Loopgravenoorlog

Twee keer in de week vecht ik een loopgravenoorlog uit met M3 (VMBO klas-Theoretisch). Je zou kunnen zeggen dat ik tactisch gezien in het nadeel ben, want mijn leger bestaat uit één persoon. Hun leger uit 26 man.

De eerste les stond ik nog als een generaal Karremans op ze te wachten. Vertrouwend op dertien jaar ervaring en de rede van de medemens, en met een flinke dosis naïviteit. De eerste les was er sprake van een full blown bombardement. Ik had er net zo goed niet kunnen zijn. De onderlinge pikorde werd nog vastgesteld en de de kankermoers vlogen je om de oren. Er werd keihard gepraat, er werd geschreeuwd en er werd gegild. Ook door mij.

Vier paar ogen vol ongeloof en medelijden keken mij aan. De anderen waren bezig elkaars ogen uit te steken. Tegelijkertijd stel ik vast dat ze ook meedoen, opschrijven wat ik zeg, maar dat het ondergeschikt is aan de (a)sociale-interactie.

Ik schrijf aan het eind van het eerste blokuur iets op het bord voor de volgende keer. Schriftelijke “Overhoring, etc. etc!!!” “Schijt, schijt, schijt”, wordt er gesist. Deze mantra sist door het lokaal. Eén persoon maakt scheetgeluiden. Met mijn rug naar de klas moet ik denken aan de juf uit Nijmegen, wiens klas langzaam uit het raam verdween.

Waarom overkomt mij dit niet? We zitten hier tenslotte één hoog. Nu, na alle bekende maatregelen – zoals: eruit sturen, gesprekken met leidinggevenden, lessen die didactisch gezien bij de leefwereld van het kind ‘aansluiten’ (You Tube kan ook hiervoor gebruikt worden), vileine en harde opmerkingen per retour sturen naar de afzender – zijn de bombardementen gestaakt. Ik heb geen pijn in mijn buik meer als ze binnenkomen, maar nog wel rode wangen als ze weggaan.

“Tallah juf”, zei Farid laatst terwijl hij het lokaal uitliep. “Uw wangen zijn minder rood.” Hij lacht een vette lach die op de gang verder galmt.

Ik let vooralsnog op dat ‘uw’ en minder op de lach.

Joyce de Grand