Feestelijk beroofd

Het was andermaal een historische dag, rondom Mandela. In 1994.

Nelson Mandela omarmt Desmond Tutu. Foto AP Photo/David Brauchli President Nelson Mandela gets a hug from Archbishop Desmond Tutu of Capetown after Mandela was sworn in as president of South Africa at the Union Buildings in Pretoria, Tuesday, May 10, 1994. (AP Photo/David Brauchli) Associated Press

‘Ik eis aandacht”, zegt de man. Hij is zwart, slordig gekleed, over zijn toeren en boven zijn theewater. Ik schat hem op dertig, met een slopende levensstijl. Zijn vuist hamert op de desk van het centrale politiekantoor van Kaapstad. „Ik heb recht op een antwoord”, lalt hij. „Zeker vandaag.” Geen van de agenten let op hem, in de hectische drukte die vast al de hele dag aanhoudt.

Ik zit zelf al een uur te wachten, tot een agente haar belofte wil nakomen me te helpen. Maar mij kan het tijdverlies niet schelen. Ook ik bevind me in hogere sferen.

Het is 1994.

Het was andermaal een historische dag. Nelson Mandela werd ‘s middags door het parlement officieel gekozen tot president elect. Na afloop zou hij speechen vanaf het balkon van het vroegere gemeentehuis, in vogelvlucht dertig kilometer van Robbeneiland, waar hij een kwart eeuw gevangen zat.

Het bescheiden, koloniaal ogende pand ligt aan een lang en smal plein, The parade, vlakbij het station en het zakencentrum. „Neem niets mee naar de parade”, hadden vrienden me gewaarschuwd, „geen geld, geen polshorloge, bankkaart, fotoapparaat, níets. We hebben de grooviest president in the world, maar ook de beste zakkenrollers.”

Ik moest diezelfde dag mijn retourticket omboeken, ik wilde nog langer blijven, de geschiedenis knarste hier te hoorbaar en te zichtbaar. Ik begaf me vroeg genoeg naar mijn luchtvaartmaatschappij – ook al gelegen aan de parade. Na de omboeking zou ik mijn spullen naar mijn logeerflat terugbrengen om gezwind terug te keren voor het volksfeest. Ontdaan van alles, op kleren en schoenen na.

Toen ik echter – met paspoort, nieuw ticket, baar geld, twee bankkaarten en een reischeque in de borstzak van mijn jeansjasje gepropt – het luchtvaartkantoor verliet, zag ik ze al komen aanrollen. In golven, het station uit, over the parade heen: de massa’s, per golf synchroon de toyi-toyi dansend, in alternerende koorzangen uitbarstend, uitgelaten, sommigen wenend. De golven bleven maar komen, naar het voormalige gemeentehuis opstuwend. Hier en daar werd de samenzang doorsneden door een schrille vrouwenstem, ululating, ‘vreugdevol jammerend’, als stond er ook een Arabisch huwelijk op het program. „Als ik nu wegga”, dacht ik, „geraak ik nooit nog in de buurt van dat balkon.” Ik liet me, gelukzalig gewillig, onverschillig voor mogelijke narigheid, meevoeren met de stroom.

Toen die tot stilstand kwam, had ik een uitzicht als op eerste rang.

Het spits werd afgebeten door een imbongi, een traditionele prijsdichter – half medicijnman, half poète maudit. Blootsvoets, in beestenvellen gehuld, wild gesticulerend, met rauwe stem uithalend in Xhosa, de taal met de tongklikken, de moedertaal van Mandela. Net als een hofnar lacht een imbongi de machtigen en de leiders die hij prijst ook uit, door hen te herinneren aan hun afkomst. Ook zij zijn ooit begonnen als herder of zwerver, hun huidige aanzien ten spijt hebben ook zij drollen geraapt. Wat zijn ze zonder de gemeenschap die ze mogen leiden?

Na de imbongi verscheen misschien wel de echte nar op het balkon. Bisschop Desmond Tutu. Van lengte bijna een dwerg, van gelaatsuitdrukking een extatische kobold, straalde hij niettemin iets verhevens uit. Zelfs toen hij, molenwiekend in zijn paarse bisschopstenue, in dansen leek te zullen uitbarsten, als een bejaarde Prince, de menigte opzwepend met die iele stem van hem. „Free! We’re free at last!”

Het contrast met Nelson Mandela kon niet groter zijn. Hij sprak ernstig, streng, gortdroog. Op het eind stak hij één keer zijn oude vuist de lucht in en riep, bedaard, ‘amandla’: ‘de macht’. Waarop het hele plein, ontroerd, uitzinnig, of beide, antwoordde met ‘ngawethu’: ‘aan ons’. Daarmee was de plechtigheid afgelopen. Aan de andere kant van het plein begon een band ketelherrie te spuien. „Hier wil ik een aandenken van”, dacht ik, met moeite ontnuchterend. Ik zag een kraampje, met banieren en mutsen en andere ANC-parafernalia. Plots moest ik denken aan de waarschuwing van mijn vrienden.

Ik hoefde niet eens naar mijn borstzak te tasten. Hij was leeg. Godweet hoe lang al. Ik had er niets van gemerkt.

Ik voel zowaar iets van plaatsvervangende trots.

„Wat is je probleem?”, vraagt agente, die mij had zullen helpen, aan de querulant die nog steeds voor de desk aandacht opeist. Hij slaat meteen om, van knorrig naar smekend en poeslief. „Ai Tannie”, zegt hij, „tantetje, kan ik hier niet rustig effe roken?” Hij haalt een knoert van een joint tevoorschijn. „Als ik het buiten doe, pakt de politie mij op.”

Zij barst in ongelovig lachen uit. Een flitsend wit gebit. Is ze van origine Indisch of Cape coloured? „Eentje dan”, zegt ze. „En daarna wegwezen. Akkoord?” Ze draait zich hoofdschuddend om naar mij.

Hij knikt en steekt nauwgezet op. En inhaleert diep, als aan een zuurstofpijpje lurkend.