Banken moeten failliet kunnen gaan

Nog geen maand na de invoering van nieuw bankentoezicht laait de kritiek op het systeem op. Zelfs De Nederlandsche Bank is kritisch. „We moeten af van garanties.”

Hij zei het zelf, Nout Wellink, president van De Nederlandsche Bank die toezicht houdt op de financiële instellingen. „Er doet zich een lastige afruil voor tussen stabiliteit op korte termijn en stabiliteit op langere termijn.” Wellink toonde zich deze week kritisch over het toezicht op de financiële markten. „In de huidige regelgeving zitten prikkels die niet voorzagen in de risico’s van nieuwe financiële instrumenten”, zei hij.

De huidige kredietcrisis kan gezien worden als een economische elandproef voor het internationale toezichtsysteem. Dankzij de Amerikaanse hypotheekcrisis kan iedereen 24 uur per dag getuige zijn van een financiële stresstest.

Het beeld tot nu toe is weinig hoopgevend. De Amerikaanse centrale bank voert de ene na de andere renteverlaging door om de markten tot rust te brengen. De Europese Centrale Bank (ECB) ziet keer op keer af van een renteverhoging (nodig om de inflatie te beteugelen) omdat ze klemgezet wordt door diezelfde onrust op de financiële markten. Helemaal bont maakte de Bank of England het. Die stopte 24 miljard Britse pond (32 miljard euro) in de noodlijdende hypotheekbank Northern Rock om te voorkomen dat die bank zou omvallen.

En zo ligt Basel II (het nieuwe mondiale stelsel van regels voor het bankentoezicht, zie kader) nog geen maand na invoering alweer onder vuur. Het feit dat Wellink, voorzitter van het Baselse Comité, kritiek uit op de regelgeving, leidt tot voorzichtige vreugde bij de critici van het huidige systeem van toezicht. Bij Harald Benink bijvoorbeeld. Benink is hoogleraar finance aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en voorzitter van het Europese schaduwcomité voor financiële regelgeving en toezichthouders. Hij pleit al jaren voor een aanpassing van het bankentoezicht. „De manier waarop centrale banken nu toezicht houden, stimuleert commerciële banken alleen maar om steeds grotere risico’s te nemen”, zegt hij.

Kern van het probleem is dat de toezichtouders op de bancaire sector (waaronder de centrale banken) in hun beleid teveel garanties geven aan financiële instellingen en de professionele beleggers die aandelen en schuldpapier van de banken in hun bezit hebben. Benink: „Er is de expliciete garantie, wettelijk geregeld, die zegt dat deposito’s van klanten gegarandeerd worden door de centrale banken. Dat betekent dat als een bank omvalt, de rekeninghouders hun geld terugkrijgen. Maar er is ook een impliciete garantie in het systeem ingesleten die inhoudt dat centrale banken uit angst voor een systeemcrisis er alles aan zullen doen om te voorkomen dat een commerciële bank omvalt.” Northern Rock bijvoorbeeld. „Die kleine bank had niet gered hoeven worden”, meent Benink.

Door die impliciete garantie hebben banken een prikkel om riskantere leningen uit te zetten en minder eigen vermogen aan te houden, een effect dat bekend staat als moral hazard.

Dat is met Basel II alleen maar erger geworden overigens. ING meldde laatst trots dat het eigen kapitaal dankzij Basel II met 20 procent omlaag kan. Fijn voor de bank, want het aanhouden van eigen vermogen is relatief duur. Maar als er iets mis gaat, heeft de bank geen reserves meer om dat op te vangen.

De institutionele beleggers die bijvoorbeeld de achtergestelde obligatieleningen van de banken afnemen hebben op hun beurt ook geen reden om over risico’s na te denken. Mocht het mis gaan, dan wordt de uitgever van de obligaties (de bank) toch wel gered door de centrale bank. Weg prikkel om de risicopremie laag te houden.

De oplossing voor deze weeffout is volgens Benink simpel: „De toezichthouders moeten duidelijk maken dat die impliciete garantie aan institutionele beleggers van de baan is. Ze moeten zeggen: Als het mis gaat is er maar een groep die zijn geld terug krijgt en dat zijn de kleine rekeninghouders. Institutionele beleggers moeten weten dat ze in principe onverzekerd zijn als het om hun beleggingen gaat.”

Het gevolg daarvan is dat de balans in het bankentoezicht wat meer verschuift naar de markt, en minder bij de toezichthouder zelf komt te liggen. Immers, als beleggers weten dat ze ‘nat’ kunnen gaan als hun bank te grote risico’s neemt, zullen ze eerder geneigd zijn die bank daar streng op te controleren. Als ze vinden dat de bank te grote risico’s neemt, zal de risicopremie op obligatieleningen oplopen. Het is dan voor iedereen zichtbaar dat de bank een hoger risico loopt op verliezen.

Volgens Benink snijdt het mes zo aan twee kanten. „Beleggers houden de bank bij de les, ook preventief. Daarbij wordt het voor de toezichthouder makkelijker om te zien waar de risico’s zich bevinden. Die zijn grotendeels terug te vinden in de risicopremies.”

Benink erkent dat de huidige crisis niet het moment is om de veranderingen door te voeren. De onrust op de markten is daarvoor te groot. Hij hoopt dat de urgentie er nog is als de crisis geluwd is.