De stelling van Frank Westerman: Er is nu wel genoeg boerenland verdronken

Akkerbouwers staan sinds de jaren negentig onder druk van natuurontwikkelaars. Sinds kort zijn daar de water-beheerders bijgekomen. Maar de gestegen graanprijs laat zien dat de akkerbouw toekomst heeft in Nederland, zegt schrijver Frank Westerman tegen Marc Leijendekker.

Je hebt een nieuw slothoofdstuk toegevoegd aan je boek ‘De graanrepubliek’, over het verdwijnen van de grote graanboeren uit Groningen. Het spookbeeld was dat binnen een paar jaar alles weg zou zijn. Wat is er veranderd?

„Het loopt toch altijd weer anders dan je denkt. Ruim tien jaar geleden heb ik voor dat boek veel rondgekeken in Oost-Groningen. Het is een van de mooiste graangebieden ter wereld. Tien ton tarwe per hectare, dat haal je ergens anders alleen in laboratoriumomstandigheden. Door het slib van de Dollard is de grond buitengewoon rijk. Maar toch was de stemming onder graanboeren somber. Ik sprak met een oud mannetje dat zei: over tien jaar is de akkerbouw helemaal verdwenen uit Nederland. Enorme stukken vruchtbare grond werden onttrokken aan de landbouw om weer ‘teruggegeven’ te worden aan de natuur. Het was niet lonend meer, en de natuurlobby claimde het land. Biologen tegenover boeren.

„Wat niemand toen had voorzien, wat waarschijnlijk ook niemand had kunnen voorzien, is dat de claim van de waterschappen op het land zo veel sterker is geworden. Die blauwe lobby is sinds kort sterker dan de groene. En bovendien is de akkerbouw weer gaan renderen. De graanprijs is zo hoog dat die niet meer ondersteund hoeft te worden. De FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie in Rome, waarschuwde vlak voor Kerst dat de wereldvoedselvoorraad slinkt. Die is op het laagste niveau in 35 jaar.

„We moeten ons nu echt af gaan vragen of het geen historische vergissing is om gronden aan de landbouw te onttrekken om daar natuur van te maken. Zullen we in 2030 niet in de schoolboekjes lezen dat de traditie van landwinning tussen 1990 en 2010 tijdelijk werd omgekeerd omdat we dachten dat we het land konden missen?”

Waarom die data? Waarom 1990?

„Laten we even teruggaan in de tijd. Kijk eens naar de kaart van Noord-Nederland. Elke polder is een verovering geweest op de zee. Allemaal hebben ze een jaartal waarin ze zijn drooggelegd. Het lijkt wel een veldslag. Die polders vormen de jaarringen van Nederland. Die laten een traditie van eeuwen zien van waarin er steeds meer land is ingedijkt en ingepolderd.

„Ergens in de jaren zestig, zeventig is dat proces tot stilstand gekomen. De laatste grote inpoldering was de Flevopolder. Die was voor een deel mislukt, en op de plaats waar een industrieterrein was gepland, ontstonden de Oostvaardersplassen. Dat was een keerpunt. Ineens ging het er niet meer om natuur te behouden. Nee, we ontdekten dat we ook natuur konden máken. Ecologen pleitten ervoor wetlands te maken, zoals het vroeger in Nederland was. Moerassen. Er werd in 1990 een Natuurbeleidsplan gelanceerd waarin stond dat we tot 2025 een kwart miljoen hectare cultuurgrond zouden opgeven. Dat is vijf Noordoostpolders bij elkaar. Rietkragen moesten er komen, vogels.”

En de boeren wilden dat niet, die willen een monocultuur. Al die ganzen eten het graan maar op.

„Ja. Het was een enorm offensief van de natuurlobby. Bij hetzelfde loket, het ministerie van Landbouw, kon je aan de voorkant subsidie aanvragen voor ontwatering van een polder en aan de achterkant voor het onder water zetten van polders. De boeren dreigden uit te sterven, maar het ging meer om de bescherming van met uitsterven bedreigde diersoorten.

„De belangen stonden lijnrecht tegenover elkaar. De landbouw is gebaat bij een ontwaterde polder, dus met goede afwatering en een laag grondwaterpeil. De natuurlobby wilde juist drassig land. En die laatste kreeg de overhand. De landbouw was aan het zieltogen, vooral de akkerbouw, de grondgebonden landbouw. Het werd te duur, en de boeren kregen geld om met hun handen van het land af te blijven. Dat is de zogeheten ‘ verplichte braak’ – het is overigens tekenend voor de omslag dat die met ingang van 1 januari is afgeschaft. Het is helemaal niet te duur meer. Het is eigenlijk net als met aardolie. De Nederlandse Aardoliemaatschappij gaat het veld bij Schoonebeek ook weer exploiteren omdat de olieprijs zo is gestegen en dat nu weer rendabel is geworden.”

Maar je pleit niet alleen voor heroverweging omdat de exploitatie van graan er een stuk gunstiger uitziet.

„Klopt. Er is nog een andere reden waarom het onder water zetten van cultuurland ons duur kan komen te staan. De klimaatverandering en de bijbehorende stijging van de zeespiegel hebben een omslag afgedwongen in ons denken over waterbeheer. Het besef is doorgedrongen dat je bij dreigende overstromingen er niet komt met pompen en malen alleen, maar dat je het water tijdelijk moet kunnen bergen in overloopgebieden. Welnu, een natuurplas is al nat, daar kun je in geval van nood niet veel water meer op lozen. Maar de landbouwpolders zijn diep, goed bemalen, dus daar kun je als het moet veel meer water in kwijt.

„Symbool voor die omslag is de status van de dijkgraaf, de voorzitter van een waterschap. Een paar jaar geleden was ik op een bijeenkomst ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Unie van Waterschappen. Toen was de teneur: we zullen de 100 jaar niet halen. Dat is ineens heel anders geworden. In ieder geval in Groningen staat de dijkgraaf weer naast de burgemeester.”

Want die zal ervoor zorgen dat er geen water naar binnen sijpelt in het Groninger museum.

„Precies. Dat dreigde eind oktober 1998. Toen werden de kunstschatten van het museum bedreigd door het wassende water dat langs de wanden de kelder binnenstroomde. En als een strateeg van de Hollandse waterlinie heeft de Commissaris van de Koningin toen besloten: we offeren die en die polder, om de stad te beschermen. Dat is toen beleid geworden. Iedereen dacht: door de klimaatverandering moeten we rekening houden met het vaker voorkomen van extreme regenval, met zulke hoge waterstanden dat we niet kunnen spuien. Dat vergt een heel andere manier van denken. De dijkgraaf van het waterschap Hunze en Aa’s, voor Noordoost-Drenthe en Oost-Groningen, kwam toen met een kaart waarop elf landbouwpolders blauw waren gearceerd. Die zouden onderlopen als de nood aan de man kwam. De boeren stonden natuurlijk meteen op hun achterste benen. Waarom moesten zíj de dupe worden.”

Daar zit toch een zekere rationaliteit in?

„Alleen ervaren de boeren het als een groot onrecht. Van oudsher zijn zij landaanwinners en ontginners, en nu wordt hun keurig in cultuur gebrachte land als eerste opgegeven als het erom gaat spannen. Maar er zijn ook andere oplossingen denkbaar.”

Het laat in ieder geval zien dat we anders omgaan met water.

„Zeker. De filosofie is nu dat je niet tot het oneindige de zee buiten kunt houden – ik denk overigens dat dit wel kan, misschien niet in Bangladesh, maar wel in Nederland. Maar de gedachte is nu dat we moeten meebewegen met het water. Buigzaam zijn als het riet. Als het dan eens springtij is, met een noordwesterstorm, dan hebben we dijken nodig die vooral stevig zijn. Ze hoeven niet zo hoog te zijn, ze moeten vooral stevig zijn. Laat de hoogste golven daar maar overheen slaan, en vang dat water erachter op. Eigenlijk is het hele idee van een zeewering geen linie meer, maar een zone.”

Die andere omgang met water zie je ook bij koninklijk bezoek. Koningin Wilhelmina heeft in 1932 de Afsluitdijk geopend. Koningin Juliana sloot in de jaren zestig het Lauwersmeer af. Maar koningin Beatrix heeft in Groningen de kraan opengedraaid om een stuk land onder water te laten lopen.

„Dat is de Blauwe Stad geworden. Twee jaar geleden heeft koningin Beatrix acht vierkante kilometer van haar koninkrijk onder water gezet. Allemaal landbouwgrond, en zeker geen slechte. Het was een soort omkering van de geschiedenis. Vroeger was er een cultuurlandschap van rechte lijnen, kijk maar naar de sloten, elektriciteitsmasten, wegen. Nu richten de landschapsarchitecten bureautjes op met namen als Meander, of Stroming, en maken ze kronkels op de tekentafel. In de Blauwe Stad zijn bochtige beekjes aangelegd. Huizen staan op terpen met daaromheen gegraven kreken. Door de bemaling stop te zetten is op het landschap van vroeger met zijn rechte lijnen een soort passieve euthanasie gepleegd.

„Dat project heeft ook duidelijk gemaakt dat de droom van de natuurontwikkelaars niet is uitgekomen. Die hadden gehoopt dat de grond zo goedkoop zou worden dat die teruggegeven kon worden aan de natuur. Maar de grondprijs is nooit door een bodem gezakt. En in de Blauwe Stad moesten huizen worden gebouwd om het gebied meer waard te maken en zo het project mogelijk te maken.

„Het is wel mooi geworden. Ook mensen die eerst sceptisch waren, zijn er nu trots op. Op zondag komen mensen kijken, van heinde en verre. Er is een jachthaven. Zelfs een strand, waar vroeger een polder was.

„Nu zal ik niet zeggen, pomp die Blauwe Stad maar weer droog. Maar de plannenmakers hadden niet kunnen bevroeden dat zowel de claim van de waterschappen op het land zou toenemen als dat de akkerbouw weer zou renderen. Daarom moeten we voorzichtig zijn.”

Wat betekent dat voor een project als de aangekondigde aanleg van een randmeer in de Wieringermeerpolder?

„Het is een prachtige akkerbouwpolder die in de Tweede Wereldoorlog onder water is gezet door de Duitsers en daarna weer is drooggemalen. Dat hoorde bij het verhaal van de wederopbouw, daar werd het graan geproduceerd dat de hongerwinter ongedaan moest maken. Maar in de jaren negentig leek de akkerbouw te duur geworden en werd het plan gemaakt voor het ‘Lago Wirense’: een tiende van die polder werd ingekleurd als water, er moest een Wieringer randmeer komen. Alles staat daar op scherp, in 2010 moet de spade in de grond. Mijn vraag is nu: kunnen we zo’n vruchtbaar stuk akkerland moedwillig prijsgeven, gezien de toenemende voedselschaarste? En die vraag geldt eigenlijk natuurlijk voor heel Nederland.”

Moet je niet eerst de vraag stellen waar we naar toe moeten met al dat water? We hebben het aloude waterschapsidee van ‘droge voeten houden’ kennelijk laten varen.

„Er zijn genoeg andere oplossingen denkbaar. Je kunt ook krachtigere gemalen bouwen, en hogere dijken. Maar dat is duur. En vooral: uit de mode.”

Je schrijft over een obsessie met het zeespiegelniveau.

„Het spook van de watersnoodramp van 1953 is er nog steeds. In Drenthe zie je dat alle makelaars in hun advertentie zetten hoeveel meter boven NAP het huis ligt. Er zijn mensen die de beslissing over de aankoop van een huis daarvan laten afhangen. Ouders van iemand die ik ken zijn verhuisd van het lage gedeelte van West-Brabant naar plus 17 meter in Drenthe. Dat zijn klimaatvluchtelingen in eigen land.”

Je hebt het voornamelijk gehad over het poldergebied in het noorden van Nederland. Maar wat betekenen deze kanttekeningen voor bijvoorbeeld Zeeland, ook een belangrijke graanschuur, of het platteland van Brabant?

„De landbouweconomie is niet zo elastisch. Een boer met vee kan niet zeggen, ik gooi al mijn dieren eruit en ik ga tarwe verbouwen. Je hoort wel dat ze in Zeeland de bieten eruit gooien en graan gaan zaaien. Maar die effecten heb je niet van vandaag op morgen. En bedenk: dit verhaal gaat vooral over de akkerbouw, de boer die grote lappen grond in beheer heeft. Het is voor het eerst sinds de jaren tachtig dat die winstgevend kan exploiteren. Dat is prettig nieuws voor de boeren, en het is een ontwikkeling waarmee we rekening moeten houden. Ik zou zeggen: er is de laatste jaren genoeg boerenland verdronken. Laat de akkerbouwers nu weer aan zet, want ook de graanteelt heeft toekomst in Nederland.”