Obamamania

De gekleurde Amerikaan Barack Obama wil president van de Verenigde Staten worden. Hij maakt een kans, maar dit betekent allerminst dat de Amerikanen verlost zijn van hun rassenproblemen. Dirk Vlasblom

Journalisten spreken van ‘Obamamania’, maar ze zijn zelf ook aangestoken. Amerika is in de ban van deze charismatische man, met zijn kortgeknipte afrohaar, melancholieke ogen en innemende lach. En met de gave van het woord. Een jaar voert hij nu campagne met zijn boodschap van ‘eenheid’ en ‘verandering’ en overal in het land brengt hij zalen in vervoering.

Senator Barack Hussein Obama (46) is een jurist en politicus van gemengde, Afrikaanse en Amerikaanse, afkomst en wil president van de Verenigde Staten worden. In de race om de nominatie door zijn Democratische Partij heeft hij twee van de vier voorverkiezingen gewonnen: in Iowa, een staat van blanke veeboeren, en in South Carolina, waar ruim de helft van de Democratische kiezers zwart is. Zijn kandidatuur wordt gesteund door zwarte coryfeeën als Oprah Winfrey en de schrijfster Toni Morrison, maar ook door de Kennedy’s, de Heilige Familie van de Democraten.

Betekent deze tweekleurigheid van Obama’s supporterschare dat ‘ras’ minder belangrijk is geworden in het denken en doen van Amerikanen? Spelen onderbuikgevoelens van raciale loyaliteit, die zo schokkend én hilarisch worden verbeeld in de films van Spike Lee, ineens geen rol meer? Stephen Steinberg, een socioloog die zich al jaren verdiept in de Amerikaanse obsessie met ‘ras’, ziet in het verloop van Obama’s campagne eerder een bevestiging van bestaande raciale vooroordelen. Want Obama wordt gedoodverfd als ‘zwarte kandidaat’ en moet, anders dan zijn rivale Hillary Clinton, blanke, Aziatische en Latino-kiezers ervan overtuigen dat hij geen kandidaat ‘alleen voor zwarten’ is.

Er is een opvallend verschil tussen Europa en de Verenigde Staten. Het woord ‘ras’ is na de Shoah uit het wetenschappelijke en politieke vocabulaire van de Oude Wereld geschrapt, maar in de VS geldt het niet als politiek incorrect. In Europa wordt hooguit nog geschreven over de geringe genetische verschillen tussen ‘wat vroeger rassen heetten’ en sociale wetenschappers noemen ras een ‘sociale constructie’. In de VS is het een weerbarstige sociale werkelijkheid, die onderwerp is van veel onderzoek.

De wortels van dit verschil liggen in de geschiedenis. Het zeilschip Mayflower, dat in 1619 de eerste kolonisten aan land zette, bracht op zijn tweede reis slaven naar Amerika. Afro-Amerikanen zijn geen immigranten, maar Amerikanen van het eerste uur. En onder de Founding Fathers van de Verenigde Staten waren slavenhouders. De Amerikaanse sociologie moest zich van meet af aan rekenschap geven van de relaties tussen voormalige meesters en gewezen slaven. De grondleggers van de Europese sociologie, zoals Emile Durkheim en Max Weber, zagen nooit (nakomelingen van) slaven, want die zwoegden in de West, en zij gaven slavernij geen plaats in hun sociale theorie.

Er verschijnen in de VS nog regelmatig academische verhandelingen met het in Europa verfoeide R-woord in de titel. Zo schreven twee zwarte intellectuelen, de Harvard-professoren Henry Louis Gates en Cornel West, in 1996 het befaamde dubbelessay The Future of the Race. ‘Ras’ slaat overigens uitsluitend op Afro-Amerikanen. Indianen zijn ‘Inheemse Amerikanen’ en Aziaten en Latino’s (Mexicanen, Cubanen en Puertoricanen) heten tegenwoordig ‘etnische groepen’.

onderwijsrechten

De slaven en hun nakomelingen zijn in de laatste anderhalve eeuw driemaal van status veranderd: emancipatie (1863); segregatie (1883) en integratie (1965). In de jaren vijftig en zestig raakte de beweging voor burgerrechten in een stroomversnelling, kwam een einde aan de rassenscheiding en begon de integratie. Een mijlpaal was ‘Brown vs. Board of Education of Topeka’, een arrest uit 1954 waarin het Hooggerechtshof uitsprak dat deelstaatwetten die voorzagen in afzonderlijke openbare scholen voor zwarte en blanke leerlingen gelijke onderwijsrechten ontzegden aan zwarte kinderen. Kroon op de integratie was de Wet op het kiesrecht van 1965, die na een eeuw de burgerrechten van Afro-Amerikanen herstelde. In 1969 hieven de topuniversiteiten Yale en Harvard onder druk van de van hogerhand gedecreteerde affirmative action (positieve discriminatie) de beperkende quota voor zwarte studenten op.

Veertig jaar later is de zwarte middenklasse vier maal zo groot geworden. Maar optimisten die dachten dat na de integratie de collectieve verheffing van de Afro-Amerikanen nog slechts een kwestie van tijd was, kwamen bedrogen uit. De zwarte stedelijke onderklasse is minstens even snel gegroeid. In 2000 werd 45 procent van alle zwarte kinderen geboren onder de armoedegrens. Economen hebben berekend dat eenderde van de Afro-Amerikanen nu economisch slechter af is dan in 1968. Zwarte welstand bestaat naast zwarte armoede. Sommigen beweren dat de klassenverschillen onder de 36,6 miljoen zwarten (census van 2000) intussen zó groot zijn geworden dat er geen sprake meer is van een ‘Afro-Amerikaanse gemeenschap’.

In 1978 publiceerde de zwarte socioloog William Julius Wilson het geruchtmakende boek The Declining Significance of Race. Hij betoogde daarin dat, toen de juridische blokkades werden opgeheven, tussen Afro-Amerikanen onderling grote verschillen bestonden in opleiding en sociale weerbaarheid en dat zij niet in gelijke mate in staat waren om de concurrentie met andere bevolkingsgroepen aan te gaan. De nieuwe zwarte middenklasse, schreef Wilson, wist te ontsnappen aan armoede door scholing en vakmanschap. Ze was voor het eerst in staat rijkdom en sociale status over te dragen op haar kinderen. Hún kansen, aldus Wilson, werden minder bepaald door ras dan door klasse.

In zijn boek When Work Disappears: The World of the New Urban Poor (1996) schreef Wilson dat armoede twee oorzaken heeft: structuren én gedrag, kansen én persoonlijke keuzen. De arme zwarte bevolking is geconcentreerd in oude binnensteden, terwijl de banen waarop zij als laaggeschoolden zijn aangewezen, naar elders verdwijnen. De scholen in hun buurten sukkelen achteruit, schooluitval neemt toe en drop-outs komen ook bij zwarte werkgevers niet aan de slag door hun gebrek aan vaardigheden. De zwarte onderklasse heeft kenmerkende gedragspatronen, zoals bendevorming, geweld en drugsgebruik. Zwarte mannen van rond de twintig zijn viermaal vaker betrokken bij geweldsmisdrijven dan blanke leeftijdsgenoten. Maar corrigeer je voor werkloosheid, schrijft Wilson, dan ontlopen de percentages elkaar nauwelijks.

In weerwil van deze sociaal-economische schifting hield de gedeelde ervaring van drie eeuwen sociaal en juridisch racisme een gevoel van culturele en ideologische verbondenheid (‘blackness’) in leven. De historicus Henry Louis Gates, een Yale-man van de lichting ’71, schreef: ‘Opwaarts mobiele zwarten zoals ik koesterden de vurige wens om te worden wat we wilden zijn en tegelijkertijd een hevig verlangen ons ‘zwart’ te voelen, een vitaal onderdeel te blijven van het collectief.’

Stephen Steinberg, hoogleraar sociologie aan de City University of New York, publiceerde afgelopen najaar een polemisch boek: Race Relations – A Critique. Hij bindt daarin de strijd aan met het begrip ‘raciale en etnische relaties’ dat de Amerikaanse beroepsorganisatie van sociologen (ASA) in de jaren twintig heeft ontwikkeld en dat nog steeds wordt gebruikt. Dat concept veronderstelt een geleidelijke sociale stijging van zwarten en hun uiteindelijke assimilatie in de Amerikaanse samenleving. Volgens Steinberg heeft deze notie de onderdrukkende verhouding tussen blank en zwart in de VS verbloemd. Sociologen zouden in de jaren zestig dan ook volslagen zijn overvallen door de hevigheid van de strijd voor burgerrechten.

In zijn boek verwijt Steinberg collega Wilson dat hij ‘de slachtoffers de schuld geeft’. In een toelichting per e-mail schrijft hij: ‘William Julius Wilson beweert dat zwarten met een opleiding en vaardigheden raciale barrières kunnen nemen. Zo gaf hij blanke politici, onder wie William Jefferson Clinton, een excuus om specifiek anti-racistisch beleid terug te draaien, in het bijzonder ‘affirmative action’. In mijn visie is de zwarte onderklasse het stiefkind van de slavernij en wordt die in stand gehouden door een systeem van apartheid dat zwarten uitsluit van banen waarmee ze kunnen ontsnappen aan hun armoede.’

schadelijk

De schrijfster Toni Morrison zei, voordat ze deze week partij koos voor Barack Obama, dat Bill Clinton ‘onze eerste zwarte president was’. Steinberg in zijn e-mail: ‘Waarom Bill Clinton zo populair is bij zwarte Amerikanen is een groot raadsel. Waarschijnlijk houdt hij van zwarte mensen en van het zwarte culturele idioom. Hoeveel foto’s zijn er niet van Clinton in een zwarte kerk, breed lachend en handenklappend bij een optreden van gospelzangers? Dat beeld heeft kennelijk alles verdrongen wat schadelijk was voor zwarten in zijn beleid als president. Clinton was de eerste die begon over ‘ending welfare as we know it’. Hij zette vervolgens zijn handtekening onder wetgeving die sociale uitkeringen aan banden legde. Zo beperkte hij de duur van uitkeringen krachtens Aid for Dependent Children, een programma dat voorzag in huursubsidie en een armzalige toelage voor levensonderhoud aan de allerarmsten in het rijkste land ter wereld. Hij tekende ook de Wet op de misdaadbestrijding die een groot aantal zwarte en Latinomannen veroordeelde tot onredelijk lange gevangenisstraffen, vaak voor overtreding van draconische drugswetten. Gezien zijn recente uitglijders in South Carolina zou de liefdesaffaire tussen de zwarten en de Clintons wel eens afgelopen kunnen zijn.’

Ook Steinberg is gefascineerd door ‘Obamamania’, maar hij waarschuwt dat de weerklank van diens welsprekend verwoorde, ras overstijgende boodschap niet moet worden overschat. ‘Het is twijfelachtig of Obama de nominatie in de wacht sleept en nog twijfelachtiger of hij in november wordt gekozen. Recente verkiezingen tonen aan dat het Amerikaanse electoraat gelijkelijk verdeeld is tussen de twee partijen en de Democraten hebben sinds de wetgeving op de burgerrechten van de jaren zestig te maken met white flight. Dat is Obama’s achilleshiel. Als hij de raciale horde niet weet te nemen, is hij net zo kansloos als dominee Jesse Jackson was in 1984 en 1988. Anders dan Jackson poseert Obama niet als een ‘zwarte leider’ in de traditie van de strijd voor burgerrechten. Hij wil juist af van op ras gebaseerde politiek. Dat kan hij zich veroorloven, gezien de brede steun onder het zwarte electoraat, maar het is de vraag of hij daarmee voldoende blanke kiezers voor zich wint. Hij heeft succes bij jongeren en relatief hoog opgeleiden, maar dat is niet genoeg.’

Obama heeft jarenlang sociaal werk gedaan onder zwarten in de binnenstad van Chicago en daar profiteert hij nu van, zegt Steinberg. ‘Dat zwarte Amerikanen hem massaal hun stem geven, zoals vorige week in South Carolina, is niet louter een kwestie van raciale trots en solidariteit. Obama’s activistenverleden heeft veel kiezers ervan overtuigd dat hij het lot van zwart Amerika begrijpt. Toch kiest hij voor het ras-neutrale recept van Wilson: gezondheidszorg, onderwijs, fiscaal en ander generiek beleid dat in het voordeel is van alle arme Amerikanen, maar dat geen einde maakt aan de erfenis van de slavernij: de nog steeds bestaande raciale schotten op de arbeids- en woningmarkt.’

etnisch nepotisme

Een zwakke plek van Obama is de slechte verstandhouding tussen Afro-Amerikanen en immigranten uit Azië en Latijns-Amerika. Steinberg heeft daar onderzoek naar gedaan: ‘Waarom trokken na de Burgeroorlog de 4 miljoen bevrijde slaven niet en masse naar de industriecentra in het noorden? Omdat aan de vraag naar arbeidskrachten daar vooral werd voldaan door immigranten (25 miljoen tussen 1880 en 1924) en omdat zwarten werden uitgesloten door etnisch nepotisme en racisme van de noordelijke vakbonden. De industriële revolutie in de Verenigde Staten was ‘alleen voor blanken’. Toen de immigratie na de Eerste Wereldoorlog werd beperkt, kwam een zwarte migratiestroom op gang van het Zuiden naar de steden in het Noorden enWesten en begon de grootste economische vooruitgang voor zwarten sinds de afschaffing van de slavernij. In de vier decennia na 1965, toen de burgerrechten van zwarten eindelijk waren hersteld, beleefden de VS weer een immigratiehausse (opnieuw 25 miljoen, illegalen niet meegeteld) en begon een felle concurrentieslag om banen tussen zwarten en immigranten. Toen is een kans gemist om zwarte Amerikanen te integreren in de economische hoofdstroom.’

Bij de Democratische voorverkiezingen in Nevada brachten Latino’s in overgrote meerderheid hun stem uit op Hillary Clinton. Steinberg: ‘Er zijn geen tekenen dat Obama’s ras overstijgende boodschap aanslaat bij Latino’s en Aziaten. Toni Morrison heeft duidelijk gemaakt dat immigranten zich bewijzen als Amerikanen door zich te distantiëren van zwarten. De assimilatie van etnische migrantengroepen is veel beter geslaagd dan die van Afro-Amerikanen. Zo ontstonden twee varianten van de Amerikaanse smeltkroes: één voor zwarten en één voor alle anderen. Bovendien hebben zwarten en Latino’s gestreden om de politieke macht in steden als Los Angeles en New York en de spanning is voelbaar. Zoals vorig jaar bleek tijdens massale demonstraties hechten Latino’s groot belang aan versoepeling van het migratiebeleid en zij wensen niet dat dit thema wordt weggestopt achter een façade van raciale toenadering. Aziaten van hun kant, vooral de sociale klimmers onder hen, zijn niet erg geneigd zich te identificeren met zwart Amerika. Dé test wordt Californië. Daar kunnen de gecombineerde stemmen van Latino’s en Aziaten de kandidatuur van Obama onderuit halen.’

Stephen Steinberg: Race Relations – A Critique. Stanford University Press, 2007. 194 pp. met noten. isbn 0-8047-5327-X. € 15,99.