De Hofstadgroep en krakers

Is het in Nederland mogelijk om het terrorisme strafrechtelijk te bestrijden? Jazeker: tot nu toe zijn successen geboekt bij de strafrechtelijke vervolging van verdachte terroristen, ook al werd AIVD-materiaal aanvankelijk door lagere rechters ongeschikt geacht om in een strafzaak als bewijsmateriaal te dienen. Dit besluit is door de Hoge Raad vernietigd. Vervolgens was de vraag wat terroristische voorbereidingshandelingen precies inhouden. Daarbij werd Samir A. zowel in eerste aanleg als in hoger beroep door de rechters vrijgesproken. Ook dit besluit werd vernietigd. De Hoge Raad gaf een doordachte strafrechttheoretische fundering aan het begrip voorbereidingshandeling onder een terroristische omstandigheid. Het dossier van de Hofstadgroep gaat straks ook naar de Hoge Raad. Daarom moeten Kamerleden zich terughoudend opstellen. Want de beslissing van de Hoge Raad in deze zaak kan, ongeacht de inhoud ervan, doorslaggevend zijn voor een parlementaire evaluatie van de antiterrorismewetgeving.

Na de veroordeling van de Hofstadgroep als terroristische organisatie door de rechtbank waren veel rechtsgeleerden, onder wie De Roos en Buruma, zeer enthousiast over het OM en over het rechterlijke vonnis. In dat vonnis ging het om een aantal belangrijke juridische vragen: wat is een terroristische organisatie? En wat houdt het terroristische oogmerk in? In hoger beroep veranderden de feiten, de omstandigheden en het in beslag genomen materiaal niet. Alleen hadden de verdachten geleerd dat ze niet moesten zwijgen en zich zoveel mogelijk dienden te distantiëren van Mohammed B. Het Hof moest dus een interpretatie geven van hetzelfde bewijsmateriaal zoals dat ook bij de rechtbank was gepresenteerd. Meer belastend of ontlastend bewijsmateriaal is niet naar voren gekomen.

Desalniettemin besluit het Hof dat er geen sprake is van een terroristische organisatie, omdat er geen sprake was van een duurzaam gestructureerd samenwerkingsverband en er ook geen sprake was van een gemeenschappelijke ideologie die als bindmiddel de groep bijeen zou houden.

Is het voor de vaststelling van een gewelddadige ideologie als bindmiddel van belang om te meten waarin zij tegen Nederland gericht is? Eigenlijk niet. Ten onrechte kende het Hof een bijzonder gewicht toe aan deze vraag. Immers, wie vanuit Nederland een terroristisch netwerk opzet om elders, bij voorbeeld in Afghanistan of Irak, aanslagen te plegen, is ook strafbaar. Lees de Memorie van Toelichting bij de antiterreurwetgeving. Het islamitische terrorisme is een internationaal fenomeen en zelfs de wetgeving daaromtrent is het resultaat van internationale en Europese besluiten.

Het Hof geeft een onbegrijpelijke interpretatie van de feiten aangaande de gemeenschappelijke extremistische ideologie, feiten die ook door de rechtbank zijn vastgesteld. De Hofstadgroep was geen gewone leesclub, geen koffiehuis, evenmin een normale religieuze sekte. Het feit dat niet iedereen bij elke bijeenkomst aanwezig was, of dat niet iedereen in dezelfde mate betrokken was, neemt niet weg dat er een groep bestond. De groep wordt bijeengehouden door de aantrekkingskracht van de jihadistische ideologie. Als we de redenering van het Hof toepassen op gewone criminele organisaties waarin geld en drugs als bindmiddel functioneren, betekent dit dat vrijspraak voor velen van hen onder handbereik is. Maar dit gebeurt zelden of nooit. Ook wordt een groep krakers, met uiteenlopende opvattingen, die op een gegeven moment bijeenkomt om tegen het openbare gezag, de politie, gewelddadig op te treden, gezien als een criminele organisatie. Het is absurd om te stellen dat, aangezien de Hofstadgroep niet over een coherente ideologie beschikte, de beklaagden dus niet over een gemeenschappelijke ideologie beschikten – let op de nuances. Er zijn weinig terreurnetwerken van Al-Qaeda die over een logisch coherente ideologie beschikken. De vraag naar een ‘logisch coherente ideologie’ is onzinnig. De juiste vraag luidt of het gewelddadige gedeelte van het bindmiddel (al dan niet een coherente ideologie) de overhand had.

Ook interpreteert het Hof het begrip ‘in het openbaar’ uit artikel 131 Wetboek van Strafrecht (opruiing) zeer beperkt: is wat binnen een MSN-groep op het internet gebeurt niet openbaar? En dan nog het terroristische oogmerk bij Jason W. Hij gooide een handgranaat naar de politie. Hierover zegt het Hof dat er geen sprake is van het terroristische oogmerk: „Immers, voor het dwingen van de overheid zal toch minst genomen sprake moeten zijn van het stellen van eisen met een daaraan verbonden ultimatum dan wel van het uiten van dreigementen richting de overheid door de verdachte voorafgaand aan of kort na het gooien van de handgranaat.”

Welke formele eisen zijn voor of op 9/11, of in Londen danwel in Madrid, gesteld? En door wie dan wel? Het lijkt er akelig veel op dat het Hof de Memorie van Toelichtingen en Antwoord van de antiterreurwetgevingen niet gelezen heeft. Dat de terrorist overheden tot iets wil dwingen, is een feitelijke en niet een formele, geritualiseerde daad. Om van het terroristische oogmerk te spreken, zo suggereert het Hof, moet iemand kort voor het plegen van een aanslag luidruchtig zeggen: Allahu Akbar, leve de jihad. Mohammed Atta riep op 9/11 niks, of misschien wel, maar dat doet er niet toe: zijn oogmerk ligt besloten in zijn daad.

Er is een context die betekenis en zin geeft aan de handelingen van een terrorist: wat doet hij, en onder welke omstandigheden? De redenering van het Hof getuigt van een minachting voor de wil van de wetgever: wie in een terroristische context zichzelf opblaast of geweld gebruikt, beoogt daarmee vrees aan te jagen – zo angstaanjagend simpel kan een terroristisch oogmerk zijn.

We moeten niet vergeten dat personen uit de Hofstadgroep over wapens beschikten, dat een filmmaker ritueel werd vermoord, en dat met een handgranaat werd gegooid waardoor politiemensen voor de rest van hun leven zijn verminkt. Natuurlijk, niet het denken, maar de uiterlijke verschijning rond de ideologie valt binnen het strafrecht. Het hoogste rechtscollege moet beide uitspraken, vastgestelde feiten en bewijsmateriaal met elkaar vergelijken en de vraag beantwoorden of deze feiten in het licht van de wet en recht juist geïnterpreteerd zijn. Ook moet de Raad aangeven of hier de wet überhaupt in overeenstemming met de wil van de wetgever is toegepast.