Liefde voor het zwarte decor

Limburg eerde afgelopen donderdag op ‘de Landelijke Gedichtendag’ de dichter die in Rotterdam vooral naam maakte als politicus: Manuel Kneepkens.

Zijn prikkelende en relativerende bijdragen worden af en toe gemist in de Rotterdamse gemeentepolitiek, verzuchtte oud-collega Theo Cornelissen van de SP onlangs. Manuel Kneepkens (65) bracht gedurende twaalf jaar de poëzie in het stadhuis aan de Coolsingel. Zijn vaak toch al niet alledaagse moties (lokvuilniszak, stadhuiscafé) las de voorman van de inmiddels opgedoekte Stadspartij met enige regelmaat voor in dichtvorm. Kneepkens was dan weliswaar in de politiek beland, zijn hart lag vooral bij de poëzie.

Cornelissen probeert de geest van zijn voormalige collega van „die andere SP” tegenwoordig levendig te houden „door een waardige bijdrage te leveren, vooral als het om cultuur gaat”, schreef hij onlangs op zijn website. Inspiratie put hij uit de inktvlekken die Kneepkens achterliet op de raadsstoel die de SP-fractievoorzitter tegenwoordig bezet. „Manuel zat altijd mooie tekeningen te maken tijdens de urenlange debatten.”

Donderdag keerde Kneepkens terug naar zijn roots: zijn geboorteplaats Heerlen. Op verzoek van de Vrienden van (de) Literatuur en de plaatselijke bibliotheek, die de Landelijke Gedichtendag aangrepen om de ‘verloren zoon’ – Kneepkens verliet Limburg in 1967 en woont sinds 1971 in Rotterdam – te eren. In zijn kielzog trok een groep belangstellenden langs de plekken waar de afgestudeerde criminoloog opgroeide: Terwinselen, Strijthagen en Heerlen. Geregeld hield het gezelschap halt om te luisteren naar een jeugdherinnering en bijbehorende verzen uit zijn gebundelde Limburggedichten.

Zoals over de Casinolaan in Terwinselen, vlak naast de zogeheten Mijnpoort, waar de zoon van „de enige bovengrondse mijnarchitect uit Limburg” zijn vroegste jeugd doorbracht. Dagelijks passeerden honderden mijnwerkers het hoekhuis, herinnert hij zich. „Van ‘milieu’ had men destijds nog nooit gehoord. Het mijnvuil, onbekommerd uit de schoorstenen van de mijn uitgestoten, viel met bakken over het dorp. Om te beginnen over ons huis en onze tuin. Zo erg, dat ik als baby, naar mijn moeder vertelde, als mijn wiegje buiten stond onder een klamboe moest liggen.”

Het was dan ook vooral „het Zwart Decor”, de Mijnpoort, die Kneepkens al op jonge leeftijd inspireerde zijn gedachten te vangen in wat hij ‘Mijnstreekgedichten’ noemt: Witte jaren / zwarte jaren, Mijnwerker/ schrijnwerker en De Kapper van Terwinselen.

Hennie Jetzes is een van de initiatiefnemers van de Manuel Kneepkens Route, die donderdag eenmalig werd afgelegd. „Manuel heeft de herinneringen vastgelegd die we hier in de jaren zeventig, na het sluiten van de mijnen, min of meer collectief hebben weggevaagd onder de noemer: van zwart naar groen, dat is de enige weg”, zegt hij. Zo verrees bovenop een van de oude mijnschachten een skibaan. Jetzes: „Ook goed, zeker vanuit economisch oogpunt, maar die attractie ontneemt wel grotendeels het zicht op het verleden van deze streek, en dus op een deel van onze identiteit.”

Kneepkens’ grootste verdienste volgens Jetzes is dat hij „de ziel van deze streek blootlegt, die jarenlang is verdrongen. Want Limburg moest vooruit, en het verleden werd gezien als overtollige ballast. Die moest weg, want herinnerde slechts aan vergane glorie.” Door aandacht te vragen voor regionale dichters als Kneepkens, Leo Herberghs en Pé Hawinkels, hoopt Jetzes dat „deze streek ook weer een beetje trots op zichzelf durft te zijn, zoals Rotterdam dat tegenwoordig ook weer is”.

Aan dat Rotterdam blijft Kneepkens trouw. Vrijdag wordt in zijn woonplaats zijn nieuwe alfabetische dubbeldichtbundel Vrouwen&Rotterdammers gepresenteerd. Het eerste exemplaar krijgt hij van burgemeester Ivo Opstelten, een oude bekende van de dichter. Beiden kennen elkaar van het Leidsche studentencorps Minerva. Opstelten stond daar bekend als Oppie en, aldus Kneepkens, een excellent drinker. „Niemand kreeg hem eronder.”

Van Kneepkens’ hand verschijnt later dit jaar een verhaal dat vooral gezien moet worden in het licht van het naderende afscheid van Opstelten. De burgemeester van Roddeldam handelt over de totstandkoming van diens benoeming. Fictie en werkelijkheid lopen bij Kneepkens wel vaker door elkaar. Zo ook in dit geval? Kneepkens: „Het wordt een sprookje, maar voor sommigen wellicht heel herkenbaar.”