De Schoolmeester

Afgelopen zondag was-ie 150 jaar dood. Gerrit van de Linde, geboren op 12 maart 1808 in Rotterdam, gestorven op 27 januari 1858 in Highgate, toen een voorstadje van Londen en nu deel van groot-Londen. Ik heb veel geschreven over Gerrit van de Linde, ik ben de eerste geweest die zijn brieven uitgaf. Dus vind ik dat ik zo’n dag moet herdenken. Het heeft weliswaar iets ongemakkelijks, zo’n herdenking, maar ik kan er toch moeilijk zomaar aan voorbijgaan. Op de sterfdag van mijn vader, mijn moeder en mijn man brand ik kaarsjes voor hun portret, zoals ik dat vroeger mijn moeder zag doen. Niet omdat ik meen dat het kaarsje helpt bij hun eeuwig heil, dat die lieverds allang verworven hebben, maar enkel omdat ze op die manier op zo’n dag wat langer in mijn gedachten toeven. Maar ik kan toch moeilijk een kaars branden voor een man die ik niet gekend heb en die al 150 jaar dood is, ook al ken ik hem beter dan menige levende kennis van me.

Een vriend van me, die indertijd meegewerkt heeft aan archiefonderzoek naar Gerrit, nam het vliegtuig naar Londen en beloofde ook namens mij bloemen op het graf in Hornsey neer te leggen. Tulpen en fresia’s zijn het geworden. Mooie bloemen zijn schaars in Engeland. Gerrit heeft er niets aan, zijn familie die in Australië woont heeft er niets aan, het is alleen van waarde voor degene die de bloemen neerlegt. En je hoopt dat de curatoren van het kerkhof waar arme Gerrits graf ligt te verwaarlozen het opmerken, zodat ze weten welk kostbaar geraamte er in hun grond ligt. Ik kon deze keer niet mee naar Londen en ik kon dus ook niet op zoek gaan naar de vriendelijke vrijwilligers die het kerkhofje zo goed en zo kwaad als ze kunnen beheren. Een jaar of drie geleden heb ik in het plaatselijke buurthuis een lezing gegeven over de betekenis van ‘De Schoolmeester’ voor Nederland, en ik heb toen wat vertalingen van zijn gedichten voorgelezen.

Tot mijn verbazing werden de grappen meteen begrepen en schaterden de mensen het uit. De Schoolmeester heeft zo’n 25 jaar in Engeland gewoond en blijkbaar is zijn gevoel voor humor heel Engels geworden. In Nederland worden zijn scabreuze grappen altijd het meest gewaardeerd als ik iets voorlees, maar ik merkte dat in Engeland de woordgrappen en zijn spelletjes met letterlijke en figuurlijke taal nog beter vielen. ‘Een leeuw is iemand/ die bang is voor niemand’ werd in het Engels: ‘A lion’s the sort of fellow/ who’s never, ever yellow’ en dat was al een dijenkletser. De vrijwilligers hadden ter gelegenheid van de lezing het graf van onkruid ontdaan en de steen wat opgepoetst. Ze vertelden me dat het vechten tegen de bierkaai was. Er komt veel verkeer langs het kerkhofje van Hornsey, en dat geeft vervuiling die de grafstenen aantast. De gemeente wil eigenlijk van het kerkhofje af. Er mogen geen nieuwe graven bij komen, omdat het in een woongebied ligt, en dus beschouwt de gemeente het als grond zonder rendement, die het beste platgewalst kan worden om er vervolgens appartementen op te bouwen. Ooit moet Hornsey een lief landelijk dorpje zijn geweest, met grazige heuvels en een klein centrum met een kerk waaromheen de graven lagen van de dorpelingen. De kerk is ingestort, je herkent de contouren nog en ziet de vloerplavuizen van het altaar nog liggen. De oude toren staat scheef en brokkelt weg. Het pad over het kerkhof wordt gebruikt om van de ene wijk naar de andere te lopen, en dat betekent dat er veel afval op het kerkhof terechtkomt: zakken waarin fish and chips gezeten hebben, onduidelijke proppen, hondenpoep, kranten en reclame. Aan de rand van het kerkhof staan schuren en loodsen. De grond lijkt er zo verzuurd te zijn dat er alleen mos en klimop wil groeien. Er zijn mooiere kerkhoven in Engeland.

Ik belde met Gerrits achterachterkleinzoon. Die heb ik ontmoet 21 jaar geleden, toen ik promoveerde. Ik was op een bijzondere manier met hem in contact gekomen. In Amsterdam had ik de onbekende brieven van De Schoolmeester gevonden en ik had besloten die uit te gaan geven, eerst in een bloemlezing en daarna als dissertatie. Dus zocht ik contact met nabestaanden, in de hoop dat er wellicht nog wat ander moois bewaard was gebleven. Ergens in de jaren vijftig van de vorige eeuw had de bibliothecaris F. Kossmann nog contact met een Patrick van de Linde gehad, die toen in Hongkong woonde. Verder ontbrak elk spoor. Op het consulaat van Hongkong konden ze me niet helpen. Bevriende musici die met hun orkest naar Hongkong afreisden kregen van mij de opdracht naar hem te zoeken, maar ook zij vonden niets. Zelfs de man van de ABN in Hongkong liep vast. Ik besloot toen alle telefoonboeken van Engeland door te nemen want de Hongkong-man zou wellicht studerende kinderen in Engeland hebben. Op de City Library in Londen bladerde ik 88 telefoongidsen van Engeland dorp voor dorp en stad voor stad door. On line telefoonboeken bestonden toen nog niet. Inderdaad vond ik twee Van de Lindes in de juiste spelling. Mijn stem moet gegierd hebben van de spanning toen ik belde, en vroeg of ik sprak met familie van Patrick van de Linde. Bij het tweede telefoontje was het raak: Gerry bleek een zoon van Patrick zijn. Die was op een gegeven moment Hongkong moe geworden en had met zijn familie het schip naar Engeland genomen. Toen het schip onderweg Australië aandeed, brak daar een staking uit. Patrick ging aan wal, vond er werk, en haalde boedel en familie van het schip. Verblijfsvergunningen of visa waren in het Gemenebest niet nodig, en daardoor had ik hem via overheidsarchieven niet terug kunnen vinden. Patrick bleek tot mijn teleurstelling geen manuscripten van Gerrit te hebben, alleen wat familiezilver en prenten. Hij heeft wel een mooi schilderij van grandgrandpa, dat hij inmiddels in bruikleen afgestaan heeft aan het Letterkundig Museum. Voor mijn promotie kwam hij over uit Australië. Dat moet wel uit een soort piëteit zijn geweest. Als er mensen in Holland zijn die grandpa zo belangrijk vinden dat ze op zijn werk promoveren, dan moet ik daar gewoon heen, zoiets moet hij gedacht hebben. Eenzelfde piëteit bracht mij ertoe hem op te bellen op 27 januari.

Het is aan de Oostkust van Australië tien uur later dan hier, dus toen ik om 11 uur belde was het daar al rijkelijk laat in de avond. Patrick wist warempel niet dat grandpa al 150 jaar dood was, precies vandaag, maar hij vond het geweldig dat hij mijn stem hoorde en op 21 juni wordt hij 90 en dan moet ik vooral op zijn feest komen, dat zou hij geweldig vinden. Al dat gedoe voor die schrijver van een bundeltje dat hij toch niet kan lezen interesseert hem best wel, maar hij vindt het vooral leuk om buitenlandse kennissen te hebben, en het amuseert hem dat grandpa in Nederland zo beroemd is terwijl de rest van de wereld nog nooit van De Schoolmeester heeft gehoord. Ik nam me voor hem op zijn 90ste verjaardag te gaan bezoeken.

De volgende dag belde ik met de directeur van het Letterkundig Museum. Nee, er kan geen kleine tentoonstelling voor Gerrit van de Linde komen in dit kroonjaar. Het Museum is gesloten voor een grootscheepse verbouwing. Als die klaar is zal Gerrits portret er weer pront bijhangen. Maar in de Rotterdamse Openbare Leeszaal komt een kleine tentoonstelling. Met originele manuscripten? Dat zal moeilijk gaan in een openbare bibliotheek. Ik belde met een krant waarvoor ik wel eens een stukje schrijf: zouden zij wellicht bij de 200ste geboortedag op 12 maart een aardig artikel willen plaatsen? ‘Waarom zouden we dat doen? Is er iets nieuws? Als we beginnen aan herdenkingsartikelen bij elke kunstenaar die 100 jaar dood is komen we nooit aan iets anders toe.’ Ik zweeg maar. Wie weet vind ik nog iets nieuws.