Elke crisis begint met optimisme

Al honderden miljarden zijn door centrale banken in het geldcircuit gepompt. Amerika verraste met de grootste renteverlaging sinds een kwart eeuw. Het is crisistijd. De zoveelste. Wat hebben die crises gemeen? En wat maakt de huidige ook weer anders?

The Great Crash, Wall Street, 1929. Nu het déjà vu. Nieuwe financiële producten, nieuwe klanten, grote stroppen, bedelende banken. Brother can you spare a billion ? Foto AP Wall Stree in trading panic - Crewds stand on the top of the Sub Treasury Building across the street from the New York Stock Exchange when collapse of the market was reportet due to heavy trading, Oct. 24, 1929. (AP-Photo) Associated Press

Vijf Amerikanen staan te wachten op het beloofde privévliegtuig. Zij zijn bang. Bang door de aanslagen op het World Trade Center in New York en het Pentagon in Washington een paar dagen eerder. Al het reguliere vliegverkeer in de Verenigde Staten is verboden. Ze willen naar huis.

Ze zouden een zakenvliegtuig huren, maar de boekhouder van hun werkgever, zakenbank Lazard Frères, stribbelt tegen. Moet dat 75.000 dollar kosten? Terwijl we moeten bezuinigen? Nee. Vraag maar of je het vliegtuig van de baas mag nemen. Vraag het maar Michel David-Weill. Maar de verzamelaar van Franse schilderkunst, en haute-financepatriarch van Lazard, weigert. Niemand mag weten dat hij een vliegtuig heeft. Maar iedereen weet het.

Uiteindelijk stemt hij toe, schrijft William Cohan in zijn boek over Lazard, getiteld The last tycoons (2007). David-Weill blijkt zijn vliegtuig wel al aan een zakenrelatie toegezegd te hebben. Aan Tim Barakett, manager van Atticus, een hedgefonds. Geen nood. Het vijftal kan samen met hem terug. Onderweg doen ze zich te goed aan de wijnvoorraad.

De terreuraanslagen waarvoor de mannen vluchtten markeerden de eclips van de American century. En ze bewerkstelligden, onbedoeld, een aardverschuiving in het financiële bestel.

De zakenbank Lazard Frères is oud geld, een firma die meer dan 100 jaar geld verdient met adviezen over fusies en overnames. Een bank ook van relaties en kennis in een tijdperk waarin niet relaties en kennis, maar de omvang van het kapitaal de doorslag zal geven. Het tijdperk van de ‘nieuwe’ kapitalisten zoals Tim Barakett van Atticus, een activistische aandeelhouder die er niet voor terugdeinst om Deutsche Börse, Euronext of Barclays Bank op de korrel te nemen. Daarmee verdient hij naar schatting 200 tot 600 miljoen dollar. Per jaar. Daaraan kunnen de partners van Lazard niet tippen.

De New Power Brokers noemt adviesfirma McKinsey de nieuwe kapitalisten, zoals hedgefondsen en private-equityinvesteerders (financiële opkopers). Zij hebben één ding gemeen: lust om geld te lenen en zo hun rendement te verhogen.

Maar waar zouden ze zijn zonder de zakenbanken, die hun eigen kapitaal van honderden miljarden dollars inzetten in de financiële handel, die tussenpersoon zijn bij de handel van hedgefondsen en de financiële opkopers en die een hoofdrol spelen in het kopen, verpakken en doorverkopen van woninghypotheken en andere effecten. Van autoleningen tot creditcardschulden.

Na 11 september kwam boven Amerika de zon weer op. De economie veranderde in een boomtown. De Amerikaanse droom in de nieuwe eeuw: ook de minder solvabele klant heeft recht op een hypotheek voor een eigen huis. Koop nu, betaal later, huizen worden toch altijd meer waard. Zo blies een keten van consumenten, financiers, tussenpersonen, speculanten en beleggers een luchtballon van almaar hogere bedragen op.

Nu loopt de lucht eruit.

Zo gaat dat bij financiële luchtballons. Of het nu de excessieve leningen waren van westerse banken aan Zuid-Amerikaanse en Oostbloklanden eind jaren zeventig. Of de Amerikaanse spaarbankcrisis in de jaren tachtig. Of de beurskrach van 1987. Of de Japanse bankencrisis van de jaren negentig. Of de eerste grote hedgefondscrisis in 1998. Of de Rusland-of Aziëcrisis. Of de koersval begin 2000 van internetaandelen.

Elke financiële crisis is anders, maar tussen alle crises bestaan ook overeenkomsten. De laatste grote bankencrisis brak tien jaar geleden uit.

Het is dinsdag 29 september 1998 en voorzitter Alan Greenspan van het stelsel van Amerikaanse centrale banken, de Federal Reserve, leidt een telefonische conferentie met zijn staf en de regionale presidenten. Agendaonderwerp: de nasleep van het bankroet van de speculatieve belegger Long Term Capital Management (LTCM). Die had zoveel geleend dat de markt én de banken gevaar liepen. Greenspan ziet de lijst met betrokken Wall Street financiers. „Just mind boggling.” Onder de oprichters van LTCM bevindt zich een ex-collega, plus twee Nobelprijswinnaars.

Een van de crisismanagers van de ‘Fed’ neemt met het telefonische gezelschap de cijfers door. De 2,8 miljard dollar aan eigen kapitaal van LTCM is door verliezen weggevaagd. Er zijn nog wel 1.450 miljard dollar aan verplichtingen buiten de balans. Directeur bankentoezicht Richard Spillenkothen somt drie punten op om lering uit te trekken. Kan iets een eigen bancaire analyse van de kredietwaardigheid van een klant vervangen? Is de risicobeheersing in de financiële wereld in de praktijk net zo goed als op papier? En, als derde, heeft de perceptie van de reputatie van de mensen waarmee de banken zaken doen niet een verkeerde invloed op hun beleid?

Wie de tekst van de conference call terugleest, krijgt een déjà-vu-gevoel. Peter Fischer, een van Greenspans adjudanten, vat de omloopsnelheid in de financiële arena in twee zinnen samen. „Een ervaren handelaar heeft een referentiekader van vijf jaar, een junior trader heeft een jaar ervaring.” (Gelach), zegt de tekst van het telefoongesprek.

Aan elke crisis gaat optimisme vooraf. „In goede tijden zijn mensen goed van vertrouwen, en geld is ruimschoots beschikbaar”, schreef econoom John Kenneth Galbraith in The Great Crash over de beurskrach van 1929. Dan maakt de kredietgroei vaart, meer financiers gooien hun kapitaal in de strijd, nieuwe klanten voor de nieuwe financiële producten worden ontdekt, de eerste tegenvallers nog ontkend, het optimisme brengt een laatste golf van ‘gelovigen’ in nieuwe producten teweeg.

En dan opeens ...

„Grote onzekerheid over de kwaliteit van deze producten zorgde voor een abrupte omslag van een fase van grote risicotolerantie naar sterke risico-aversie van marktpartijen”, schreef president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank afgelopen week aan de Tweede Kamer.

Als de crisis eenmaal een feit is, resten harde keuzes. Pompen of verzuipen? De internationale financiële wereld en zijn nationale toezichthouders zijn nu aan het pompen. Reddingsacties voor banken in Duitsland en Engeland. Plotselinge Amerikaanse renteverlaging. Wereldwijd 230 miljard dollar aan geldinjecties door centrale banken voor de banken. Wellink over deze steun: „Nooit gedacht dat we dat nog eens zouden doen.”

Menig aspect van deze crisis is vertrouwd. De zekerheid van stroppen. De kuddegeest in het financiële bestel. De traditie dat ergens in het financiële systeem iemand in staat blijkt om onnavolgbare schade aan te richten.

In Dr Strangelove or How I learned to stop worrying and love the bomb begint generaal Jack D. Ripper zijn eigen oorlog. In film is het fictie. In de financiële wereld is het equivalent een feit dat almaar terugkeert. Dit maal heet Ripper Jérôme Kerviel.

Wat zijn naast de overeenkomsten de verschillen met vorig financieel onheil? Het eerste is de omvang en complexiteit van de financiële handel, van de speculatie en van de stroppen. Handelaar Kerviel richtte met zijn 4,9 miljard euro aan verliezen bij Société Générale vijf keer zoveel schade aan als Nick Leeson bij elitebank Barings twaalf jaar eerder. De ruim 14 miljard dollar strop van zakenbank Merrill Lynch op beleggingen en handelsvoorraden met tweederangs woninghypotheken en andere effecten was ruim het dubbele van het grootste verlies van een hedgefonds. De opgeblazen bedragen weerspiegelen de vermenigvuldiging van de omzet op de financiële markten in een kwart eeuw van liberaliseringen in Europa, Japan en de Verenigde Staten.

De conventionele wijsheid van centrale banken en politici was dat hedgefondsen het grootste risico vormden voor het financiële bestel, en dat banken deze sprinkhanen die ongemanierd het veld afgraasden het best in het gareel konden houden. De praktijk blijkt het tegenovergestelde: banken worden gecontroleerd, maar scheppen zelf de grootste risico’s.

Het tweede verschil of nieuwe element is de omvang van de financiële prikkels. De beloning van hypotheekverkopers, tussenpersonen, hedgefondsmanagers en zakenbankiers is gekoppeld aan de waarde van hun transacties. De gegroeide bedragen vertalen zich in ongekende opbrengsten voor de mensen die de zaken tot stand brengen.

Hoe de transactie vervolgens afloopt is niet de zaak van al die financiële spelers. Anders gezegd: het tijdsverschil tussen het boeken van de hypotheek en de aflossing over dertig jaar is nu teruggebracht tot dagen, hooguit weken. En de bank die vroeger de hypotheek zelf financierde en op haar balans zette, verkoopt hem nu, gebundeld met andere hypotheken, door aan een volgende partij. Aan een zakenbank bijvoorbeeld, die het pakket eerst uit elkaar rafelt in losse stukken, die weer bundelt met andere losse stukken, en dat dan verkoopt.

Eigen kredietanalyse (les 1 uit het Long Term Credit Management-debâcle) hoeft niet meer, de lening wordt toch doorverkocht. Nee, de analyse wordt uitbesteed aan een kredietbeoordelaar, die een rating geeft. De bank betaalt. Het proces zit zo in elkaar dat prima ratings uit de bus komen.

De financiële prikkel was, zo is nu het verhaal, ook de drijfveer voor handelaar Kerviel. Hij hoopte met zijn verdoezelde transacties ter waarde van 55 miljard euro een bonus van drie ton en daarmee aanzien te verdienen.

Het derde verschil sluit hierop aan. Banken werken wel hard om leningen en hypotheken af te sluiten, en de bijbehorende provisie te nemen, maar vervolgens doen zij hun best om alles zo snel mogelijk door te verkopen. Nieuw voor de financiële wereld is dat banken buiten hun balans nog aparte handeltjes opzetten. Daarin begingen zij een klassieke fout. Ze leenden op korte termijn en belegden op lange termijn. Als de renteverhoudingen wijzigen of als de markt opdroogt of als zij stroppen lijden op hun beleggingen is dit zakenmodel een flop (les 2 van LTCM). Zo ging het afgelopen zomer. Twee Duitse en een Britse bank kwamen in acute geldproblemen.

Hadden de bankentoezichthouders dit na het bankroet van off balance kampioen Enron in 2001 niet kunnen zien aankomen? President Wellink van De Nederlandsche Bank verweerde zich laatst op tv in Buitenhof met een verwijzing naar de eerste vlucht van de gebroeders Wright. Hadden zij vooraf een vliegbrevet moeten halen? Nee, dat zou de innovatie nekken.

Maar er is een groot verschil: de gebroeders Wright zetten hun leven op het spel, maar gokkende handelaren zetten het kapitaal van de bank op het spel. Gaat het faliekant mis, dan lopen spaarders risico’s. Afgelopen week nam Wellink in de Tweede Kamer wat gas terug: „De onschuldigen mogen niet het slachtoffer worden.”

Het vierde – en laatste – verschil is nog niet uitgekristalliseerd. De nieuwste ‘nieuwe kapitalisten’ zijn de autocratische oliestaten en opkomende economieën die met kapitaalinjecties van hun staatsinvesteringsfondsen westerse banken op de been houden. Zijn zij de langetermijnbeleggers die bij uitstek de financiële driften kunnen disciplineren? Of zijn zij de gokkers die als laatste aan de roulettetafel aanschuiven? De centrale banken hopen op het eerste. Dat wordt een test voor les 3 van LTCM: de perceptie van reputaties.

Lees de tekst van de conference call van Greenspan op nrc.nl/economie