Wie is die man in dat Perzische theehuis?

Dalia Sofer: September in Shiraz. Vertaald door Lilian Schreuder. De Bezige Bij, 318 blz. € 18,90

De idyllische titel is misleidend en ook een samenvatting zal niet elke lezer enthousiast maken. Weer een roman over een verscheurd gezin onder een tiranniek regime? Maar deze debuutroman van de Amerikaanse, in Teheran geboren schrijfster Dalia Sofer is knap geconstrueerd, met veel kleur geschreven en ondanks de ingehouden toon een pageturner.

De roman speelt zich af in de vroege jaren tachtig, kort na de verdrijving van de Sjah uit Perzië. De gegoede joodse juwelier en edelsmid Isaac Amin wordt gearresteerd op verdenking van ‘zionistische spionage’ maar het enige delict dat men kan vinden is de omstandigheid dat hij juwelen leverde aan personen die aan het Hof verkeerden. Terwijl Isaac gemarteld wordt en zijn celgenoten worden geëxecuteerd verkeren zijn vrouw Farnaz en zijn dochter Shirin in vertwijfeling. Informatie over het lot van Isaac is niet te krijgen, de oorlog met Irak escaleert, familieleden verlaten het land, bezittingen worden onteigend. Het vierde lid van het gezin, Parviz, studeert architectuur in New York. Daar vat hij een onmogelijke liefde op voor de chassidische dochter van zijn huisbaas.

Wat het boek uittilt boven andere in wat bijna een genre genoemd kan worden, is Sofers talent dit verhaal, dat eenvoudig in nostalgie en clichés van verdriet zou kunnen smoren, een groot aantal grijstinten en onverwachte wendingen mee te geven. Het huwelijk tussen Isaac en Farnaz is niet zo gelukkig als we eerst denken, en Hakim, de stervende vader van Isaac, heeft harde trekken. Ook werkt Sofer knap naar de verwachting toe dat de huishoudster Habibeh in samenspel met haar zoon Morteza de uiteindelijke vlucht van de familie zal verraden, maar dat pakt heel anders uit.

Sofer is uitzonderlijk sterk in het beschrijven van dat wat de familie achterlaat: de tuin, de voorwerpen in het huis, de geuren van de stad. Ze zullen hun privileges voorgoed kwijtraken, zo laat Sofer Isaac zonder enig sentiment beseffen. Als hij zijn aanstaande ballingschap overweegt, bekijkt hij zijn stervende vader en een portret van zijn overleden moeder. ‘Over een aantal jaren zal een afstammeling van hem, die nu nog niet bestaat, misschien een foto van hem tegenkomen waarop hij in een theehuis zit of langs de Kaspische zee wandelt. Als hij dan zal vragen: „wie is die man?” zullen anderen naar de oude foto turen en zeggen: „O, dat is Isaac Amin, de man die zich een weg uit de ellende polijstte, maar uiteindelijk toch alles verloor.’