Markt en moraal gaan hand in hand, alleen aan jezelf denken loont niet in de evolutie

Er wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen de ‘rationele’ en ‘efficiënte’ wereld van de markt en het ‘subjectieve’ en ‘emotionele’ terrein van de moraal. Dat is een kunstmatige tegenstelling. Wie streeft naar een doelmatige inrichting van de samenleving van niet zonder normen en waarden.

Coen Teulings

Directeur Centraal Planbureau. Hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam. Auteur, samen met Lans Bovenberg en Harry van Dalen, van ‘De cirkel van goede intenties: de economie van het publieke belang’. Hij schreef over dit thema ook in de bundel ‘Marktwerking versus solidariteit? Op zoek naar nieuwe evenwichten in de publieke dienstverlening.’

In de beleving van veel mensen hebben moraliteit en markt bitter weinig met elkaar gemeen. Markten zijn onderdeel van de wereld van rationaliteit en efficiëntie, waarin geen ruimte is voor de zachte krachten van het morele gelijk. Moraliteit hoort thuis in de wereld van normen en waarden, waarin emoties de boventoon voeren. Markt en moraal hebben op het eerste gezicht dus niets gemeenschappelijks.

Ik wil hier precies het tegenovergestelde beweren. Markten kunnen niet zonder moraliteit. Deze uitspraak is niet gebaseerd op wensdenken over het inherent goede in de mens. Het is eerder omgekeerd. Wie streeft naar een doelmatige inrichting van de samenleving kan niet zonder normen.

Die normen vloeien tot op grote hoogte voort uit een rationele calculatie van ons eigen belang. Zij maken het mogelijk om onszelf op een geloofwaardige manier te binden aan onze beloften. Maar het is niet alleen rationele calculatie die ons drijft: wij reageren als automaten op onze emotionele overtuigingen over goed en kwaad. Voor de ontstaansgrond van die emoties moeten we te rade bij de biologie. Maar voor het antwoord op de vraag waarom emotionele types zoals wij het in het evolutionair opzicht hebben gewonnen van de hypothetische rationele homo economicus moeten we niet te rade gaan bij Adam Smith, de grondlegger van het idee van economie, maar bij Charles Darwin.

Het dilemma van de twee gevangenen

Een startpunt is het bekende gevangenendilemma. Twee gevangenen worden afzonderlijke verhoord over hun gezamenlijke misdaad. Vooraf hebben zij elkaar eeuwige trouw beloofd: nooit zouden zij elkaar verraden. Eenmaal alleen in de cel slaat de twijfel toe. Zou de ander woord houden? Als je daaraan twijfelt, kun je beter zelf als eerste gaan praten met de politie, dan volgt immers vrijspraak. En omdat de ander precies zo denkt, gaan beiden voor jaren achter de tralies.

Beide gevangenen hebben een bindingsprobleem. Zij zouden zich vooraf graag aan hun belofte kunnen binden, maar dat is onmogelijk. De tijd keert zich tegen hen: de belofte komt eerst, woord houden pas later.

Dit is een standaardprobleem in het economisch verkeer. Wij hebben allemaal belang bij de realisatie van collectieve goederen, maar ieder voor zich laten wij het liefst de ander voor de kosten opdraaien.

Dit bindingsprobleem werpt zijn schaduw bovendien vooruit in de tijd: als twee potentiële partners in crime verwachten dat ze niet in staat zijn zich geloofwaardig te binden aan hun beloften voor de toekomst en elkaar morgen zullen verraden, dan beginnen ze vandaag niet eens met de voorbereiding van hun misdaad.

Vanwege de criminele intenties van de twee gevangenen komt dat de samenleving in dit geval goed uit. Er zijn echter ook tal van projecten die de samenleving als geheel wel ten goede komen, maar die verpieteren in de slagschaduw van het verwachte bindingsprobleem. Wat te denken van twee ondernemers die samen een zaak willen opzetten, maar die hun plan laten varen uit angst later ruzie te krijgen over de verdeling van de winst?

Reputaties of contracten?

Omdat iedereen wel de gevaren ziet van het bindingsprobleem en daar iets aan wil doen, bestaat er een lucratieve ‘markt’ voor ‘institutionele oplossingen’ ervan.

In essentie zijn er twee oplossingen die mensen in staat stellen zich te binden aan hun belofte: reputaties en vertrouwen dat is opgebouwd in langdurige relaties, en een juridisch contract.

In een langdurige relatie komen partners het gevangenendilemma niet eenmalig tegen, maar herhaald. Zij beloven plechtig elkaar nooit te zullen verraden. Die belofte is vooral geloofwaardig omdat als de één de ander vandaag verraadt, de ander hem dan zal straffen door in de toekomst niet meer met hem samen te werken. Als het belang bij toekomstige samenwerking maar groot genoeg is, laten beide partners het wel uit hun hoofd elkaar te verraden. Voortzetting van de samenwerking in toekomst moet dan wel meer voordeel opleveren dan het verraad van vandaag, anders werkt deze straf vanzelfsprekend niet.

Is de plechtige belofte van trouw dan wel nodig? Zijn al die normen en waarden geen overbodige ballast? Een nuchtere calculatie van het eigen belang lijkt voldoende. Er zijn echter meerdere uitkomsten mogelijk. Ofwel beide partners werken voor altijd samen, en verwachten dat ook van elkaar. Dit is een rationele uitkomst: alle verwachtingen komen uit, en niemand wordt beter van een ander gedrag. Maar het is ook rationeel als beide partners elkaar voortdurend verraden, en dat ook van elkaar verwachten. Immers, alle verwachtingen komen uit, en voor de één heeft samenwerking geen zin omdat de ander dat ook niet doet.

Permanente samenwerking én permanent verraad zijn dus beide rationeel. De belofte van trouw helpt dan om onze verwachting op elkaar af te stemmen, namelijk dat we samenwerken, en niet elkaar verraden.

Je zou denken dat weldenkende mensen altijd zouden samenwerken, ook zonder die belofte van eeuwige trouw. Empirisch onderzoek helpt ons uit die droom. Het onderling vertrouwen loopt sterk uiteen tussen landen. Scandinavië en Nederland zijn walhalla’s van vertrouwen. In Sicilië en Calabrië, terrein van de maffia, is vertrouwen ver te zoeken. En gebeurtenissen uit het verleden kunnen jaren later als ankerpunt dienen voor verwachtingen, met het gedrag dat daarbij hoort. Door 600 jaar na dato de Slag bij het Merelveld uit 1389 aan te roepen wist Milosovic bij zowel christenen als islamieten een nieuw verwachtingspatroon te vestigen over hoe beide groepen zich tegenover elkaar gedragen. We weten inmiddels dat dat verwachtingspatroon rationeel was: alle verwachtingen zijn helaas uitgekomen.

Het alternatief voor vertrouwen is een juridisch contract waarin partners hun beloften schriftelijk vastleggen: weg is het bindingsprobleem. Op zichzelf is deze oplossing van het bindingsprobleem superieur in vergelijking met reputaties. Waar reputaties en vertrouwen alleen kunnen werken als toekomstige samenwerking meer oplevert dan het verraad van vandaag, daar werkt een contract ook als het voordeel van samenwerking eenmalig is en er geen zonnige vooruitzichten zijn van toekomstige samenwerking.

Als contracten zo goed werken, waarom winnen zij op de ‘markt’ voor instituties dan niet altijd de concurrentieslag met goed vertrouwen? Als de rechtsstaat de perfecte oplossing biedt, waarom zijn normen en waarden in de praktijk dan toch van belang?

Dat komt omdat het afdwingen van contracten kostbaar is. Er is een rechter nodig die vaststelt of de wederzijdse contractuele verplichtingen zijn nagekomen. Vaak ontbeert die rechter daarvoor de noodzakelijke informatie. Vervolgens moet de uitspraak van de rechter worden afgedwongen door het staatsmonopolie van geweld, de politieman. Die komt niet vanzelf achter zijn bureau vandaan. Wie twijfelt aan het realiteitsgehalte van deze problemen moet eens proberen via de rechter zijn gelijk te halen. Voor minder dan tienduizend euro kun je daar beter niet aan beginnen.

Gebrekkig vertrouwen in de politiek

Overal in de wereld is het vertrouwen in politici niet om over naar huis te schrijven. Als we een onderzoek van Reader’s Digest mogen geloven is hun reputatie zelfs slechter dan die van autoverkopers – al ligt in Nederland het vertrouwen in politici ruim boven het Europese gemiddelde. Uit de voorafgaande analyse valt af te leiden hoe dat komt, dat schamele vertrouwen: de politiek is het hoogste gezag in een samenleving, met de bevoegdheid wetten af te kondigen en dus ook om die wetten te veranderen. Politici hebben daarom een extra bindingsprobleem. Zij kunnen zich niet via een contract binden aan hun belofte, omdat zij uit de aard van hun wetgevende bevoegdheid de wetten waarop die contracten zijn gebaseerd altijd kunnen herroepen.

Het bindingsprobleem waaraan de politiek aldus blootstaat, kan een verlammende uitwerking op een samenleving hebben. Geen investeringsproject wordt nog ondernomen uit angst dat politici de opbrengst later zullen afromen, via belastingen, kostbare vergunningen, corruptie en wat daar in de loop der tijden verder nog voor bedacht is. Het ‘ondernemingsklimaat’ in een land is de ultieme thermometer voor die angst.

Samenlevingen hebben in de loop der tijd tal van instituties ontwikkeld om dit bindingsprobleem zo goed en kwaad als dat kan op te lossen. In de historie was het succes van een economie steeds afhankelijk van de kwaliteit van deze oplossing. Eén hoeksteen daarvan is de bescherming van private eigendomsrechten. Een andere is de inperking van de discretionaire macht van politici.

Zo zijn politici gebonden aan de grondwet, de scheiding van de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht in de Trias Politica, en de beginselen van behoorlijk bestuur. En niet te vergeten: democratie. Politici die het vertrouwen van de kiezer beschamen, worden genadeloos weggestemd. Al deze instituties hebben de almacht van politici aan grenzen gebonden, en juist daardoor kunnen wij politici misschien wel meer gaan vertrouwen.

Omdat de wetgever geen perfecte vooruitziende blik heeft, moeten politici steeds nieuwe beslissingen nemen in gevallen waarin het wetboek niet had voorzien. Een politieke beslissing is altijd ten nadele van de één en ten voordele van de ander.

Die beslissingen moeten daarom genomen worden in de geest van algemeen erkende normen en waarden, zodat kiezers niet het gevoel hebben dat politici naar willekeur terugkomen op afspraken en de kiezers het gevoel krijgen dat politici zich niet gebonden achten aan eerdere beloften. Immers, normen en waarden dienden in het herhaalde gevangenendilemma om onze verwachtingen op elkaar af te stemmen. Als ‘de politiek’ met ons samenwerkt, werken wij samen met ‘de politiek’. Als ‘de politiek’ haar beloften niet waarmaakt, zal de samenleving straffen met verraad. Politieke interventies moeten daarom logisch voortvloeien uit algemeen erkende normen en waarden. Politici moeten altijd kunnen uitleggen waarom zij de rechten van de verliezer inperken. Nog minder dan de markt kan de politiek zonder normen en waarden. Daarom spelen symbolen in het politieke debat een grote rol. Zij functioneren als richtingwijzers over het soort interventies dat de politiek voor ogen staat, aanwijzingen over welke rechten boven iedere twijfel verheven zijn, en welke rechten in geval van nood zullen worden ingeperkt.

Charles Darwin en de verdeling van een dollar

Terug naar de normen en waarden, de belofte van eeuwige trouw, die in het herhaalde gevangenendilemma zo’n belangrijke rol spelen. Zijn die normen dan louter het gevolg van een nuchtere calculatie van het eigen belang? Of zijn wij ook behept met een ingebakken normatief besef? En als dat zo is, waar komt dat dan vandaan? Opnieuw helpt de analyse van een simpel spelletje ons verder. Stel dat Adam en Bram 100 euro mogen verdelen. Adam mag een verdeling voorstellen, bijvoorbeeld 60 euro voor hemzelf en 40 voor de ander. Bram heeft twee keuzen: ofwel hij aanvaardt de door Adam voorgestelde verdeling, ofwel hij verwerpt die, met als consequentie dat beiden niks krijgen.

Rationele spelers zouden dit spel als volgt spelen. Voor Bram is iets altijd beter dan niets. Hij aanvaardt dus ieder voorstel dat hem minstens één euro toekent. Dus zal Adam voorstellen 99 euro aan hemzelf toe te kennen, en slechts één euro aan Bram. Het aardige van dit soort spelsituaties is dat zij zich goed experimenteel laten onderzoeken. Mensen van vlees en bloed blijken dit spel heel anders te spelen. Bram blijkt niet ieder voorstel te accepteren dat hem minstens één euro toekent. Hij wil minimaal 30 euro. Anders verwerpt hij het voorstel in een vlaag van blinde woede. En Adam? Die heeft mensenkennis. Hij weet dat Bram minimaal 30 euro wil, en past zijn voorstel daarop aan. De Bram van vlees en bloed is dus beter af dan de rationele Bram. Onze irrationaliteit is niet alleen een empirisch feit, zij blijkt ons ook nog tot voordeel.

Waar komt onze irrationaliteit dan vandaan? Hier biedt Darwins evolutieleer uitkomst. In ons dagelijks leven doen zich voortdurend gevangenendilemma’s voor. Stel nu dat er twee soorten genen zijn: ‘samenwerken’ en ‘verraad’. De evolutieleer zegt dat dát gen overleeft dat zich het snelste voortplant. Op het eerste gezicht lijken verraders zich het snelst voort te planten, omdat zij zich verrijken ten koste van de samenwerkers. De enige tegenkracht tegen de opkomst van het gen ‘verraad’ is dat verraders andere verraders tegenkomen, want dan eindigen zij in deslechtst mogelijke uitkomst van wederzijds verraad.

Omgekeerd is de enige bescherming van samenwerkers dat zij elkaar tegenkomen, want dan eindigen zij in de best mogelijke uitkomst. Hier zit een bron van bescherming van samenwerkers. Individuen hebben bijvoorbeeld in een gezinssituatie toch in eerste instantie te maken met hun eigen broertje of zusje, hun directe genetische verwanten. Die gezinssituatie werkt in het voordeel van samenwerkers, omdat verraders vooral elkaar het leven zuur maken, terwijl samenwerkers profiteren van de voordelen van hun wederzijdse goede inborst. Samenwerkers hebben daardoor meer succes in de voortplanting dan verraders. Op die manier worden wij genetisch als samenwerkers geprogrammeerd.

Het interessante van deze evolutionaire speltheorie is de overeenkomst met de speltheorie voor rationele individuen. Het rationele individu gedraagt zich doelbewust, op zoek naar maximaal succes. Het gedrag van het individu uit de evolutionaire speltheorie is genetisch voorgeprogrammeerd, maar doordat de reproductie afhankelijk is van zijn succes, bestaat ook hier een link tussen het vóórkomen van bepaald gedrag en het succes daarvan. In een rationeel spel leidt verraad tot het meeste succes, omdat verraders zichzelf verrijken ten koste van goedgelovige samenwerkers. In een evolutionair spel kan samenwerken overleven, omdat wie goed doet goed ontmoet, niet vanwege reciprociteit, maar vanwege genetische verwantschap.

Naar een overkoepelende theorie

Sociale wetenschap is niet gebaat bij een kunstmatige gebiedsopdeling tussen moraliteit en markt, of tussen economie, sociologie, politicologie, psychologie en recht. Dit wereldbeeld van gescheiden sferen wordt in Nederland zorgvuldig gecultiveerd. Redeneringen als: ‘vanuit ethisch oogpunt ...., maar vanuit economisch oogpunt ...’, een gebiedsafbakening waartussen klaarblijkelijk geen intellectueel verkeer mogelijk is, zijn een testimonium paupertatis. Twee theorieën over één verschijnsel zijn geen legitimatie voor intellectuele non-interventie, maar een uitdaging voor een overkoepelende theorie.

De natuurkunde heeft zich ook niet laten opdelen tussen relativiteit en onzekerheid, maar zoekt naar wegen om Einstein en Heisenberg te verzoenen. Moraal en recht laten zich niet reconstrueren vanuit fundamentele grondrechten, maar zijn het product van sociale interactie.

De uitdaging is dat productieproces te begrijpen. Moraliteit en markt zijn twee zijden van dezelfde medaille, de pasmunt in de talloze sociale interacties in onze samenleving.