Gedonder aan de Dinkel

De gemeenteraad van Dinkelland stuurde de burgemeester naar huis. Maar de burgemeester gaat niet. „Ik ben een witte raaf. Dat is een van mijn makkes.” 

Centrum van Denekamp Foto’s Eric Brinkhorst 17-1-2008 Centrum van Denekamp FOTO: Eric Brinkhorst straatbeeld pleinen religie kerken bomen straatmeubilair Brinkhorst, Eric

De burgemeester van Dinkelland zit thuis voor de televisie, een bord op zijn schoot. Bloemkool, braadworst, gebakken aardappelen. Zijn vrouw had het voor hem klaargezet in de oven, zelf is ze naar koor. Maandag 14 januari, half zeven. EénVandaag zendt een reportage uit over het conflict tussen hem en zijn drie wethouders – een Twentse soap volgens de makers – en al die tijd vergeet hij te eten. Soms tuit hij zijn lippen en schudt hij nee. Soms knikt hij. Alleen aan het eind glimlacht hij, bij de beelden van het riviertje de Dinkel, van ooievaars op hun nest. Dan zegt hij: „Mooi hè.”

We zijn bij Frans Willeme, mijnheer Willeme. In december zegde de gemeenteraad van Dinkelland het vertrouwen in hem op, maar hij is – nog nooit vertoond in Nederland – niet van plan om weg te gaan. De gemeenteraad heeft, zegt hij, geen enkel argument tegen hem. En de inwoners van Dinkelland steunen hem. Die verzamelden zich op het dorpsplein en riepen dat de wethouders weg moesten.

Nu mag de minister van Binnenlandse Zaken, Guusje ter Horst (PvdA), bedenken hoe ze dit gaat oplossen. Afgelopen woensdag liet ze Willeme naar Den Haag komen om te horen hoe het nu volgens hem verder moet. Het was een vertrouwelijk gesprek, maar Willeme zal zeker tegen haar hebben gezegd dat drie níet-integere wethouders nooit een gemeenteraad zo ver moeten kunnen krijgen om een té integere burgemeester weg te sturen. Dan zijn alle burgemeesters vogelvrij. Dan kunnen ze voortaan maar beter gekozen worden.

En Guusje ter Horst zal hebben gezegd dat ze hem toch zal moeten ontslaan. De gemeenteraad hééft het besluit genomen. Het kan niet worden genegeerd.

Wat als de burgemeester weg moet en de wethouders kunnen blijven?

Dan zou Willeme wel eens kunnen gaan procederen, tot aan de Raad van State. En dan zou er een Willeme-arrest kunnen komen waarin staat dat hij gelijk had.

Hij is jurist, en als jurist zou hij het interessant vinden. Als mens, als burgervader die het als zijn opdracht ziet om iedereen in zijn gemeente gelukkig te maken, heeft hij het er zwaar mee. Hij zet zijn bord op tafel en steekt zijn handen omhoog, de palmen naar buiten. „Kunt u zich voorstellen hoe het is als mensen het vertrouwen in u opzeggen? Ik zeg het vertrouwen in u op. Dat vreet nog het meest aan me. Ik doe mijn werk zoals ik het altijd gedaan heb, zeven dagen in de week, vierentwintig uur per dag. Maar ik heb mijn slechte momenten.”

En dan?

„Dan ga ik op de bank liggen, midden in de nacht naar een Duitse film kijken, glas wijn erbij, nog een glas wijn. Ik weet wanneer ik moet ophouden hoor. Maar fietsen zou gezonder zijn.”

Het kan een soap genoemd worden, het conflict tussen de burgemeester (CDA) en de wethouders (2 CDA, 1 PvdA) van Dinkelland, een gemeente met 26.000 inwoners bij Almelo, tegen de Duitse grens. Maar er zijn landen waar zoiets uitloopt op een bloedbad.

Het begon ermee toen Dinkelland ontstond, acht jaar geleden. De stad Ootmarsum (4.500 inwoners) moest samengaan met de dorpen Denekamp (9.000 inwoners) en Weerselo (3.000 inwoners) en zes kleine kerkdorpen. Dat wilde Ootmarsum niet. Te trots op de oude glorie, de rijkdom van vroeger, de schoonheid. In een boek over de geschiedenis van Ootmarsum is op de dag dat de Eerste Kamer tot de herindeling besloot een zwarte bladzij geplakt.

Denekamp wilde de herindeling ook niet, want Ootmarsumers zijn roofridders, dat was in 1600 al bekend. Het gebeurde toch en het werd ruzie. Over de naam van de gemeente. (Ootmarsum? Denekamp?) Over de plaats van het gemeentehuis. (Ootmarsum? Weerselo? Denekamp?) Over de gemeentesecretaris. (Die van Denekamp?)

Tot zo ver niets bijzonders, zo gaat het in alle gemeenten die onder dwang zijn samengevoegd. Het begin is lastig, daarna went het. Zo ging het ook in Dinkelland. In elk geval leek het zo te gaan. Het gemeentehuis bleef in Denekamp, de gemeentesecretaris is van buiten, de naam is een compromis.

Maar nu de rol van burgemeester Willeme. En die van wethouder Kleissen, Eric Kleissen (CDA), de antagonist in dit verhaal. De twee andere wethouders – geen Dinkellanders – gingen er pas toe doen toen het toch al niet meer goed kon komen in Dinkelland. Het gaat om Willeme en Kleissen, hoe zij zijn, hoe zij gehandeld hebben. Vaak niet eens met opzet, maar omdat het leven zo liep – zoals in iedere soap, in iedere tragedie.

We zijn in de werkkamer van Willeme in het gemeentehuis, woensdag 9 januari. De deur is dicht, op de gang is het stil. De wethouders hebben hun kamers verderop en ze komen hier alleen als het echt niet anders kan. Willeme (55) vertelt over zijn jongensjaren in Zuid-Limburg, op verzoek, hij is geen man die dat uit zichzelf doet. Hij wilde priester worden, hij ging op zijn tiende naar het seminarie in Rolduc.

Hij zegt: „Het was niet omdat ik een roeping had. Het leek me mooi. Ik was misdienaar en ik kon goed leren, dus ik mocht naar huwelijken en begrafenissen. Ik dacht: zo’n pastoor betekent heel veel voor bruidsparen en voor rouwenden. Dat wilde ik ook graag.”

Het verdrietigste moment van zijn leven, volgens zijn moeder: toen zijn vader burgemeester in Nieuwstadt werd, nu gemeente Echt-Susteren. Het gezin verhuisde en Frans Willeme moest van Rolduc af, want hij mocht van zijn vader niet intern. Hij bleef er nog jaren om treuren en op het gymnasium in Sittard schreef hij zijn agenda vol met zwartgallige gedichten.

Maar hij ging niet terug naar Rolduc. Toen hij eindexamen deed, in 1972, was de ontkerkelijking begonnen. En zijn vader stierf onverwacht aan longkanker, op zijn negenenveertigste. „Ik had altijd veel met hem opgetrokken”, zegt Willeme. „Ik hielp hem met de financiën. Hij had daar geen feeling voor, ik wel. Het moeilijkste vond ik dat ik zelf moest ontdekken dat hij dood zou gaan. De artsen verklaarden hem genezen nadat ze hem geopereerd hadden. Ik keek in zijn dossier en begreep dat het niet waar was.”

Het werd rechten in Nijmegen. Willeme, oudste zoon, reisde zo veel mogelijk naar huis om zijn moeder bij te staan. Ze was achtergebleven met vijf kinderen en een klein pensioen. „Ik dacht: dat zal mijn kinderen niet overkomen. Ik ben op mijn negentiende gaan sparen. Koopsompolissen die zouden uitkeren vanaf mijn negenenveertigste. Ze lopen tot mijn zevenenvijftigste. Vroeger dacht ik: ouder zal ik niet worden.”

Als Willeme nu ergens om geprezen wordt, ook door de wethouders, dan is het om het solide financiële beleid dat hij altijd voor de gemeente gevoerd heeft.

In 1977 studeerde hij af, in civielrecht en strafrecht, cum laude. Zijn hoogleraar, Van der Grinten, wilde dat hij bij hem zou promoveren. Hij werd wetenschappelijk medewerker. Hij hield ervan om college te geven, zegt hij. Nog steeds komt hij oud-studenten tegen die tegen hem zeggen dat hij altijd alles kende, alles wist. „Ze zeggen dat ik uit mijn hoofd zei: kijk maar op pagina 160 rechts bovenaan, daar staat dat arrest uitgelegd.” Grappig, vindt hij.

Maar zijn proefschrift kreeg hij nooit af. Hij vond onderzoek doen niet leuk, zegt hij. En er kwam een breuk tussen hem en Van der Grinten, iets met de voorgenomen benoeming van een protestantse hoogleraar. In 1981 werd Willeme hoofd van de afdeling kabinet en voorlichting van de gemeente Geleen. Hij bedacht dat hij wilde worden wat zijn vader was geweest. „Ik wist wat hij voor de gemeenschap betekend had. Ik zag het mooie van het ambt. Pastoor of burgemeester, het verschil is niet zo groot. Het zijn geen jobs. Het is een manier van zijn.”

Hij was in 1972 al lid geworden van het CDA, toen de partij alleen nog op papier bestond. KVP, ARP en CHU moesten nog fuseren. Hij bleef uit overtuiging altijd a-politiek. Een burgemeester, zegt hij, moet zich niet met politiek inlaten. Maar bijna geen andere burgemeester die er ook zo over denkt. „Ik ben een witte raaf. Dat is een van mijn makkes.”

Dit is wat in Dinkelland over wethouder Eric Kleissen (42) verteld wordt: dat hij op één erf woont met zijn ouders, maar al tien jaar niet meer met hen praat. Toen ze zijn zoon voor zijn verjaardag een fietsje hadden gegeven, pakte hij de trekker en reed er overheen.

Eric Kleissen is ook boer. Hij melkt 180 koeien op een boerderij in Rossum, bij Weerselo, een van de dorpen van Dinkelland. Hij is ook geen man die het graag over zijn persoonlijke leven heeft, maar hier moet hij wel wat op zeggen. Dat hij niet meer met zijn ouders praat is waar. Maar van dat fietsje, dat heeft zijn moeder bedacht, om hem zwart te maken. „Ik heb alleen gezégd dat ik het zou doen.”

Een jeugd tussen twee ruziënde ouders, met een vader die niet opkon tegen de heerszucht van zijn moeder. Daar wil Eric Kleissen het bij laten. Alleen nog dit: dat zijn moeder altijd zei dat de Kleissens grote boeren waren, het land is al eeuwen in de familie. En dat ze nooit heeft willen begrijpen dat dat vroeger macht en aanzien gaf, maar nu niet meer. „Ze leeft in een wereld die voorbij is.”

Willeme leeft ook in een wereld die voorbij is, vindt Eric Kleissen. „Hij zoekt het aanzien dat een burgemeester vroeger had. Hij wil de alleenheerschappij die toen normaal was.” En dan zegt hij iets dat hij liever niet had willen zeggen: dat burgemeester Willeme en zijn moeder hetzelfde karakter hebben.

Kleissen was raadslid in Weerselo van 1998 tot 2001, toen Dinkelland ontstond. Hij stelde zich niet voor de nieuwe gemeenteraad verkiesbaar, omdat hij genoeg had van de zwartmakerij in het dorp door zijn moeder. Daarna bedacht hij dat hij wel gek leek. Waarom zou hij het uit de weg gaan? „Ik heb mezelf geleerd om er niet meer voor te buigen.”

Eind 2001 werd hij voorzitter van het CDA in Dinkelland. Vanuit die positie maakte hij de ruzies over het gemeentehuis mee, de naam, de gemeentesecretaris. Hij was geen Ootmarsumer, maar hij vond dat Denekamp te dominant was. Hij vond dat Willeme, voorheen burgemeester van Denekamp, nooit burgemeester van Dinkelland had mogen worden.

Eric Kleissen ging in die tijd op bezoek bij de commissaris van de koningin om zich erover te beklagen. Willeme zegt dat Kleissen toen al twee keer om zijn ontslag heeft gevraagd. Kleissen zegt: „Dat is honderd procent niet waar.” Maar er moet wel een wet komen, vindt hij, die verbiedt dat burgemeesters langer dan twee termijnen in een gemeente te blijven.

De ruzies waren vooral binnen het CDA, met rond de dertien zetels altijd de grootste partij in Dinkelland. Ze werden zo heftig dat het CDA scheurde, in 2003. Toen waren er in Dinkelland twee CDA’s, waarvan er één Nieuw Dinkelland ging heten. (Later gefuseerd met andere lokale partijen tot Lokaal Dinkelland.) Er zaten vooral Denekampers in. In het nieuwe, gehalveerde CDA zaten vooral Ootmarsumers en Weerseloërs.

De ontknoping van dit verhaal begint met de gemeenteraadsverkiezingen van 2006, toen het CDA negen zetels kreeg en Lokaal Dinkelland zeven. Bij elkaar nog steeds de meerderheid, want de PvdA kreeg er drie en de VVD twee. Willeme, die van zo harmonie houdt, wilde een college met alle partijen erin. Maar het CDA wilde dat niet. Geen sprake van. Eric Kleissen, die nu wethouder zou worden, vond dat Willeme zich er niet mee te bemoeien had.

Het werd CDA en PvdA, en Lokaal Dinkelland ging samen met de VVD in de oppositie. Het was Lokaal Dinkelland dat in december 2007 samen met de VVD de burgemeester steunde. En het was het CDA dat samen met de PvdA tegen hem stemden.

We zijn weer bij Willeme, maandag 14 januari. Straks zal hij naar huis rijden, voor de uitzending van EénVandaag. Nu zit hij nog aan de grote tafel in zijn werkkamer. Aan deze tafel vergadert hij elke dinsdagochtend met de wethouders. Die vergaderingen, zegt hij, zijn de laatste tijd kort. Maar geen sprake van dat Dinkelland nu onbestuurbaar is. „We hebben net unaniem de begroting van 2008 vastgesteld.”

Hij kwam in 1988 naar Denekamp, nadat hij gemeentesecretaris in Oegstgeest was geweest. Het idee was dat hij na een jaar of zes naar een grotere gemeente zou gaan, een normale loopbaan voor een burgemeester. In 1994 werd hij gevraagd om te solliciteren in Kerkrade, 56.000 inwoners. Hij kreeg de verzekering dat Thijs Wöltgens, fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer en geboren in Kerkrade, niet zou solliciteren. Anders, wist hij, zou hij geen kans maken. „Ik eindigde op nummer één. Maar toen kwam het eerste paarse kabinet en daar paste Thijs Wöltgens niet in. Toen werd hij burgemeester van Kerkrade.”

Daarna is het nog drie keer zo gegaan, zegt hij. In Venlo, in Weert, in Heerlen. Steeds stond hij op één en steeds werd er om partijpolitieke redenen een ander benoemd. De laatste keer was in 1999, en toen had hij geen zin meer. Hij ging dingen naast zijn werk zoeken. De commissaris van de koningin zei dat er wel weer kansen zouden komen bij de gemeentelijke herindeling. „Hij zei dat ik dan gemakkelijk weg zou komen.”

Maar hij werd burgemeester van Dinkelland.

Dat had niet moeten gebeuren. Willeme zegt het zelf ook. „Het is een weeffout.” Hij solliciteerde, zegt hij, omdat de gemeenteraad het vroeg. En omdat de burgemeester van Weerselo ook solliciteerde. „Mijn fout is dat ik niet heb geweigerd toen de minister me belde om te zeggen dat ik het geworden was.”

De rest is een invuloefening. Na de verkiezingen van 2006 kwam Willeme in een college met Eric Kleissen, die hij wel goed vond – hij noemt hem een van de beste wethouders die hij heeft meegemaakt – maar van wie hij wist dat die hem weg wilde hebben. „Dat had hij kort voor de verkiezingen nog gezegd.” Er kwamen twee wethouders bij die niet voldeden aan zijn morele normen. „De burgemeester is er om die te bewaken.”

Evert-Jan Krouwel (52, PvdA) was chantabel, vond Willeme. Niet, zegt hij, vanwege het feit dat Krouwel vroeger als docent een verhouding had gehad met een leerlinge van zestien. (Wat door Krouwel bevestigd wordt.) „Het was ernstiger. Ik heb daar een politieonderzoek naar laten doen, het resultaat daarvan is vertrouwelijk. Het was voor mij aanleiding om hem in overweging te geven om geen wethouder te worden. Ik ben blij dat de raad de integriteit van de wethouders nu ook onderzoekt. Mijn gelijk zal blijken.” (Krouwel zegt dat hij bij de politie geïnformeerd heeft en dat daar niets strafbaars van hem bekend is.)

Rob Engbers (35, CDA), verzweeg volgens Willeme in hun eerste gesprek dat zijn vrouw raadslid was in Oldenzaal, wat een belangenconflict zou kunnen opleveren. Engbers verzweeg nog meer, zegt Willeme. „Dat zal nu ook blijken.” Het stoort hem ook dat Engbers nog niet naar Dinkelland verhuisd is, al zou hij dat binnen een jaar doen. „Hij is zijn belofte aan de raad niet nagekomen.” (Engbers wijst erop dat de raad heeft ingestemd met uitstel.)

Het zal niemand verbazen dat de burgemeester en de wethouders van Dinkelland vanaf de eerste dag niets van elkaar verdroegen. Maar echt grote dingen waren er niet. De wethouders beginnen alledrie over het radio-interview dat Willeme in oktober 2006 met de lokale omroep had en waarin hij zei dat de beste spelers op de bank zaten. Hij bedoelde de wethouder van Lokaal Dinkelland uit het vorige college. Kleissen: „Wat dacht hij wel! We zijn geen kleine kinderen!”

Ze noemen ook de betweterigheid van de burgemeester, dat ze niets konden zeggen, of Willeme wees ze erop dat ze juridisch fout zaten, dat ze de financiële consequenties niet begrepen hadden. Willeme: „Ik begrijp dat het niet leuk voor ze was en het is lastig om het van mezelf te zeggen, maar ik had altijd gelijk.” Kleissen: „Het was altijd zíjn gelijk, zíjn waarheid. Op het laatst kon ik het niet meer verdragen.”

Toen kwam de collegevergadering van 30 oktober 2007. Op de agenda stond het gebruik van de hal van het nieuwe gemeentehuis voor feesten en partijen. Willeme vond dat daar afspraken over gemaakt moesten worden en opeens hadden de wethouders er genoeg van. Dit moest ophouden. Ze noemden nog veertien andere punten die volgens hen bewezen dat er geen samenwerking meer mogelijk was.

Dat de wethouders niet wisten wie er waren uitgenodigd bij de opening van het nieuwe gemeentehuis. Dat ze sowieso niet bij de opening betrokken waren geweest. Dat ze niet eens waren meegevraagd bij het greun halen. Dat ze de burgemeester met u en mijnheer moesten aanspreken. Dat hij onder een hoedje speelde met Lokaal Dinkelland. Enzovoort.

Eric Kleissen zegt dat het niet was voorbereid. En nee, hij had er ook niet op zitten wachten. „Het gebeurde gewoon.”

Op 6 november zeiden de wethouders het vertrouwen in de burgemeester op. Ze gingen naar de commissaris van de koningin om dat te melden. Hij weg of wij weg. Daarna vroegen ze hun fracties in de gemeenteraad om ook het vertrouwen op te zeggen.

En dat was dat.

Ondertussen hield Willeme bij welke procedurefouten er werden gemaakt en wat er in strijd was met de wet. Sneu, dat vindt hij zelf ook. „Als mensen het niet op de inhoud kunnen winnen, gaan ze het zo proberen.” Maar hij moet wel, zegt hij. „Juridisch is er geen reden om mij te ontslaan. Het kan alleen als de raad een bewezen duurzaam verstoorde relatie met de burgemeester heeft. En dat is niet zo. In juni 2007 heeft de raad mij nog positief beoordeeld.”

Als de bloemkool en de braadworst op zijn, zegt Willeme dat hij er in december natuurlijk wel over gedacht heeft om weg te gaan, wat de commissaris van de koningin en de minister hem ook vroegen. „Maar dan? Ik woon hier wel en dan word ik een martelaar. De bevolking staat achter mij. Het is niet in het belang van Dinkelland.”

En verhuizen?

„Wat denkt u dat mijn vrouw en kinderen daarvan vinden? Dan ben ik mijn baan kwijt, mijn huis kwijt, alles kwijt.”

Hij begrijpt best dat de wethouders van hem af wilden, zegt hij. Dat het mooi was geweest na negentien jaar. „Daar ben ik het niet mee oneens.” Maar ze hadden het anders moeten aanpakken. Niet zo maar roepen dat ze het vertrouwen in hem opzegden, want juridisch kunnen wethouders dat niet eens. Ze hadden het hem gewoon kunnen vragen. Hij had, zegt hij, voor 30 oktober 2007 al een mooie dag voor zijn afscheid gekozen.

Had hij dat dan niet gewoon tegen hen kunnen zeggen?

„Zo waren de verhoudingen niet.”

En wat is nu de oplossing?

„Dat we allevier worden weggestuurd. Daar zou ik vrede mee hebben.”

Willeme wijst naar de stapeltjes gekleurde plastic munten in de vensterbank. Daar kan hij consumpties mee kopen op de gala-avonden ter voorbereiding van het carnaval. Deze weken heeft hij er bijna elke avond een. Ook in Ootmarsum, ook in Weerselo, ook in Rossum. „Ik word overal uitgenodigd, ik ga overal heen. De commissaris van de koningin en de minister zouden eens moeten komen kijken. Dan konden ze zien hoe de bevolking van Dinkelland over me denkt.”