HOEZO LINKSE LENTE?

Na dertig jaar heeft Amsterdam weer een links college. Toen was er sprake van ‘linkse arrogantie aan de macht’. Hoe gaat het nu? Een reportage over de eerste 100 weken van het college van PvdA en GroenLinks in de hoofdstad. ‘Met de stad gaat het goed, maar met heel veel bewoners veel minder.’

Op dinsdag 7 maart van het jaar 2006 kozen de inwoners van Amsterdam, tegen alle verwachtingen in en met een verbluffende meerderheid, voor hun linkse partijen. De Partij van de Arbeid haalde de recordscore van twintig raadszetels, op drie na voldoende voor een absolute meerderheid. GroenLinks had zes zetels en kreeg er zeven. En de Socialistische Partij steeg met stip.

Zo verwonderlijk was het dus niet dat er op deze stembusuitslag een experiment volgde met een louter links stadsbestuur. Dat wil zeggen: wél met de Partij van de Arbeid en GroenLinks, maar niet met de sp, want dat kwam de sociaal-democraten toch té na. Het was het eerste onversneden linkse stadsbestuur in Amsterdam sinds pacifisten, socialisten, communisten en kabouters elkaar dertig jaar geleden onophoudelijk de gracht in duwden en er halverwege broederlijk de brui aan gaven.

Sinds die rode gloriedag in maart zijn we bijna twee linkse jaren verder. En ook nu is er tussen de twee coalitiepartners in de raad geen warme exclusief interlinkse liefde opgebloeid. ‘Er is’, zegt het ene Amsterdamse PvdA-raadslid, Jerry Straub, ‘eerder sprake van een rare verkering. Wanneer gaan we nu eens echt zoenen? Je weet nooit wanneer het uit gaat.’ Een tweede Amsterdamse PvdA-raadslid, Myriam Bergervoet, zucht dat ‘het makkelijker is om met een moslimfundamentalist over de islam te discussiëren dan met een GroenLinkser over de Amsterdamse luchtkwaliteit’. En een derde Amsterdams PvdA-raadslid, Anne Graumans, wordt van GroenLinks voornamelijk moe. ‘Ze geven je het gevoel dat zij de morele waarheid in pacht hebben. Aan die samenwerking van ons voel ik me niet gebonden.’

Het kwade bloed werd al aangemaakt bij de totstandkoming van het roodgroene college en het is blijkbaar tot de dag van vandaag niet opgedroogd. Toen het op stemmen aankwam, bleken er bijna net zo veel sociaaldemocraten te zijn die dolgraag met de vvd verder wilden als er anderen waren die het in GroenLinks alléén wel zagen zitten. En het feit dat GroenLinks, als was díe partij de grootste in Amsterdam geworden, een veto uitsprak over samenwerking met de vvd, wordt door menige PvdA’er nog altijd gezien als een ergerlijke vorm van chantage, waarvoor hun partij nooit had mogen zwichten.

Het PvdA-raadslid Karina Content voorheen Schaapman schampert sindsdien dat ze niet gelooft in de heilige huisjes van GroenLinks, nog minder in ‘hun jaren- zeventigreflexen’ en al helemaal niet in hun idealen die zich ‘weinig aantrekken van de werkelijkheid’. Het PvdA-raadslid Daniël Roos denkt geregeld: ‘Waarom zit ik eigenlijk niet bij de vvd?’ En ook het PvdA-raadslid Frank de Wolf, tevens vice-fractievoorzitter, zegt dat hij dolgraag de vvd erbij gehad had, want dan zouden we ‘niet blijven hangen in GroenLinksige dwaasheden als het scheppen van ruimte op fietspaden voor twee moderne bak?etsen’.

‘In de PvdA-fractie zit een aantal mensen van wie ik denk, zijn jullie nou links? Ga toch naar de VVD.’Judith Sargentini, fractieleider van GroenLinks in de raad

Nu hoeven politieke partijen niet zielsveel van elkaar te houden om toch redelijk met elkaar te kunnen samenwerken. Lukt dat in Amsterdam? Of is de vrees voor linkse bestuursarrogantie, waarvoor burgemeester Job Cohen al op de verkiezingsavond waarschuwde, intussen bewaarheid geworden? En heeft de heer Brezjnev, wiens dictatoriale schaduw volgens de Groene Amsterdammer ooit een eerder door de PvdA gedomineerd gemeentebestuur overheerste, postuum zijn glorieuze rentree gemaakt langs de oevers van de Amstel?

‘Voor mij maakt het weinig verschil of ik met linkse of met rechtse bestuurders werk.’ Jan Hagendoorn, directeur van het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam

In het allereerste korte kennismakingsgesprek dat ik voer met Lodewijk Asscher, net 33 jaar geworden, wethouder van van alles en de sterke man binnen het linkse college, slaat hij gelijk elk wantrouwen aan stukken. ‘Het is’, zegt hij zonder blikken of blozen, ‘het uitgangspunt van dit linkse college om de linkse taboes, die we zelf opgebouwd hebben, zelf hardhandig af te breken.’

En later, als ik hem voor de derde keer spreek, zegt hij ronduit dat hij ‘helemaal niets heeft met dat linkse van het linkse college’. En al helemaal niet met zoiets als de linkse lente waar GroenLinks het altijd over heeft, want ‘dat vind ik een vreselijke en hopeloos pretentieuze kreet’.

‘De leiding van de PvdA zit op de rechterflank.’ Willem Paquay, raadslid voor de SP

Te Amsterdam sprak ik met de burgemeester, met alle wethouders, met tal van raadsleden, met hoge ambtenaren en met enkele tycoons uit het Amsterdamse bedrijfsleven. Als slotsom van al die gesprekken kan ik in rede en naar waarheid getuigen dat er zich in de hoofdstad een klein wonder aan het voltrekken is. Het wonder van een links college dat door rechts op handen wordt gedragen en dat vanuit het bedrijfsleven schouderklop na schouderklop krijgt.

‘In de gemeenteraad’, zegt oppositieleider Eric van der Burg, wiens vvd uit het college gezet werd, ‘ben ik persoonlijk de grootste fan van Lodewijk Asscher.’ ‘Laat Lodewijk Asscher maar op het geld passen!’, zegt een ander lid van de oppositie, de cda’er Lex van Drooge, bewonderend. ‘Een links college moet natuurlijk hard roepen dat het erg links is. Maar ik vind ze helemaal niet zo links.’

Maurice Limmen, het andere cda-raadslid, die sinds jaar en dag intiem bevriend is met Lodewijk Asscher en die getuige was bij diens huwelijk, beklemtoont dat ‘er in Amsterdam gelukkig geen nieuw rood tijdperk is aangebroken’.

En Ferry Houterman, ooit fractievoorzitter van de vvd in de raad en daarna jarenlang de pleitbezorger van het Amsterdamse midden- en kleinbedrijf, roemt de samenwerking met het linkse stadsbestuur waarover hem, zegt hij, ‘geen klacht over de lippen komt’.

Hoe kan het dat dit wondertje zich, ondanks de manifeste afkeer van menige PvdA-raadslid voor de collega’s van GroenLinks, aan het voltrekken is?

‘Lodewijk Asscher wil de link leggen met het klassieke VVD-publiek.’ Eric van der Burg, fractieleider van de VVD in de raad

Lodewijk Asscher, zojuist vader geworden van de kleine Abel, heeft sinds diens geboorte de merkwaardige neiging om interviewafspraken bij voorkeur om half acht ’s ochtends te plannen en dan het liefst rond het ontbijtbuffet van het vermaarde hotel Schiller aan het Rembrandtsplein. Door Abeltje is hij toch al om zes uur uit de veren.

Bij een van die gelegenheden vraag ik het hem rechtstreeks. Hoe kan zijn linkse college zo geliefd zijn bij rechts? En wat zijn die linkse taboes die doorbroken moeten worden? Zijn antwoord begint bij wijlen Pim Fortuyn en het gaat ook op, zegt hij, voor de bejegening, dezer dagen, van figuren als Wilders en Verdonk. Het is waar dat ze geen oplossingen boden of bieden. Maar het is even waar dat links, dat zijn Partij van de Arbeid, lang geleefd heeft en nog steeds leeft in de roes van het superieure gelijk dat niet bestand blijkt tegen de toets van de realiteit. ‘Wij hebben lang achterover geleund en gezegd: de anderen ja, die zijn fout. Of rechts. Of verkeerd. Als mensen met onaangename ervaringen aankwamen die ons niet welgevallig waren, dan spraken wij veroordelend over de onderbuik. Zulke mensen waren voor ons al gauw racisten. Maar een eigen verhaal vertelden we niet. We zeiden vanuit een al te makkelijk grachtengordelperspectief, kalm nou maar, geduld, geduld, over vijf generaties komt het allemaal wel in orde.’

O zeker, zegt hij. Het is en blijft het streven van de sociaal-democratie om ervoor te zorgen dat mensen die niet mee kunnen komen wel mee gaan komen. Meer dan ooit is het oude ideaal van volksverheffing actueel. Economisch floreert zijn Amsterdam geweldig, de halve stad leeft in zorgeloze welvaart. Maar ondertussen balanceert de andere helft, niet zelden allochtoon en niet zelden woonachtig in de buitenwijken, op of onder de rand van de armoede. Drommen kinderen verlaten de school zonder toekomstbestendig diploma. Een kwart van de lagereschoolleerlingen is te slecht gevormd om zelfs maar deel te nemen aan de Cito-toetsen. Kortom, zegt hij, ‘met de stad gaat het goed, maar met heel veel bewoners veel minder’.

Hun problemen lost geen mens op door er gemakzuchtig van weg te kijken. Het is volgens Lodewijk Asscher juist links dat met een open blik moet kijken hoe het zover heeft kunnen komen. Dat bereid moet zijn om de verantwoordelijkheid, die de PvdA al sinds mensenheugenis in de hoofdstad draagt, juist nu te nemen en de eigen maar al te zichtbare mislukkingen niet te vergoelijken maar vol ongeduld te redresseren. De verloedering van de stad die hij aan wil pakken, onder andere door de Wallen op de onderwereld te heroveren. Het moet uit zijn met de angst om voor moralistisch door te gaan en nooit iets te durven doen aan wat op de Wallen voor slechts gebeurt. Zo ook als het om het falende grootstedelijke welzijnswerk gaat, dat hij intussen de titel ‘monster van Frankenstein’ heeft gegeven. Het moet uit zijn met miljoenen overheidsgeld te proppen in instellingen die de probleemjeugd zo leuk aan het sjoelen en biljarten helpen en die ervan uitgaan dat een rotzak geen rotzak is maar zielig. En niet te vergeten: de omgang met stadsdeelbesturen die de neiging hebben om zich op hun autonomie te beroepen. Het moet uit zijn met de gebrekkige zeggenschap over het geheel dat het handelen van de centrale stad verlamt.

Ik haal adem en ik zeg dat alles wat hij benoemt, van welzijnswerk tot stadsdeel, bijna zonder uitzondering beheerd en bestuurd wordt door zijn eigen mede-PvdA’ers.

Lodewijk Asscher: ‘Ja. En daarom zijn heel veel instellingen en heel veel PvdA’ers heel erg boos op mij. Maar ik vind het veel te gevaarlijk om niets te doen, alleen maar omdat het door mijn eigen partijgenoten zo is geworden.’

‘Lodewijk Asscher heeft zijn natuurlijke achterban tegen zich in het harnas gejaagd.’ Norbert Krijnen, adjunct-directeur van de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling

Een door de PvdA gedomineerd stadsbestuur dat in een door PvdA-kiezers gedomineerde stad zijn zeggenschap moet heroveren op door PvdA’ers gedomineerde instellingen, stadsdelen en schoolbesturen: is dat het geheim waarom het linkse college door rechts zo liefdevol aan de borst gedrukt wordt?

Ik spreek erover met Tjeerd Herrema, de PvdA-wethouder die over verkeer en vervoer gaat. Ook hij heeft het over de heilige huisjes van de PvdA die hoognodig aan revisie toe zijn. Zo lijkt het hem noodzakelijk dat er in de toekomst minder stadsdelen overblijven, hooguit nog negen in plaats van de veertien van nu.

En ja, het feit ligt er: het verzet daartegen komt van de linkerkant, van GroenLinks en van zijn eigen PvdA, ooit de bedenkers en nu de grootste verdedigers van het stadsdeelstelsel. Die zullen, zegt hij, ‘hun verdedigingslinies op gaan zoeken’ want die staan, vindt hij, ‘te weinig kritisch tegenover de uitwassen van het stelsel’.

De praktijk heeft hem geleerd dat er ‘een veel strakkere regie nodig is vanuit de centrale stad op daadkracht en doorzettingsvermogen’. De tijd is voorbij dat je per decreet vanuit de Stopera de zaken naar je hand kon zetten. Maar nu is de stad veel te ver doorgeschoten naar het andere uiterste. Tjeerd Herrema: ‘We hebben ons veel te afhankelijk gemaakt van continu overleg en nog eens overleg, en we kunnen amper meer zeggen: tot hier en niet verder en nu gaan we een beslissing nemen. We hebben zoveel bevoegdheden uit handen gegeven dat we voornamelijk bezig zijn met het etaleren van onze onmacht.’ Ziet u, vraag ik hem, ook problemen in uw eigen gemeenteraad?

‘Daar zit mijn grootste zorg eigenlijk. Of de PvdA en GroenLinks in de raad wel in staat zijn om samen te werken in onze coalitie’.

Ik spreek er ook over met Hennah Buyne, tot voor kort rechter te Arnhem en sinds acht maanden als opvolger van de grote Amsterdamse stemmentrekker Ahmed Aboutaleb de wethouder die belast is met onder andere het onderwijs. Ze zegt dat ze graag beslissingen neemt want dat dat nu eenmaal in de aard zit van het rechtersbeestje. En dat ze er, in de korte tijd van haar wethouderschap, achter is gekomen dat ze, voorzover het haar onderwijsportefeuille betreft, vrijwel geen bevoegdheid heeft om welke beslissing dan ook te nemen.

Het Amsterdamse onderwijs kampt met enorme problemen. Schooluitval, ontduiking van de leerplicht, taal- en leerachterstanden, gebrekkige voorbereiding op het latere leven, noem maar op. Moreel voelt ze zich daar sterk verantwoordelijk voor en politiek wordt zij daar terecht op aangesproken. Maar feitelijk heeft ze vrijwel geen bevoegdheden om in te grijpen. De bestuurlijke structuur waarin ze opereren moet noemt ze ‘volstrekt inadequaat om iets met daadkracht te doen’.

Hennah Buyne: ‘Ik moet op eieren lopen. Aan de ene kant heb ik te maken met één minister, twee staatssecretarissen Onderwijs en geldstromen vanuit Den Haag, terwijl ik aan de andere kant volstrekt afhankelijk ben van de bereidheid tot medewerking van schoolbesturen. In feite ben ik niet meer dan een makelaar in schoolgebouwen. Al jaren lang levert 20 procent van de Amsterdamse basisscholen kinderen af met een leerachterstand van vaak twee jaar. Dat vind ik vreselijk.

Maar ik kan niet zeggen, jongens, daar gaan we wat aan doen. Nee, ik moet heel voorzichtig zijn en zeggen: zouden jullie het fijn vinden om eens bij mij langs te komen. Ik zou het ook erg fijn vinden. En zouden jullie dan over drie maanden met een voorstel willen komen? En als zij dan zeggen, nee, dat doen wij niet, dan is het einde oefening. Terwijl ik tegen zo’n schoolbestuur zou willen zeggen: moet u eens horen, u heeft veel te veel schooluitval, veel te veel gespijbel, genoeg gepraat, vandaag komen die en die leerplichtambtenaren bij u op school en vanaf nu gaan we het samen stevig aanpakken. Amsterdam is soms knap vermoeiend.’

‘De werkelijke opgave van dit college is het om de zeggenschap in de stad te vergroten.’ Jeroen Slot, stadsonderzoeker

Op een zwaar bewolkte middag ga ik met Lodewijk Asscher en enkele van zijn assistenten in Slotervaart op bezoek bij de straatcoaches die daar de probleemjeugd schaduwen. Er gaat ook een vrouw mee. Zij wordt van tevoren geïnstrueerd dat ze een van de straatcoaches, die ene met die ruige baard, geen hand moet geven, want dat mag niet van zijn geloof. Ze belooft dat ze het niet zal doen.

Onderweg naar het kantoortje van de straatcoaches legt Lodewijk Asscher uit dat zij de harde krachten zijn, maar dat er ook zachte krachten zijn die bij de probleemgezinnen belet vragen en dan afspraken proberen te maken over hulp en ondersteuning. In het kantoortje treffen we de twee harde en de beide zachte krachten.

De harde krachten, onder wie de baardman, roemen het succes van hun schaduwwerk. Ze geven toe dat de probleemjeugd een end slimmer geworden is en de rotzooi bij voorkeur buiten hun gezichtsveld uithalen. Desondanks claimen ze een sterke afname van de wijkterreur, in Osdorp zelfs met 49 procent. Dan krijgen de zachte krachten het woord. Ze hebben intussen honderd gezinnen bewerkt, thuisbasis van 112 probleemjongeren. Van al die gezinnen werkt 61 procent mee en 19 procent tegen. Dat vinden ze behoorlijk positief. Maar als bij de gezinnen die meewerken het afgesproken vervolgtraject op gang moet komen, dan laat het welzijnswerk het afweten. Op de reclassering na zit iedereen verstrikt in de eigen organisatie. Het komt er kortweg op neer: met die afspraken gebeurt gewoon niks. En ook als het stadsdeel vervolgstappen moet zetten gebeurt er niets. ‘Als je de deur open krijgt en het duurt daarna een half jaar voor er iets gebeurt, ja, wat doe je dan eigenlijk?’Als we weer buiten staan haalt Lodewijk Asscher diep adem. ‘Allemaal PvdA’ers’, zucht hij. ‘Dat hele welzijnswerk is PvdA. Alle stadsdelen zijn PvdA. Snap je nu waarom ik van het monster van Frankenstein spreek?’

‘Lodewijk Asscher droomt van het ingrijpen in familieverbanden. Hij noemt dat achter de voordeur gaan kijken. Ik noem dat een voet tussen de deur zetten.’ Maarten van der Meer, fractielid van GroenLinks in de gemeenteraad

‘Hoera! Ik ben blij met dit college!’ Judith Sargentini, fractievoorzitter van GroenLinks in de raad, kan haar geluk niet op. ‘Als GroenLinks hebben we hier veel bij te winnen!’ Jeanine van Pinxteren, haar medefractielid is al even enthousiast. Ze is niet blij, maar ontzettend blij met dit college. Want zo terughoudend als veel van hun PvdA-collega’s over de linkse samenwerking zijn, zo door en door tevreden zijn de GroenLinkse raadsleden die ik spreek met hun college.

Judith Sargentini juicht de ene verworvenheid na de andere toe. De armoedegrens is in Amsterdam opgetrokken van 105 naar 110 procent van het minimumloon. Prachtig voor een hoop gezinnen die het niet breed hebben. En nu krijgen ook hun kinderen computers. Echt iets om blij van te worden. En wat kost het de gemeente helemaal? Twee miljoen. Valt reuze mee. En er gaat weer geld naar allochtone zelforganisaties. Was ook afgeschaft. Is weer teruggedraaid. Nee, als Amsterdamse GroenLinkser kan je je zegeningen tellen. Alleen het preventief fouilleren. Daar is GroenLinks tegen. Of anders zo’n zoekactie in de Bijlmer. Dat geeft maar één signaal af tegen mensen uit West-Afrika: pak je biezen en vertrek. Zo ga je toch niet om met mensen zonder papieren? GroenLinks spreekt niet van illegalen, maar van mensen zonder papieren. Bij die mensen, bij vluchtelingen en illegalen, daar ligt haar hart. En wat nou, kritisch gaan staan tegenover de heilige linkse huisjes? Het gaat helemaal niet om de heilige linkse huisjes. Het gaat om de heilige PvdA-huisjes. Dat zoeken ze daar zelf maar uit. Maar het is waar. Als de PvdA weer eens intern een compromis gebakken heeft, dan kan de raad daar nooit meer iets aan veranderen. Ze zegt dat ze de Amsterdamse gemeenteraad zwak vindt. ‘Op een paar ijzersterke na zit de Amsterdamse raad vol met zwakke individuen.’

Haar ontzettend blije collega Jeanine van Pinxteren voegt er nog een paar triomfen aan toe. De aandacht voor fietspaden bijvoorbeeld, waar de vorige vvd-wethouder niets van moest hebben. Of de haven, die heel anders moet. Weg met de kolen en de olie. Niet meer van deze tijd. Voor alles moet duidelijk worden dat Amsterdam geen autostad is. Jeanine van Pinxteren: ‘Ik heb op veel momenten de neiging om te zeggen, zullen we toch maar rond Amsterdam een slotgracht met ophaalbruggen aanleggen en dan de Republiek Amsterdam uitroepen?’

‘Het groene randje is in Amsterdam heel dun.’ Maurice Limmen, CDA-fractievoorzitter in de gemeenteraad

Bij bijna alle Amsterdamse PvdA-raadsleden leg ik het oor te luisteren en als ik ze bijna allemaal gesproken heb duizelt het me als had ik de inventaris opgemaakt van een Poolse landdag. Het is waar wat het PvdA-raadslid Charlotte Riem Vis zei: ‘Zet in Amsterdam drie PvdA’ers bij elkaar en je krijgt drie elkaar uitsluitende meningen.’

Over een paar dingen zijn ze het wel eens. Dat er sinds het aantreden van het linkse college van alles sprake is, maar zeker niet van een linkse koerswijziging, Daar is de een (Myriam Bergervoet) ‘hartstikke blij’ mee, terwijl de ander (Bouwe Olij) het ‘ernstig betreurt’. Ook vinden ze allemaal dat het gesprek in hun eigen maandagse fractievergadering uiterst moeizaam verloopt en vaak erg emotioneel is, zodat de een er de volgende dag ‘nog doodmoe’ van is, een ander ‘grote mannen huilend heeft zien rondlopen’, een derde de Here God op haar blote knieën dankt als ze, soms ver na middernacht, weer thuis is, en een vierde na weer zo’n uitputtingsslag geen idee heeft van wat er eigenlijk wel en wat er niet besloten is.

‘Je kan niet anders constateren’, zegt het PvdA-raadslid Frank de Wolf, amc-viroloog tevens vice-fractievoorzitter, ‘dat het een zwakke, want onervaren fractie is.’ ‘We slagen er met twintig zetels niet in’, zegt het PvdA-raadslid Bouwe Olij, ‘om een deuk in een pakje boter te slaan.’ ‘Als ik eerlijk ben’, zegt het PvdA-raadslid Jesse Bos, ‘nee, een sterke fractie is het niet.’ En Karina Content concludeert: ‘Nee hoor, we zetten helemaal niets neer.’

‘Meestal hoor je van de PvdA-fractie: sorry, maar we weten het nog niet.’ Ivar Manuel, fractievoorzitter van D66 in de gemeenteraad

Over de mores binnen de PvdA-fractie spreek ik uitvoerig over met het meest ervaren raadslid Bouwe Olij, bij zijn fractiegenoten samen met Thijs Reuten vanwege hun linkse kameraadschap en hun postuur beter bekend als Bulletje en Bonestaak. Bouwe Olij heeft voor de overgrote meerderheid van zijn fractiegenoten geen goed woord over, behalve dan dat ze ongetwijfeld vervuld zijn van goede bedoelingen.

‘Dramatisch slecht’, noemt Olij zijn collega’s die bij wijze van spreken nog lid van de partij moesten worden toen ze al een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst hadden. ‘Een aantal begrijpt totaal niet wat er aan de hand is. Die komen niet verder dan, meestal heel emotioneel, te refereren aan iets dat ze gisteren zagen of aan iets dat hun buurman om de hoek tegen ze zei. Ze kijken geweldig op tegen Lodewijk Asscher die ze als een God zien en die ze nooit durven tegenspreken.Ook onze fractievoorzitter Manon van der Garde heeft niet het postuur om hem onder druk te zetten of Cohen of de fractie zelf. Van de zomer was het een ramp. Manon was met zwangerschapsverlof, Michiel Mulder verving haar, over die vervanging is nooit in de fractie gediscussieerd. Toen ik daar iets van zei, was de reactie, ach man, zeur niet zo. Na de zomer is er een coup gepleegd en een nieuw fractiebestuur benoemd, alweer zonder enig overleg. Nu ja, ik heb me er maar bij neergelegd. Een sterrenteam zal deze fractie nooit worden.’

‘Ik ben geen PvdA-lid vanwege het leuk, maar vanwege het sociaal.’ Hetti Willemse, PvdA-fractielid in de raad

Op een koude natte doordeweekse avond bezoek ik in een Amsterdamse studentenkroeg de ledenvergadering van de PvdA-afdeling Amsterdam. Circa zestig diehards hebben er tijd voor vrijgemaakt. De gespreksleidster benadrukt dat het thema ‘rotzooi in Slotervaart’ vanavond niet aan de orde is. ‘We gaan het alleen hebben over wat de stad aan het doen is aan mooie dingen.’

Daarna luisteren de aanwezigen stilletjes naar een hoop flauwiteiten van een langwerpige jongeman die zich als Lucas de Linkse Lul voorstelt en die verbonden is aan de website van Geen Stijl Punt nl. Hij beschrijft zijn gehoor als het vuurrode puntje van de roze zalm en zulke beeldspraak houdt hij een kwartier lang vol.

Dan is het woord aan Manon van der Garde, de fractieleider van de PvdA in de gemeenteraad. Ze geeft toe dat zij en haar kompanen ‘niet zichtbaar genoeg zijn in de media’, maar dat ze desondanks wel enorm veel doen. Het zou haar geen moeite kosten om dertig heerlijkheden op te noemen die dankzij de PvdA reeds bereikt zijn.

Maar dan, als de zaal zich behaaglijk warmt aan de eigen zonnestralen, krijgt Lodewijk Asscher de microfoon in de hand gedrukt en meteen is het uit met de pret. Hij houdt de zaal voor dat politieke macht per definitie geleende macht is en dat juist de PvdA daar voorzichtig mee moet omgaan. En kritisch, vooral op zichzelf. ‘De stad geeft miljoenen uit aan goede bedoelingen, maar succes blijft uit en dat komt omdat alles stuit op onze eigen PvdA’ers, op onze partijgenoten. En we moeten niet alleen hulp willen bieden, dat zeker ook, maar we moeten ook drang en dwang durven toepassen. We zullen ouders aan gaan spreken op het gedrag van hun kinderen. Veel ouders zullen daar blij om zijn. Maar ouders die hun middelvinger opsteken, die zullen we moeten dwingen.’ Heel even vlamt het protest op.

‘Hoe voorkomen we’, wil iemand weten, ‘dat we bij de volgende verkiezingen naar vijftien of twaalf of nog minder zetels zakken?’ Maar dan geeft de zaal zich gewonnen. ‘Goed zo, Lodewijk! Er gaan dikke zakken met geld naar de welzijnsorganisaties. Maar er is geen regie!’ ‘En dan is nu’, zegt de gespreksleidster, ‘het woord aan de drank. Iedereen een gratis consumptie.’

‘Het taaie ongerief moet nog komen.’ Erik Gerritsen, tot voort kort gemeentesecretaris in Amsterdam

Ook tot haar eigen verrassing werd Carolien Gehrels, voorheen werkzaam bij de afdeling city-marketing van Beerenschot, namens de PvdA de wethouder van sport en cultuur. Op haar werkkamer met vrij uitzicht op veel Amsterdams grachtenwater put ze zich uit in loftuitingen, zowel aan het adres van de vvd-oppositie als aan de positieve samenwerking met het Amsterdamse bedrijfsleven.

‘Zou u’, vraag ik haar, ‘ook in een ander college gestapt zijn dan het linkse van nu?’ ‘Dat zou ik zeker in ernstige overweging hebben genomen.’

Ze kan niet zeggen dat ze de vvd in het college mist, maar, haast ze zich daaraan toe te voegen, ‘in het verleden heb ik de vvd-wethouders altijd goede bestuurders gevonden en ik vind dat ze nu op een prettige en constructieve manier oppositie voeren.’ Alles staat of valt, benadrukt ze, met de mate waarin de PvdA erin slaagt het bedrijfsleven aan zich te binden. Als ze, op haar gebied, kijkt naar de interessante instellingen, dan ziet ze in al die besturen juist de mensen uit het bedrijfsleven. De economie in Amsterdam draait goed, en dat komt omdat het bedrijfsleven het goed doet. ‘Dat moeten we steeds en heel nadrukkelijk naar voren blijven brengen.’

‘Het spijt me dat ik het moet zeggen, maar ik vind de vrouwen in het college minder sterk dan de mannen.’ Eric van der Burg, fractieleider van de VVD in de raad

Als ik de fractieleden van de PvdA vraag naar hun standpunt over actuele onderwerpen krijg ik zo ongeveer alles te horen wat er binnen en buiten de Amsterdamse grachtengordel maar aan meningen voorhanden is. De kinderbijslag van onwillige ouders intrekken, zoals Lodewijk Asscher wil? Moet ik niet aan denken! Maar ook: meteen doen! De Wallen opschonen? Onzin! Maar ook: liever vandaag dan morgen! Achter de voordeur gaan kijken bij probleemgezinnen? Ben ik gloeiend voor. Maar ook: ben ik gloeiend tegen!

Het is bijna aandoenlijk om uit een grote linkse stadsfractie zoveel onzekerheid te vernemen over wat nu eigenlijk links is en wat nu eigenlijk rechts. Manon van der Garde, de fractievoorzitter, vraagt het zich af: ‘Hoeveel linkser is dit linkse beleid eigenlijk dan dat van het vorige college met de vvd en het cda er in?’ Michiel Mulder, haar tijdelijke vervanger vraagt het zich af: ‘Dit college wordt gewaardeerd om precies de tegenovergestelde redenen die je van een links college zou verwachten.’ Het fractielid Jesse Bos vraagt het zich af: ‘Ik vind het steeds moeilijker om te weten wat links is en wat rechts.’ Alleen het fractielid Peggy Burke, van oorsprong Surinaamse, twijfelt niet. ‘Ik vind dat we die onzin van Tweede Kerstdag en Tweede Pinksterdag en Hemelvaartsdag moeten afschaffen en dat we die moeten vervangen door de viering van de Dag van de afschaffing van de slavernij, van het Idul Fitrifeest van de moslims en van het Phagwahfeest van de Hindoestanen. Dat zou ik nu echt links vinden!’

‘Bij de fractie van de Partij van de Arbeid ontbreekt elk gemeenschappelijk idee.’ Remine Alberts, fractieleider van de SP in de raad

Binnen de raadsfractie van de PvdA mag de verdeeldheid groot zijn en het warme gevoel voor GroenLinks gering, de burgemeester en alle wethouders komen woorden tekort om het harmonieuze van hun samenwerking en het collegiale van hun bestuursstijl te roemen. Carolien Gehrels heeft, zegt ze, nog nooit het gevoel gekregen dat een van haar collega’s met een mes in de hand achter zijn rug stond, klaar om toe te steken. Haar collega Hennah Buyne is ook dik tevreden over de onderlinge gesprekken die ze niet de kans geven om op koude oorlog uit te lopen. Zij spreekt van het ‘er-op-afcollege’. Elke week leggen ze gezamenlijk een stadsbezoek af aan een school, een probleemgebeid of aan wat dan ook.

‘Dat wilde het vorige college ook’, zegt burgemeester Job Cohen, ‘maar dan kwam het er niet van of dan had er altijd wel iemand iets anders aan zijn hoofd.’ Zodra er iets aan de knikker is, zegt hij, ‘wordt dat op een buitengewoon gemoedelijke en faire wijze besproken, heel precies, maar zonder de piketpaaltjes die het vorige college veel meer in de grond had staan’.

Nee, ik geloof werkelijk niet dat er iemand deel uit maakt van het linkse college die de baan als een straf ondergaat. De verhoudingen zijn eerder té vriendelijk en de stemming kan ook té gezellig worden. Vandaar dat dit linkse college een zekere fletsheid niet ontzegd kan worden. Uit de jongste stadsmonitor blijkt dat niet meer dan twee op de tien Amsterdammers op de hoogte zijn van het feit dat hun stad door een links college bestuurd wordt. En dat de naam van de bekendste wethouder, Lodewijk Asscher, slechts 22 procent van zijn medestadsbewoners iets zegt, terwijl de minst bekende wethouder, Hennah Buyne, slechts bij 4 procent van de Amsterdammers bekend is. ‘Nee’, concludeert de GroenLinkse wethouder Marijke Vos, ‘de weg naar het hart van de mensen hebben we nog niet gevonden.’

Nu ja, helemaal één pot nat is het binnen het college ook weer niet. Ook aan de wekelijkse vergadertafel krijgen de PvdA’ers wel eens een vermoeide blik in de ogen als hun GroenLinkse collega’s Maarten van Poelgeest en Marijke Vos voor de zoveelste keer op de thema’s duurzaamheid en milieu terugkomen. Hennah Buyne merkt zo nu en dan enige wrijving als GroenLinks het altijd maar wil hebben over het groen en over de schone lucht. Dan denkt ze soms, kom op, mag het even iets minder? We hebben nog veel meer problemen in de stad. Alsjeblieft jongens. Nu even niet.’

Wethouder Herrema en wethouder Asscher geven ruiterlijk toe dat het milieu bij hen niet van nature in de sociaal-democratische genen zit. Tjeerd Herrema zegt dat hij er streng voor waakt dat het milieuverhaal niet de overhand krijgt in de collegiale discussies. ‘Op korte termijn milieu-effectjes bereiken’, zegt hij, ‘is niet altijd de goede oplossing voor de economie. De haven is ook zo’n voorbeeld. Die wil GroenLinks duurzaam maken, reden waarom van hen de kolen en de olie eruit mogen. Volgens mij heeft het geen zin om te zeggen, alles wat in de haven gebeurt is verkeerd, dus weet je wat, we stoppen er maar mee. Zo is het ook met de schone lucht. Ook daar moet je niet per se dat ene succesje in dat ene jaar willen halen. Wat wil je nou? Wil je samen met het bedrijfsleven de maatschappij in beweging krijgen? Of wil je je eigen opvattingen koesteren? Als ik eerlijk ben moet ik zeggen: op het milieuterrein en op het tempo waarin GroenLinks daar resultaten wil boeken, zie ik voor deze coalitie de grootste spanningen.’

‘Spannend wordt het in deze coalitie uitsluitend op de typische GroenLinks-onderwerpen.’ Erik Gerritsen, tot voor kort gemeentesecretaris in Amsterdam

‘Ik vind het geweldig leuk werk. Mijn eigen stad besturen! Ik vind het wauw! Het is ook pittig. Ik heb het moeten leren. Besturen moet je leren.’ Aan het woord is Marijke Vos, tot voor kort oppositioneel Kamerlid in Den Haag en nu bestuurder, belast met zorg en met milieu, in haar woonstad Amsterdam. We treffen elkaar in het Muziekgebouw aan ’t IJ, de laatste plaats waar een mens zich kan beklagen als de bassen uit de luidsprekers de geïnterviewde overstemmen.

Ze zegt dat ze veel waardering heeft gekregen voor het werk van haar voorgangster, de cda-wethouder Hester May, met name voor haar luchtkwaliteitplan. Maar dat zij er de grote ambitie aan toegevoegd heeft, het heilige vuur om de stad echt duurzaam te maken en om het milieu rond Amstel en IJ écht aan te pakken. ‘We zijn begonnen met ons eigen wagenpark. Dat is nu helemaal schoon!’

Dat is de bevlogenheid die zij er ingebracht heeft, de trots op wat Amsterdam met het milieu aan het doen is. Marijke Vos: ‘Neem de parkeertarieven die wij willen verhogen. Geen leuke maatregel natuurlijk, daar worden mensen chagrijnig van. Maar het helpt wel. De portemonnee blijkt toch de beste prikkel om ervoor te zorgen dat mensen hun auto wat vaker laten staan.’ ‘De raad is er tegen’, zeg ik.

Marijke Vos: ‘Het is gewoon geen leuke boodschap. D66 wil het niet, de vvd en het cda willen het niet, een deel van de PvdA wil het niet. Maar het gebeurt wel. De tarieven gaan wat mij betreft omhoog. Ook al is GroenLinks de enige partij die zegt: dit is gewoon nodig voor de schone lucht.’ Ik zeg: ‘Allochtone PvdA’ers roepen dat ze het aan hun Turkse of Marokkaanse of Ghanese of Surinaamse achterban niet kunnen verkopen.’ Marijke Vos: ‘Ja, dat is gewoon zo. In sommige kringen in Amsterdam is het milieu nog geen onderwerp dat leeft.’

‘U wilt ook de kolen en de olie weg hebben uit de haven.’ Marijke Vos: ‘GroenLinks is heel kritisch op de haven, dat klopt. Er moet een omslag komen in de havenvisie. Wij moeten onze kiezers laten zien waarvoor we knokken.’

‘Uw eigen collega-wethouders denken geregeld en licht geërgerd: daar komt ze weer met haar duurzaamheid en haar milieu.’ Marijke Vos: ‘Over het milieu ben ik ook ongeduldig, verdorie. Ik wil dat het in alle plannen om van Amsterdam weer een topstad te maken bovenaan komt te staan. Ik heb nu anderhalf miljoen extra. Maar ik heb zeker vijf miljoen nodig.’

Ze heeft wel geleerd dat je in Amsterdam alleen iets bereikt als de mensen je steunen en als je bereid bent met ze samen te werken. Dwingen moet je alleen doen als het echt niet anders kan.

‘Heeft u wel eens iets afgedwongen?’ ‘Ja. Dat winkels verplicht worden om hun koelkasten af te dekken. Jaren over gepraat, maar men weigerde mee te werken. Toen heb ik het verplichtend opgelegd.’

Ze kijkt er niet al te triomfantelijk bij. ‘Nee’, zegt ze. ‘Want ik ben helemaal niet zo van dat staatse gebeuren.’

‘Voor olie en kolen zijn er voorlopig geen alternatieven. Ik houd mijn hart vast voor wat GroenLinks met de haven voorheeft. Onderhuids zijn de spanningen tussen GroenLinks en de PvdA daarover heel groot.’ Hans Gerson, directeur van het Amsterdamse havenbedrijf

Een rokerig bovenzaaltje in een sluiscafé tegenover het stadhuis. Achter de tafel zitten Lodewijk Asscher namens zichzelf, Marieke van Doorninck namens GroenLinks en Ivar Manuel van D66, die de bijeenkomst georganiseerd heeft. In het snel gevulde zaaltje is het dringen geblazen. Asscher gaat aan de tand gevoeld worden over zijn plannen met de Wallen.

Hij mag zelf beginnen. Wat hij omstandig uitlegt komt er in het kort op neer dat hij niet tegen de hoeren is, maar wel tegen de criminele omstandigheden waaronder die hun werk verrichten. Vrouwenhandel, belastingontduiking, zwart geld, noem maar op.

Van GroenLinks krijgt hij daar weinig waardering voor. Marieke van Doorninck mist elk ‘flankerend beleid naar die vrouwen toe’. Is het nu echt zo dat al die vrouwen gedwongen achter de ramen zitten?

D66 doet er nog een schepje boven op. Volgens Ivar Manuel stort Asscher een nieuw en sterk betuttelend gevoel voor normen en waarden over de stad uit. GroenLinks wil de hoerenramen niet kwijt, die partij wil er modelramen van maken.

D66 vindt dat erg lief en erg naïef. Subsidie aan startende prostituees, dat klinkt erg naar de jaren zeventig. GroenLinks houdt het been stijf. Het gaat om de zelfstandigheid van vrouwen. Empowerment, daar gaat het om. Lodewijk Asscher doet of hij dat een interessante gedachte vindt. Maar hij houdt voet bij stuk. Gelukkig maar. Want hij spreekt vanuit de verloederde realiteit, terwijl de beide anderen hun rozengeurige wensdromen onder woorden brengen. Dan krijgt de zaal het woord.

‘Lodewijk, als de hoeren weg zijn, wat moet er dan achter die ramen komen?’

Daarop hebben de aanwezige vrouwen gewacht. ‘Mannen!’, roepen ze in koor.

‘Wij zijn soms linkser dan de PvdA.’ Huub Verweij, raadslid voor de VVD

Op zaterdagmorgen komt er geen lawaai uit de luidsprekers van het Muziekgebouw aan ’t IJ. In weldadige stilte drijven de Albertina Christina en de Johanna Maria richting IJsselmeer of IJmuiden. Tegenover mij zit Maarten van Poelgeest, de onbetwiste leider van GroenLinks in Amsterdam die ook in het persoonlijke erg goed is met Lodewijk Asscher. Wellicht heeft hun vriendschap de doorslag gegeven bij de vorming van het exclusief linkse college. Van Poelgeest gaat over de ruimtelijke ordening, in welke hoedanigheid hij verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van het megabouwproject nv Zuidas. En dus slijt hij, als erkende linkse hond, zijn dagen voornamelijk in het besloten gezelschap van de grote ondernemers. Hij geeft toe dat zijn dagtaak niet bevorderlijk is om GroenLinks in Amsterdam van een duidelijk gezicht naar buiten te voorzien. Maar het zijn, zegt hij er meteen bij, wel belangrijke portefeuilles om de compacte en internationaal georiënteerde stad vorm te geven.

Vrolijk stelt hij vast, dat het niet uitgekomen is wat rechts Amsterdam voorspelde toen er een links college gevormd was. Dat het met GroenLinks erbij een puinhoop zou worden. Nu het klaarblijkelijk geen puinhoop is geworden, meesmuilt hij, zegt de vvd, zie je wel, dat komt omdat GroenLinks niets in te brengen heeft. De waarschuwingen van burgemeester Cohen tegen linkse arrogantie zag hij toen al als een karikatuur van links.

‘Natuurlijk’, zegt hij, ‘kan ik GroenLinks gaan profileren met conflicten. Ik ben het er niet mee eens en daar ben ik boos over, dat soort werk. Maar daar kijken kiezers dwars doorheen. Ik ben niet van de school dat je je alleen kan profileren met ruzie.’

Hij is, zegt hij, meer van de pragmatische politieke generatie. In een stad als Amsterdam zijn er maar weinig onderwerpen die zich lenen voor politieke hardheid. Vorige generaties deden nog wel alsof. Die spraken van het socialisme met een grote S, kom op mannen, wij gaan de macht veroveren op het kapitaal. In die grote woorden voelt zijn generatie de tegenstellingen niet meer. De vvd-fractieleider Eric van der Burg ziet hij echt niet als zijn grootste vijand in het leven. Zijn generatie is bevlogen, maar niet zo ideologisch meer.

Maarten van Poelgeest: ‘Vandaar ook dat we binnen het linkse college prima kunnen samenwerken. Ik ga geen ruzie maken met Lodewijk Asscher omdat ik een klein beetje met hem van mening verschil. Toen we aantraden met dit college heerste er binnen GroenLinks de stemming van, ha, nu gaan we alles anders doen. Ik zeg: je mag al blij zijn als je een paar dingen echt kunt regelen.’

Maarten van Poelgeest is er vast van overtuigd dat dit linkse college er niet voor vier jaar moet willen zitten, maar ten minste voor acht jaar. ‘Bij de eerstvolgende verkiezingen moet GroenLinks luid en duidelijk zeggen: we gaan voor roodgroen.’

‘De raad is slap en zwak. Heel slap en heel zwak.’ Ivar Manuel, fractieleider van D66 in de raad

Als we andermaal bij Schiller aan het ontbijt zitten vraag ik het hem op de man af. ‘Mis je de vvd in je college?’ Lodewijk Asscher aarzelt lang en zegt dan, nee. En meteen daarop zegt hij: ik werk wel met ze samen in de raad. Dus in de zin heb ik ze nog een beetje. Ook vraag ik hem naar de valkuilen die hij op zijn weg ziet.

Nu aarzelt hij niet, maar somt hij ze in hoog tempo op. ‘Te weinig tegenspraak. Er zou ook eens iemand moeten zijn die zegt: armoedebestrijding, wat heeft dat nou voor zin of zo. En toch ook het milieuding, zodra dat tot symboolpolitiek leidt. En onvoldoende successen bij de uitvoering van al onze plannen, want dan komen we bij Frankenstein op de koffie. En het toepassen van dwang en drang waar mijn eigen fractie zich zoveel zorgen over maakt. Die zorgen vind ik terecht, maar durf ook over te steken. Vanuit een optimistisch denkbeeld kun je hopen dat het met alleen beloningen wel goed komt. Alleen, daar geloof ik niet in.’ ‘Het stadhuis wacht’, zegt hij als de roereieren naar binnen zijn. ‘Ik ga aan het werk.’

‘Als alle PvdA’ers waren als Lodewijk Asscher zou de politiek in Amsterdam een stuk prettiger zijn.’ Robert Flos, raadslid voor de VVD

Ach Amsterdam. In en rond de gemeenteraad is vrijwel iedereen, misschien op de Socialistische Partij na, het met elkaar eens: in de stadspolitiek speelt de politiek vrijwel geen rol meer. Ook een links college opereert er binnen een vrijwel totaal gedepolitiseerde omgeving.

Is het links om onwillige ouders hun kinderbijslag af te willen pakken? Is het rechts om het welzijnswerk strakker in de hand te krijgen? Is het links om de criminaliteit op de Wallen aan te pakken? Is het rechts om het megaproject Zuidas in een nv onder te brengen?

Het mooiste moment deed zich voor toen ik de oppositieleider Eric van der Burg vroeg naar het boekje dat Lodewijk Asscher vlak voor de laatste verkiezingen schreef en dat nu voor twee euro vijftig in de ramsj ligt. Hij spreidde zijn armen precies zoals Asscher dat op het omslag doet en hij riep verheugd: ‘Elke zin, echt elke zin, had ik precies zo kunnen schrijven.’

‘Het probleem van de integratie los je niet op met de oude links-rechtstegenstellingen. Wil je het oplossen, dan moet je het daar juist van loskoppelen.’ Eberhard van der Laan, advocaat en voormalig fractievoorzitter van de PvdA in de raad

Het allerlaatste woord is, zoals het hoort, aan burgemeester Job Cohen, volgens sommigen geliefd tot in Sydney en Tokio en in Amsterdam ook wel gewaardeerd. Hem vraag ik of het nog een beetje goed gekomen is met die linkse arrogantie waar hij op verkiezingsavond streng voor waarschuwde. Meestal wel en soms niet, zegt hij, voorzichtig als hij is. Maar dan gaat het om tamelijk eenvoudige zaken en niet om de alles en iedereen overheersende Brezjnev-arrogantie van vroeger. Zo ontstond er binnen de PvdA heibel rond de vraag of kleine fracties extra duoraadsleden mochten benoemen. Dan heeft hij zoiets van, kom op jongens, niet zeuren, doen. Maar waar hij écht bang voor was, voor de mogelijkheid dat zo’n enorm blok PvdA zou gaan zeggen, kan ons niet schelen wat anderen ervan vinden, wij doen dit en dat gewoon: nee, die vrees heeft hij laten varen.

Ik zeg dat het woord dat ik in en rond het Amsterdamse stadsbestuur het meest gehoord heb het woord verleiden is. Ook zijn college is in hoge mate afhankelijk van de al dan niet verleende medewerking van anderen.

Job Cohen zegt dat hij het met dat verleiden een beetje gehad heeft. Maar dat die afhankelijkheid zeker geldt voor de aanpak van de Amsterdamse multiprobleemgezinnen. Frankenstein is niet voor niets in Amsterdam herboren. Aan de andere kant moet hij er niet aan denken dat een links bestuur op de gedachte zou komen om alles naar de overheid toe te trekken. Dan kom je zonder mankeren terecht bij de gevreesde arrogantie. Een beetje meer stadsregie, denkt hij, kan geen kwaad. Hij ziet lichtpunten. Met de veertien stadsdelen is intussen afgesproken dat de meerderheid van acht beslist en dat de anderen dan mee moeten doen, of ze willen of niet. Het moet nog beter, maar het begin is er.

Job Cohen: ‘Zelf kan ik op het gebied van veiligheid alles doen wat ik wil.’ Ik zeg dat Amsterdam Topstad wil worden en dat tegelijk een schrikbarend groot deel van de bevolking schrikbarend ver achterblijft.

Job Cohen: ‘Ja, en die twee zullen we bij elkaar moeten brengen. Dat is de belangrijkste opgave van dit college. Het is essentieel dat we de achterblijver erbij trekken. Nog afgezien van de morele kwestie, we hebben al die handjes van al die makkers gewoon nodig.’ ‘Mist u’, vraag ik hem tenslotte, ‘de Socialistische Partij in uw college?’ Daar hoeft hij geen seconde over na te denken.

‘Ja!’, zegt hij. Die mis ik. Ik zie ook bij hen ontwikkeling. Ze doen meer mee. Ze komen met voorstellen waarvan ik denk, daar moeten we eens goed over nadenken. Wat mij betreft moeten ze een volgende keer meedoen.’ M

Gerard van Westerloo schrijft regelmatig voor M.

Krijn van Noordwijk is freelance fotograaf.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Columnist

In het artikel Hoezo linkse lente ? De balans na honderd weken links stadsbestuur in Amsterdam in het maandblad M van februari 2008 (pagina’s 19-34) staat dat een spreker op een PvdA-ledenvergadering optrad als ‘Lucas de Linkse Lul’, columnist van de website Geen Stijl.nl. De betreffende spreker, Bert Brussen, werd als zodanig voorgesteld, maar was op dat moment al gestopt met die column. Hij was van 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 als ‘Lucas de Linkse Lul’ aan Geen Stijl verbonden.