‘Moeten wij Allah corrigeren? Onmogelijk’

‘In Somalië worden zelfs baby’s van drie maanden besneden. Ik heb gehuild toen ik dat zag’ Foto Roger Cremers Nederland, Amsterdam, 31-01-2008 Fatumo Farah. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

‘Toen ik als jong meisje opgroeide in Mogadishu was ik me er al van bewust dat mannen en vrouwen niet gelijk waren. Mijn vader was zo blij met zijn zeven zoons, maar ik dacht: wat is nou eigenlijk het verschil tussen die jongens en ons meisjes? Ik wilde laten zien dat ik als meisje net zo goed was, zo niet beter dan de jongens. Ik haalde mooie cijfers op school. Mijn vader was trots op mij en noemde mij ‘wiilo’, dat betekent ‘jongen’. Maar ik vond dat geen leuke bijnaam.

Ik studeerde economie toen in 1991 de burgeroorlog uitbrak in Mogadishu. Ik vluchtte met mijn negen broers en zusjes naar een gebied waar het veiliger was. Mijn moeder bleef achter in Mogadishu, zij dacht dat het conflict snel over zou zijn. Als oudste droeg ik de zorg voor mijn broers en zusjes, van wie de jongste twee jaar oud was. Toen mijn moeder zich uiteindelijk toch bij ons voegde en de zorg voor de kinderen weer op zich nam, ben ik Somalië, de burgeroorlog en het geweld ontvlucht. Ik wilde mijn studie afmaken, dat was mijn droom. En die droom kon ik in Somalië niet verwezenlijken.

Zo kwam ik in Nederland terecht, waar ik asiel kreeg op humanitaire gronden. Ik ging economie studeren aan de VU. Dat was erg moeilijk, want ik had wel Nederlands geleerd, maar ik beheerste het jargon niet. Maar het lukte me toch om af te studeren.

In Nederland hoorde ik dat jonge Somalische vrouwen hun dochtertjes naar Somalië brachten om hen daar te laten besnijden. Ik was geschokt en dacht: dat mensen dat nog steeds doen! Ook las ik het boek van Waris Dirie, die daarin openlijk over vrouwelijke genitale verminking schrijft. Dat boek deed mij pijn.

In Somalië was ik me bewust geweest van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar dat besnijdenis niet normaal was, daar had ik nooit bij stilgestaan. Negentig procent van de Somalische vrouwen is besneden en wij accepteerden dat als een gegeven. Maar in Nederland begon ik na te denken over deze traditie en de wreedheid ervan.

Somalië kent de extreemste wijze van vrouwenbesnijdenis: infibulatie. Dat houdt in dat niet alleen de clitoris maar ook de schaamlippen worden weggesneden. De wond wordt daarna dichtgenaaid, er blijft alleen een kleine opening over. Dit alles gebeurt zonder verdoving. Het is waanzinnig pijnlijk. Als je dit bij een meisje van zes, zeven jaar doet, dat geen idee heeft wat er met haar gaat gebeuren, houdt ze daar een ernstig trauma aan over.

Maar ook de fysieke gevolgen zijn desastreus. Veel meisjes overleven hun besnijdenis niet omdat het mes niet wordt gesteriliseerd en hun wonden niet goed verzorgd. Als ze het wel overleven, zullen ze nooit normaal kunnen bevallen. Ze krijgen vaak last van ontstekingen en kunnen onvruchtbaar worden. Veel vrouwen krijgen problemen met hun menstruatie. Doordat de opening zo klein is, kan het bloed niet goed wegvloeien.

Het gebeurt in Somalië zelfs dat baby’s van drie maanden worden besneden. Ik heb gehuild toen ik dat zag. De vrouw die de baby ging verminken, deed eerst alsof ze voorlas uit de koran. Maar ze hield het boek ondersteboven omdat ze helemaal niet lezen kon. Er staat nergens in de koran dat je een vrouw genitaal mag verminken. Vrouwenbesnijdenis is een aantasting van de heelheid van het vrouwenlichaam. Allah heeft ons compleet geschapen. Waarom zouden wij mensen er dan iets afsnijden? Moeten wij Allah corrigeren? Onmogelijk!

In de tijd dat ik me ging afvragen waarom Somalische meisjes nog steeds werden besneden, werd ik vrijwilliger bij Hirda, een organisatie die ontwikkelingsprojecten opzet in Somalië. Het was een mannenorganisatie, ik was de enige vrouw die er bij zat. Hirda heeft onder meer vijf scholen gebouwd in Zuid-Somalië. Uit de rapporten die over die scholen binnenkwamen, bleek dat er veel uitval was onder meisjes. Besnijdenis was daar de reden van. Toen ging bij mij een alarmbel rinkelen.

Ik heb het bestuur voorgesteld om iets tegen besnijdenis te ondernemen. Eerst had niemand daar oren naar. Ze zeiden: er zijn veel grotere problemen in die regio, zoals de extreme armoede. Maar ik hield voet bij stuk. Ik zei: die meisjes hebben niet alleen honger, ze krijgen er nog een groot probleem bovenop. Toen kreeg ik het bestuur mee.

Ons eerste project was simpelweg het ter discussie stellen van vrouwenbesnijdenis. Daar rustte in Somalië een taboe op. We hebben contact opgenomen met actieve vrouwen in de Gedo provincie. We vonden ook mannen bereid om er over te praten. Omdat wij hulp bieden bij het bouwen van scholen en bij de watervoorziening in de regio hebben de stamhoofden en religieuze leiders vertrouwen in ons. Wij hebben hen gevraagd genitale verminking aan de orde te stellen en aan de mensen uit te leggen dat het niet islamitisch is. Dat hebben ze gedaan.

Veel mensen schrokken daarvan, want de traditie zit diep. Veel Somaliërs geloven dat hun dochters niet schoon zijn als ze niet besneden zijn. Zij vinden het belangrijk op deze manier de maagdelijkheid van hun dochters te waarborgen. Een Somalische vrouw die niet is besneden, draagt een stigma. Zij zal geen man vinden.

Want hoewel het besnijden zelf in handen is van de vrouwen, staan de mannen er vierkant achter. Er zijn nog steeds veel jonge Somalische mannen die onomwonden zeggen: ‘Wij willen een besneden vrouw, want een onbesneden vrouw is als een pan zonder deksel, daar komen vliegen in’. Maar een vrouw is natuurlijk geen pan.

Nadat er anderhalf jaar lang in Gedo bijeenkomsten en workshops rond vrouwenbesnijdenis waren georganiseerd, merkten wij dat er een begin was gemaakt met het doorbreken van het taboe. Er werd over vrouwenbesnijdenis gepraat, al waren er nog steeds veel mensen die het besnijden niet afwezen. Het was tijd voor een tweede stap. De vrouwen die besnijdenissen uitvoeren, houden de traditie in stand omdat zij er van leven. Ze krijgen voor elke besnijdenis die ze uitvoeren betaald. Wij hebben tien besnijdsters die dit werk al hun hele leven deden een opleiding tot vroedvrouw aangeboden. Religieuze leiders hebben hen ervan overtuigd dat besnijden niet islamitisch is. Stamhoofden hebben er op toegezien dat ze de opleiding afmaakten.

Die vrouwen waren erg onwetend. Toen ze van de imam te horen kregen dat genitale verminking niet islamitisch is, zijn ze daarvan geschrokken. Je moet de kracht van religie niet onderschatten: als zo’n vrouw begrijpt dat wat ze doet tegen de koran ingaat, dan wil ze haar leven echt wel veranderen. Maar er moet een alternatief zijn. Dat hebben we hen geboden. Ze verdienen nu de kost als vroedvrouw en raden mensen die bij hen komen voor een besnijdenis de ingreep af.

We hebben wel kritiek gehad op deze aanpak. Mensen hebben gezegd: andere vrouwen zullen het werk gewoon overnemen. Maar wij denken dat dat niet zal gebeuren. Deze vrouwen staan goed bekend en genieten het vertrouwen van de mensen. Als die zeggen: we doen het niet meer, want het is in strijd met de islam, dan heeft dat effect. Mensen zullen misschien nog niet openlijk zeggen dat ze hun dochters niet laten besnijden, maar ze laten in stilte de ingreep achterwege.

Ik ben inmiddels tot directeur van Hirda gekozen. Maar met mijn commerciële carrière is het niet zo goed gegaan. Nadat ik mijn studie had afgerond, heb ik vier jaar gewerkt als trainee-accountant voor een groot accountantskantoor. Het was een volledig wit bedrijf. Ik was de enige vrouw die daar met een hoofddoek rondliep. Op een gegeven moment zei iemand die het goed met mij meende: als je hier carrière wilt maken, zul je je hoofddoek moeten afdoen. Dat is voor mij niet mogelijk, want ik geloof dat Allah wil dat ik mijn lichaam bedek. Dus toen dacht ik: is dit kantoor wel een plek voor mij? Ik geloofde aanvankelijk dat ik met een hoofddoek op net zo goed van alles kon bereiken in Nederland, maar dat bleek niet zo te zijn. Ik heb ontslag genomen en ben voor mezelf begonnen als financieel administrateur, maar ik droom ervan om een registeraccountantskantoor te beginnen.

Ondertussen zal ik blijven vechten tegen vrouwenbesnijdenis. De energie daarvoor put ik uit het lot van jonge meisjes in Somalië die deze wrede verminking nog mee moeten maken. Het is een pijn die je nooit meer vergeet.

Somaliërs zijn nu zo ver dat genitale verminking ter discussie staat, maar het gaat mij nog niet ver genoeg. Je kunt nog steeds niet in het openbaar vrijuit en zonder schaamte praten over besnijdenis en de gevolgen daarvan. Ik heb gelukkig een dochter van dertien die helemaal niets weet van besnijdenis. Mijn man is daar net als ik fel op tegen. Mijn dochter zegt wel eens dat ze zich niet kan voorstellen dat dit allemaal gebeurt in Somalië. Als ik dat hoor, denk ik: wat een geluk dat ik je moeder ben.”

Renate van der Zee

Woensdag 6 februari is de internationale dag tegen vrouwelijke genitale verminking. Er heeft onder meer een conferentie plaats in Den Haag.