Onderwijs feminiseert over de hele wereld

De trend dat meisjes het beter doen dan jongens in het onderwijs is niet beperkt tot Nederland of andere rijke landen, maar is wereldwijd. Volgens een recent rapport van de Wereldbank zijn in bijna de helft van de landen meisjes in de meerderheid in het middelbare onderwijs. In het hoger onderwijs zijn in de helft van de landen meer meisjes dan jongens. Dat wil wat zeggen, omdat er onder jongeren aanzienlijk meer jongens zijn.

Het is goed nieuws dat over de hele wereld het aantal vrouwen in het onderwijs snel stijgt, want dat belooft wat voor later, als ze gaan werken. Er heeft een grote verschuiving plaats. In de VS is bijna drievijfde van de studenten aan universiteiten vrouw. De discussie over de feminisering van het onderwijs wordt er al vijftien jaar lang gevoerd. Nederland sukkelt daar achteraan. Pas vorig jaar waren er aan de Nederlandse universiteiten voor het eerst meer vrouwen dan mannen ingeschreven. Bij het hoger beroepsonderwijs zijn vrouwen eerder in de meerderheid gekomen. De kloof zal voorlopig blijven, want jaarlijks behalen meer meisjes dan jongens het vwo-diploma. Maar in de exacte vakken blijven meisjes ver achter en daarin wijkt Nederland af van elders. Dat is van belang, want niet alle diploma’s zijn aan elkaar gelijk. Het doet er wel degelijk toe wat voor vak iemand studeert.

De feminisering van het onderwijs is dus niet slechts het gevolg van onbezonnen Nederlandse onderwijshervormingen. Er zijn elementen die in veel landen een rol spelen. Zo is door de economische groei en de grote vraag naar hooggeschoolde arbeid de status van het leraarschap vrijwel overal gedaald. Vroeger was het vak van leraar de eerste grote stap voor slimme mensen uit de onderste maatschappelijke lagen. Nu is het beroep een voertuig voor de emancipatie van vrouwen die in eerdere generaties in veel mindere mate hooggeschoold werk deden. De leraren zijn nog sneller vervrouwelijkt dan de leerlingen. Op school domineert de juf.

De voorsprong van meisjes op school heeft als nadeel dat de prestaties van jongens achteruitgaan. Vooral in lagere sociale klassen wordt de kloof met meisjes breder. Dat betekent dat veel jongens onder hun niveau blijven, de school voortijdig verlaten en zelfs het risico lopen om met ongetemde frustraties aan lager wal raken. Dat is jammer.

Lang niet alle jongens zijn gediend met uitsluitend vrouwelijke rolmodellen op school. Sommigen aanvaarden eerder het gezag van een man. Daar komt bij dat in veel rijke landen lesmethoden vrijer zijn geworden met de nadruk op zelfwerkzaamheid of samenwerken. Deze vaardigheden tellen in de diensteneconomie, maar leveren niet altijd de beste lessen op. Jongens kunnen vaak minder goed stilzitten en vergen meer discipline dan meisjes. Ze ontwikkelen zich langzamer. Dat komt slecht uit, omdat als gevolg van het vrouwelijke succes de onderlinge competitie op school al eerder begint. Het wordt moeilijker om later de achterstand nog in te halen.

Het opheffen van ongelijkheden is een van de taken van het onderwijs. Uit iedereen moet gehaald worden wat erin zit. Jongens moeten beter meekomen. Nu wordt bij matige prestaties op jonge leeftijd de weg naar het vwo te vroeg voor hen afgesloten. Jongens hebben ook baat bij strakkere lesmethoden. Bij de onderwijzersopleiding pabo, waar alle onderwijs ontspringt, vallen de meeste jongens uit omdat ze meer geïnteresseerd zijn in kennisoverdracht, rekenen, geschiedenis of taal, terwijl het onderwijs gericht is op pedagogische kwaliteiten.

Ook voor meisjes is het gunstig als er meer in de basisvakken wordt geoefend in plaats van dat er meer vrijblijvend samen aan zelfgekozen projecten wordt gewerkt. Meer inhoudelijk onderwijs leidt tot grotere deelname van meisjes aan de exacte vakken, zodat ze – zoals elders – op gelijke voet kunnen meedoen. De seksekloof in het onderwijs valt niet zomaar te dichten. En het is nog geen uitgemaakte zaak dat betere opleidingen voor vrouwen vanzelf leiden tot een einde aan de wereldwijde dominantie van mannen in hogere functies. Dat is een volgend hoofdstuk.