‘Ja, ik wil jood zijn’

Historica Evelien Gans (51) beschreef joodse geschiedenis aan de hand van vader en zoon Meijer. Het is ook haar eigen geschiedenis. „Als ik zes jaar eerder was geboren, was ik misschien vergast.”

Nee, echt niet, ze heeft zich niet tevoren afgevraagd of haar bezoeker joods is. „Wacht”, zegt ze: „nu zoek ik het toch even op.” Ze loopt naar haar met stapels paperassen gebarricadeerde werkkamer in haar flat in de Amsterdamse Watergraafsmeer. In een mum van tijd is ze terug. „Nee, je naam staat niet op de dodenlijsten. Het zal dus wel niet.”

Historica Evelien Gans (1951), kind van een joodse vader en een ‘half-gojse’ moeder, is wel joods. Volgens de wetten van Hitler – ze heeft drie joodse grootouders – maar toch in de eerste plaats volgens haarzelf. Van haar jood zijn heeft ze zelfs, zoals ze later onomwonden zegt, „mijn beroep” gemaakt. In 1994 publiceerde ze het essay Gojse nijd & joods narcisme, over de door de holocaust verstoorde relatie tussen joden en niet-joden in Nederland. Het deed veel stof opwaaien. Terwijl niet-joden „thematisch jaloers” zijn op joden, omdat die hun identiteit kunnen ontlenen aan de shoah, zo betoogde Gans, zijn veel joden narcistisch door te zwelgen in het hun aangedane leed en door tegelijkertijd trots te zijn op hun ‘lotsgeschiedenis’.

„Ik begrijp nu nauwelijks nog dat ik het heb durven schrijven. Met die titel! Ik kwam net kijken. Maar het laat zien dat ik niet terugdeins voor heilige huisjes, je moet alle kanten opkijken. Dat moet, anders is er niks aan.” Naast zakelijke kritiek kwam het boekje Gans te staan op hoon van Theo van Gogh, die in het universiteitsblad Folia schreef: „Ik vermoed dat mevrouw Gans in vochtige dromen vaak een beurt krijgt van dokter Mengele.”

In 1999 voltooide Gans haar vuistdikke dissertatie De kleine verschillen die het leven uitmaken over vooroorlogse joodse sociaal-democraten en socialistische zionisten. Onlangs verscheen het eerste deel van de dubbelbiografie Jaap en Ischa Meijer, met als ondertitel een joodse geschiedenis 1912-1956. Het boek werd alom bejubeld. Het tweede deel Ischa en Jaap Meijer, waarin het accent van de vader naar de zoon verschuift, zal „op z’n vroegst” over drie jaar verschijnen.

Met haar geschiedschrijving treedt Gans in het voetspoor van haar ‘personage’ Jaap Meijer, een gigant op het gebied van joodse geschiedenis. „Uitgever Oscar van Gelderen, die mijn proefschrift heeft gepubliceerd, vroeg mij de biografie van Jaap te schrijven, en dan vooral van de dichter die hij ook was. Daar had ik wel oren naar, maar ik had er een vaag onbehaaglijk gevoel over. In mijn dissertatie had ik mij al sterk beziggehouden met Jaaps generatie. En ik werd er misschien ook wel somber van. Ik wist: dit zal gaan over ruzies, ruzies, ruzies, want die had hij volop, met iedereen.

„Ineens wist ik het: het moest een dubbelportret worden, joodse geschiedenis aan de hand van twee generaties. Jaap is de zeer gelovige ‘joodse jood’ die bevrijd wordt door het vooroorlogse radicaal-zionisme. Ischa, juist geen joodse jood – hoewel zijn perspectief uiteindelijk toch vooral joods was – belichaamt de effecten van de oorlog. Ischa was de klokkenluider van de naoorlogse generatie, hij speelde een avant-garde rol. Hij haalde met zijn Brief aan mijn moeder zijn ouders van hun voetstuk en stelde de met de shoah verbonden hiërarchie van het leed ter discussie. Wie in Bergen-Belsen gezeten had, kon niet tippen aan wie Auschwitz overleefd had. Hij had het over joden. En over overlevenden. Dat waren enorme taboes. Die mensensoort moest ontzien worden.”

„Dit is niet het levensverhaal van twee ‘grote’, wel van twee ‘ongewone’, nogal schelmachtige mannen”, zo schrijft Gans in het voorwoord van het eerste deel. „Twee, letterlijk en figuurlijk, gulzige mannen die, in de complexe verhouding van vader en zoon, een bijzonder noodlottige fase in de joodse geschiedenis aan den lijve ondervonden.” Jaap Meijer (1912-1993), die samen met zijn zoon Ischa (1943-1995) en zijn vrouw Liesje (1918-1993) het concentratiekamp Bergen-Belsen overleefde, heeft behalve in zijn gedichten nauwelijks geschreven over de oorlog.

Voor Gans was het de eerste keer dat zij zich werkelijk in die periode verdiepte. „Ik dacht: het wordt een hoofdstuk en dat is het. Maar ik stuitte in de literatuur en in de interviews die ik afnam op details, die het mogelijk maakten de lezer mee te voeren, het kamp in. Lezers laten me weten, dat ze wilden ophouden met lezen, maar toch doorgingen. Dat is een groot compliment. Onderzoek is mijn passie, maar schrijven nog meer.”

Gans beschrijft uitvoerig de seksuele losbandigheid die vooral in het doorvoerkamp Westerbork heerste. Ze noemt dit aspect ‘vrij nieuw’. „Loe de Jong (historicus en schrijver van het 14-delige Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog – red.) heeft het er ook over, in twee regels, met betrekking tot het kamp Vught. Voor mij was dat een steun in de rug, want het onderwerp ligt natuurlijk gevoelig. De golf van zelfmoorden onder joden tijdens de oorlog en de losbandigheid in de kampen lagen in elkaars verlengde. Het is door angst ingegeven doodsdrift en levensdrift ineen. Bij mijn weten is dit onderwerp nooit gethematiseerd, zoals ik nu gedaan heb, net als met het stelen in de kampen, uit de keuken uiteraard, maar ook van elkaar. Hetzelfde geldt voor het kannibalisme en de berichten over Auschwitz, waarvan men elkaar in concentratiekampen als Bergen-Belsen op de hoogte hield. De vraag was wat erger was: Bergen-Belsen of Auschwitz, leven tussen halve doden en levende lijken of vergast worden. Na de oorlog, toen Auschwitz de norm werd, was die vraag taboe. Mij heeft het meest geschokt dat mensen die nog bewogen op de lijkkarren werden gegooid.”

Lezers reageren. Later, voor het tweede gesprek doet ze open met de telefoon aan haar oor. Een man uit Leeuwarden, zegt ze nadat ze opgehangen heeft. Zat tijdens de oorlog in de klas naast Sjakie de Winter. Briljante leerling, zoon van een kosjere slager. Op een dag zei de meester: „Sjakie komt niet meer.” Pas na de oorlog ontdekte hij waarom. De keuken was al afgeplakt in verband met het voortdurende bomalarm, het huis van de De Winters stond vlakbij het vliegveld. Vader had zijn zeven leden tellende gezin vergast. „Al dat talent!” had de beller verzucht.

Er zijn ook brieven. Over Jaap bijvoorbeeld, die omschreven wordt als een ‘flamboyante man, bezeten van zijn vak’. Hij citeerde graag Nederlandse dichters, ‘vooral over vrouwen’ „Niet zelden liet hij weten”, zo schrijft de lezer, „dat hij een gedicht toepasselijk vond op een meisje van de klas”. „Leuk detail”, zegt Gans. „Hij was een charmeur, hoor!” Andere brief. De schrijver weet wat er met de moeder van Jaap Meijer is gebeurd. Op 3 oktober 1943 is ze met andere joden uit Emmen, een hele groep, in een tram afgevoerd naar Westerbork. Precies zoals Gans in haar boek al veronderstelt. „Drogist Klaas Schuur, oom van mijn vrouw, heeft ze zien gaan.” De briefschrijver heeft naspeuringen gedaan: de vervoersmaatschappij declareerde 54,72 gulden bij de burgemeester van Emmen.

Martha Meijer-Krammer werd op 2 november 1942 in Auschwitz vergast.

Nog één brief. Gans leest hem helemaal voor, „want dit is helemaal te gek”. De schrijver van de brief heeft de informatie van een leraar die Ischa lesgaf op de middelbare school in Haarlem. Volgens hem stond Jaap erop dat zijn zoon ‘breed’ werd opgeleid en ook de facultatieve lessen bijbelkennis en cultuurgeschiedenis bij hem volgde. Het was in 1961: er was net veel protest tegen de uitgever van de ‘Van Dale’, wegens de beledigende strekking van het lemma ‘jood’. Na een les over het antisemitisme kregen de leerlingen opdracht een opstel te schrijven. Ischa deed niets, tot vlak voor het einde. Hij leverde een vel papier in, met slechts twee regels: ‘Van Dale: wat is een jood: in kort geding: / een man die vlak voor zijn dood naar Polen ging’. Ischa kreeg een tien, volgens de briefschrijver.

Het antisemitisme was, zo blijkt uit onderzoek, na de oorlog eerder toe- dan afgenomen. Door schuldbesef, door economische rivaliteit en door „labbekakkigheid” van de overheid, volgens Gans. „Je moet beducht zijn voor de zuigkracht van het negatieve verhaal, dat vaak spannender is, beklemmender. Politie-agenten hebben inderdaad meegewerkt aan de deportatie van joden, maar er zijn er ook die levens hebben gered. Maar feit blijft dat driekwart van de Nederlandse joden vermoord is en de overlevenden terugkwamen, zonder familie, zonder bezittingen. Toch organiseerde men geen speciale opvang voor hen: het onderscheid dat de nazi’s hadden gemaakt, wilde men niet maken. Een drogredenering natuurlijk. Oud-premier Wim Kok heeft de kans laten liggen excuses te maken, na het verschijnen van het rapport van de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang eind jaren negentig. Hij zei: „Met de kennis van nu...” Nu ja, het kwam er op neer dat het achteraf makkelijk praten is. Maar dat klópt gewoon niet: al direct in ’44, ’45, ’46 hebben joodse organisaties gepleit voor een speciale opvang. Ik vind Nederland op dit punt kleinzielig, maar op een gegeven moment moet je ophouden excuses te vragen: het gebeurt uit overtuiging of niet.”

Voor de geestesgesteldheid van de nu bejaarde overlevenden die Gans interviewde voor haar boek maakt het wellicht nauwelijks verschil. „Die varieert, van bitterheid tot mildheid. Het is niet óf óf, maar én én. Ze zijn er nooit meer overheen gekomen, maar ze zijn tegelijkertijd dolgelukkig met hun kleinkinderen. Vraag aan Israëli’s van Nederlandse afkomst hoe ze zich voelden na de oorlog en ze antwoorden laconiek: „Over welke oorlog hebt u het?” Maar ze zijn natuurlijk niet allemaal zoals Abel Herzberg (1893-1989, schrijver, overlevende van Bergen-Belsen, red.). Hij ging heel ver in zijn vergevingsgezindheid, met zijn Amor Fati, de omarming van het lot. Hij werd als ‘wijze’, niet-verbitterde jood het cliché van hoe een jood zou moeten zijn – vooral voor niet-joden. Dat ergert me. Op een openbare bijeenkomst vroeg een vrouw: ‘Wat moeten we doen om te zorgen dat joden niet weer slachtoffer worden’. Herzberg antwoordde: ‘Wat moeten we doen om te zorgen dat joden geen dader worden?’ Nou, héérlijk! Met zo’n antwoord kun je als niet-jood de schuld afwentelen en, sterker nog, die in de schoenen van Israël schuiven.”

Gans, die van zichzelf zegt „ook een polemische kant” te hebben, bekritiseerde in Gojse nijd de joodse hoogleraar pedagogiek Lea Dasberg, die, samengevat, steeds stelde: doorgaan, niet achterom kijken. En Abraham de Swaan, hoogleraar sociologie, die de voorkeur gaf aan wereldburgerschap boven het lidmaatschap van deze of gene groep. Al erkende hij dat je jood blijft voor het leven. Gans vond Dasberg „doorslaan” en De Swaan aan „wishful thinking” doen.

„Dasberg was leerling geweest van Jaap. Die vond ook al snel dat joden te koop liepen met hun leed. Dasbergs houding was onnodig demoraliserend. IJzeren Heinig. Ze ging eraan voorbij dat allerlei joden juist nooit gezwolgen hadden in het hun aangedane leed, er absoluut niet over spraken, maar in de jaren zeventig en tachtig ‘uit de kast’ kwamen. Het waren joden, overlevenden en hun kinderen, die zichzelf lange tijd voor gek verklaard hadden, omdat ze nog steeds met de oorlog bezig waren. Ik behoorde er zelf toe. Doorgaan kun je pas als je je angsten en trauma’s een plaats hebt gegeven. Het ene gaat niet zonder het andere. De meeste joden zijn trouwens doorgegaan, ze zijn geslaagd in creatieve en intellectuele beroepen.”

Waarom behoorde Gans ‘zelf’ tot de joden die ‘uit de kast’ kwamen? Met hun niet-joodse moeders zijn haar moeder noch zijzelf joods, volgens de halacha, de joodse wet. Haar vader ‘deed niets’ aan zijn jood-zijn. Ze groeide op in een atheïstisch gezin, ‘zeer geassimileerd’. Toen haar moeder zwanger van haar was, emigreerden haar ouders naar New York, waar ze geboren werd. „Mijn ouders waren volstrekt geen zionisten”, zo licht ze na het gesprek nog eens in een e-mail toe. „De dreiging van de Koude Oorlog, angst voor een Derde Wereldoorlog, leefde, voorzover ik weet, vooral bij mijn vader (...) We gingen naar de wereld waar de straten met goud geplaveid heetten te zijn; mijn vader droomde van een grootse carrière.”

De emigratie werd niks. „En we wáren ook niks: op z’n best joden met een kerstboom”, zegt Gans. Een ‘sleutelmoment, bepalend voor haar mensbeeld’, kwam op haar zesde, toen haar vader, op 4 mei, vertelde over zijn onderduikperiode, over hoe hij tot twee keer toe door het oog van de naald kroop; later begreep ze dat hij gif bij zich had gedragen. Ze besefte: hij had er niet kunnen zijn, ik had er niet kunnen zijn. „Als ik zes jaar eerder was geboren, was ik misschien vergast.” Ze ging ‘magisch denken’. Ze fantaseerde hoe ze Hitler doodde, hoe ze daarom werd geëxecuteerd: ze werd een heldin en was in een moeite door van het leven af. Ze was een somber kind. Een ander ‘sleutelmoment’ is de ontdekking, thuis, in een afgesloten kast, van het boek De gele ster, met foto’s van massa-executies en bergen lijken in de kampen.

Bestaat sindsdien haar wereld uit joden en niet-joden? Nee, zegt ze beslist. Ze is „genuanceerd”, in een heleboel contacten valt die notie totaal weg. „Er zijn standpunten van niet-joden, bijvoorbeeld over de afstotende politiek van Israël, waaraan ik veel meer belang hecht dan aan die van sommige joden. Er zijn joden bij wie ik me slecht op mijn gemak voel, met wie ik niks te maken wil hebben. Ik sta voor een niet-chauvinistische vorm van jood zijn. Ik ben ongelovig. Ik ben een niet-joodse jood.”

Maar jood is ze. De al dan niet vage notie tot een specifieke groep te behoren is behalve in haar eigen leven ook een rode draad in haar biografie van de Meijers. Behalve over twee levens gaat het ook over de spanning tussen assimilatie en behoud van eigenheid. „Ik probeer assimilatie te zien als een historisch proces. Dat is onherroepelijk maar het is ook een ontzettende kronkelweg. Men zet iets overboord, haalt het toch weer binnen in een andere vorm, opa gaat nog iedere week naar sjoel, de zoon alleen nog op hoogtijdagen enzovoort. Het is balanceren, stapje vooruit, stapje terug, op het slappe koord.

„Toen eind negentiende eeuw grote aantallen joden uit Oost-Europa, veelal orthodoxe, arme sloebers, naar Nederland kwamen, stond de joodse bovenlaag van de al eerder gekomen, ingeburgerde, Duitse en Portugese joden niet te juichen. Ze hielpen ze wel, maar op voorwaarde dat de nieuwkomers zich óf aanpasten óf meteen doorreisden naar Amerika. De angst was dat die nieuwe joden er veel ‘joodser’ uitzagen en daarmee antisemitisme opwekten, dat op hen zou terugslaan.

Er was verbondenheid, maar ook verscheidenheid.

„Door de generaties heen zie je steeds meer dwarsverbanden ontstaan tussen de ‘algemene samenleving’ en de minderheid. Het is een complex soort kruisbestuiving van twee kanten. Volgens Jaap Meijer waren de joden ook wel uit Nederland verdwenen zonder Hitler. Door de assimilatie. Dat denk ik niet. Hoe je je best ook doet, je blijft almaar ‘anders’. De buitenwacht legt de lat steeds hoger. Anderzijds is er verzet van binnenuit: ‘assimilant’ was lange tijd een scheldwoord onder joden. Het is hoe dan ook logisch dat mensen hechten aan hun geschiedenis. Of je nu uit Jorwerd komt of uit een dorpje in Anatolië.”

Mensen, zegt Gans, willen ergens trots op kunnen zijn. „Misschien dat minderheden daar nog meer aan hechten, maar het komt ook door het wegvallen van de grote ideologieën, de zuilen. Vroeger was ik tegen het kapitalisme, ik zat bij de kraakbeweging. Dat zijn we gaan relativeren. Waar sta je? wie ben je? – dat werden ineens prangende vragen. Het werd aantrekkelijk jood te zijn. Je was per definitie iets. Je was deel van een spannende, fascinerende, en ook dramatische en gruwelijke geschiedenis. En van een rijke cultuur, waarop je kunt terugvallen.

De overeenkomsten tussen het assimilatieproces dat Gans beschrijft en het huidige debat over de integratie van moslims zijn frappant. In een ver verleden waren er rondtrekkende joodse bendes die dorpen en buurten onveilig maakten, misschien wel vergelijkbaar met de huidige ‘kutmarokkaantjes’. Gans ziet ook wel verschillen: joden zijn niet uit op verspreiding van hun geloof. En, anders dan joden, zijn moslims niet gewend een minderheid te zijn.

„Maar wat je bij beide groepen ziet, is de angst de vuile was buiten te hangen. Logisch, want van kritiek op de eigen groep wordt vrijwel altijd misbruik gemaakt, op een manier die de criticus absoluut verfoeit. Je moet stevig in je schoenen staan om je individuele standpunten uit te dragen en tegelijkertijd geen verrader te worden voor de eigen groep. Voor je het weet, ben je een alibi-jood of een alibi-moslim, op wie ‘het andere kamp’ zich voortdurend beroept. De houding tegenover de buitenwacht is sowieso problematisch. Henri Polak bestreed in de jaren dertig de mening dat er in de Talmoed zou staan dat joden wel niet-joden mogen bedriegen, maar geen joden. In zionistische kring vond men dat verspilde moeite. Antisemieten luisteren toch niet naar argumenten, was hun verweer.

„Ook ligt de collectieve aansprakelijkheid op de loer. Jaap Meijer schreef dat in de jaren dertig, toen het antisemitisme toenam en in de joodse buurt in Amsterdam een meisje werd vermoord, joden opgelucht waren dat zowel slachtoffer als dader joods was. Liever moord in eigen kring dan dat de buitenwereld erbij betrokken was. Daar gold immers: één jood een oplichter, iedere jood een oplichter. Iedereen heeft de neiging zo te denken, maar daar hoor je jezelf in te corrigeren. Want je doet mensen onrecht. Moslims worden op grote schaal zo bejegend. Ze zijn – om begrijpelijke redenen dus – inderdaad loyaler met elkaar dan met de buitenwereld. Maar hoe wijs is het om van moslimorganisaties te verlangen zich in het openbaar uit te spreken tegen de moord op Van Gogh? Hoezo? Waarom moeten zij zich distantiëren van een medemoslim met wie zij het waarschijnlijk van geen kant eens zijn, en dan druk ik me nog zacht uit? Zeker, ze moeten aan het debat meedoen, maar niet op een apologetische manier, zodat ze met het mes op de keel zeggen: ja de moordenaar is een moslim, maar wij deugen wel. Dat willen mensen niet. Dat is vernederend.”

Heilige huisjes dienen gesloopt te worden, zegt Gans, maar niet „op een platte manier”. Pratend over moslims hekelt ze de vrijheid van meningsuiting als „nieuwe heilige koe” en „nieuw geloof, dat de grofste belediging aanvaardbaar maakt”. Door Van Gogh ondervond Gans hoe dat voelt. „Als een virtuele aanranding – zoiets? Zijn vuilspuiterij was klassiek, met die vermenging van seks en jodenhaat. In het begin was ik er giechelig over, zenuwachtig. Maar in tweede instantie viel me vooral op hoe stil het bleef. Ik dacht: dit kun je dus zeggen in Nederland. Een heel onveilig gevoel. Ischa Meijer, die wel contact had met Van Gogh, knalde uit elkaar toen hij ervan hoorde. Uiteindelijk heeft hij ervoor gezorgd dat Hans Blom, het hoofd van mijn vakgroep, een interview kreeg in Het Parool waarin hij in de felste bewoordingen tegen Van Gogh van leer trok.”

Nee, Gans had geen opgeruimd-staat-netjes-gevoel na de moord. Ze was zwaar aangeslagen. Ze kwamen elkaar weleens tegen, Van Gogh woonde in dezelfde buurt als zij. „Dat was onprettig. We negeerden elkaar. Vlak na het verschijnen van het artikeltje, had hij mij de Folia toegeworpen in een studio waar ik geïnterviewd werd onder de woorden: ‘Daar heb je die intelligente dame, ik heb net een stukje over je geschreven’.

„Hij verlegde zijn werkterrein gaandeweg van joden naar moslims, omdat zijn zoontje op school werd achtergesteld bij de moslimleerlingen, of zo. Hetzelfde grove werk, beledigend, rancuneus, met die ‘geitenneukers’: wéér die vermenging van seks en haat jegens een groep. Ik begrijp niet dat zijn omgeving hem niet systematisch bekritiseerd heeft om dat woord. Toen de internationale pers er na de moord lucht van kreeg, wisten ze niet wat ze hoorden. Dat dat ‘gewoon’ was, kennelijk. Van Gogh heeft een zeer negatieve bijdrage geleverd aan die ontwikkeling van zeggen-wat-je-voor-de-bek-komt . Voor mij was een nadelig gevolg van de moord, dat zijn uitspraak over Mengele internationaal overal werd geciteerd.”

Maar is het huidige antisemitisme niet vooral islamitisch? Nee, zegt Gans, al is het „op dit moment misschien het pregnantst”. Zeker, er is ‘die fatale driehoek’ van antisemitisme, anti-zionisme en kritiek op Israël. Via die driehoek is ‘jood’ in Amsterdam-West opnieuw een scheldwoord geworden, maar jodenhaat is „van westerse makelij”. „Dat de grondslag van Nederland onder druk van het islamdebat ineens joods-christelijk wordt genoemd, is opportunistisch. En ahistorisch. Joden zijn altijd moordenaars geweest, om te beginnen van Christus. Het verlichte christendom heeft van dat beeld afstand genomen, maar ‘de schuld’ van de joden is diep verankerd. Het protestantisme had weliswaar meer dan het katholicisme de neiging de joden respectvol te behandelen als ‘het oude volk’, maar dat moest dan wel inzien dat met Jezus Christus de Messias gekomen was.

„Van dat oer-antisemitisme liggen de wortels in het Westen. Het is pas veel later geïmporteerd in de Arabische wereld. De grote verbondenheid van de ene groep met Israël en van de andere met de Palestijnen is wat dit betreft een motor, maar niet de oorzaak. Wie de Israëliërs gelijkstelt aan de nazi’s is een antisemiet, maar ik ben óók beducht voor de ontwikkelingen in Israël. Het is verschrikkelijk zo lang als de Palestijnen al worden vernederd. Het is moeilijk om je daarmee te identificeren.”

Maken minderheden niet zelf ook onderscheid? Niet-leden worden buitengesloten, wat gemakkelijk irritatie kan opwekken. De ‘ander’ wordt gedwongen zich te positioneren. De niet-jood doet het bovendien altijd fout; Gans zelf vertelt in haar boek de anekdote over het joodse jongetje dat tegen zijn niet-joodse vriendje zegt: „We kunnen vriendjes zijn op twee voorwaarden: vergeet dat ik joods ben en vergeet niet dat ik joods ben.”

Na enig nadenken zegt Gans: „Het is in zekere zin onoplosbaar. Het hele leven bestaat uit binnen- en buitensluiting. Je bent hogerop getrouwd, maar je zult er toch nooit bijhoren. Je emigreert naar Frankrijk, maar Fransman word je nooit. Het wordt vervelend als een jood nadruk gaat leggen op zijn jood zijn. Ik heb een breed samengestelde identiteit, vrouw, links, intellectueel, noem maar op. Ik zou nooit van mezelf zeggen dat ik lid ben van de joodse groep.”

In een televisiegesprek naar aanleiding van haar boek zei ze: „Jood zijn is geen keuze.” Het klonk als een noodlot. Dat is het toch helemaal niet? Ze wil er toch juist graag bij horen? „Ja”, zegt ze: „ik wil jood zijn.” Ze vertelt over de tweede-generatie-conferentie in Bergen die ze begin jaren tachtig bezocht, „met die enorme honger naar kennis”. Ze wilde ‘haar’ geschiedenis kennen. Ze hoefde maar ergens de letters ‘j’ en ‘o’ achter elkaar te zien staan, en ze vloog erop af. „Dat is een fase, na de hype komt de nuancering, de relativering, de rust.”

En dan vertelt ze over nog een ‘sleutelmoment’. „Ik was zeven en naar een humanistisch kamp gestuurd, waar ik met een jongetje aan het spelen was. Dat vroeg ineens aan me: ‘Jij bent ook joods, hè?’ Ik wist niet wat er met me gebeurde. Daar ging het thuis helemaal niet over! We waren toch ‘niks’? Het voelde...verpletterend leuk. Ik ben weggerend, verward, opgetogen. Kun je dat zien, dacht ik. Geweldig! Ik was herkend.”

Rectificatie / Gerectificeerd

Rectificatie

Historica Evelien Gans , met wie een interview verscheen in Zaterdag & cetera van 2 februari, is niet 51 jaar, zoals vermeld, maar is geboren in 1951. Zij is 56 jaar.