming Schiphol dacht daarmee de waardigheid van zijn functie te dienen.

Om een paar voorbeelden te noemen. De journalisten merken op dat Cerfontaine verschijnt zonder das, met hoog model schoenen en lieveheersbeestjesmanchetknopen. Boven het verhaal staat een foto van een man met een warrig, sixties-achtig kapsel. Twee keer noemt hij onderwerpen „waar hij niks van snapt”, alsof hij wordt overrompeld door de domheid van anderen. Over ministers oordeelt hij dat zij „het intellect wel hebben, maar het niet in samenhang gebruiken”. Zijne excellentie de minister van VROM noemt hij ‘Cramer’, en de vorige staatssecretaris, mevrouw Schultz van Haegen, destijds zijn hoogste aanspreekpunt bij de rijksoverheid, is ‘Melanie’. Die moest zo nodig zwanger worden, juist toen de door hem gewenste privatisering van Schiphol een beslissende duw moest hebben. „Het zat nooit mee”, verzucht hij, en dat kwam als kop boven het verhaal terecht. Er is van alles dat niet deugt of niet klopt, de manier van politieke besluitvorming, het onbegrip van hoge ambtenaren, de „beleidsarena waar standpunten worden uitgeruild”, het systeem zelf. Alles ligt aan anderen, nooit is er iets te wijten aan zijn eigen gedrag of optreden. Hij heeft geen woord van waardering of begrip voor de mensen om hem heen, de klanten, de omwonenden, de medewerkers of de ambtenaren bij de overheid.

Zo was er een keer een plan waarmee Schiphol dacht tien miljoen ton CO2 te kunnen besparen. Daar ging Cerfontaine „direct mee naar Cramer, naar minister Bos, naar Eurlings en naar staatssecretaris De Jager”. Hij brengt dat als een onvoorbereide actie van baas tot baas, met voorbijgaan aan eigen medewerkers en aan de departementsambtenaren die met het onderwerp te maken hadden. „Technisch onmogelijk”, was het oordeel. Cerfontaine snapt niet hoe dat fout kon gaan, maar zo moeilijk kan dat toch niet zijn. Hij heeft ooit gewerkt als psychotherapeut, dan zal hij toch wel weten wat er gebeurt als je mensen passeert. Die revancheren zich als het kan, en steken je met genoegen een stok tussen de benen. Eigenlijk is het niet eerlijk, is de strekking van het verhaal, dat hij zo verschrikkelijk veel onbenul op zijn pad moet tegenkomen. Dat hij wellicht zou zijn ingehuurd om ook te midden van niet-hoogbegaafden effectief leiding te geven aan zijn bedrijf, is een besef dat in het gesprek niet doorklinkt.

Het gaat bij het bekleden van een waardigheid om de indruk die je maakt. Je bent als een acteur die een rol tot leven brengt. Wanneer de Wagnerheld Siegfried, zoals een paar jaar geleden bij De Nederlandse Opera, met zijn edele zwaard Nothung loopt te rommelen en te frommelen alsof het een stofzuigerslang is, dan ziet het publiek geen held maar een stuntelende huisman met een buikje. Dat schaadt de uitvoering. Zo is het ook met een luchthavendirecteur. Je moet weten wat je wilt voorstellen, en dat alles wat je doet daar ten goede of ten kwade aan bijdraagt. De koningin weet dat; daarom haar perfectionisme en detailregie.

Daarom doet Cerfontaines open hemd ertoe, zijn opvallende schoenen en zijn verhalen over hoe hij wel even wat zou regelen met de minister. Het is best mogelijk dat hij in de dagelijkse omgang een schat van een man is die de hele tijd aan iedereen de erkenning geeft die hij verdient. Maar ik zit bij zijn voorstelling in de zaal, en daar ontstaat een beeld van eigengereide zelfingenomenheid. En plotseling krijg ik heel veel sympathie voor de protesterende omwonenden van de luchthaven, voor het Amsterdamse stadsbestuur dat dwars voor de privatisering ging liggen, en zelfs voor de getergde miljonair Poot van projectontwikkelaar Chipshol, die al twintig jaar strijd voert tegen de arrogantie van Schiphol.

De functie heeft een bekleder nodig, maar de bekleder beïnvloedt ook de functie. Zo is Schiphol in de loop van de jaren veranderd van een soort nationaal bezit waar Nederland trots op was, in een blinde moloch die doordendert op zijn eigen koers en verder maling heeft aan iedereen. Dat kan niet anders dan schadelijk zijn. In de volgende paar maanden moet Cerfontaines opvolger bekend worden. Laat het in hemelsnaam iemand zijn die weet van waardigheid, en hoe die te bekleden.