Wat doen we als de dijken het niet meer houden?

In de nieuwe roman van Kees van Beijnum wil een man zijn vrouw verlaten.

Maar dan blijkt zij zelf ineens te zijn verdwenen.

Kees van Beijnum: Paradiso. De Bezige Bij, 294 blz. € 18,90

‘Geliefden van weleer, in oude liedjes keerden ze altijd terug’, mijmert de hoofdpersoon van Kees van Beijnums zevende roman. Het citaat geeft precies aan waar het in Paradiso om draait. Mart Hitz, een wetenschapper die het geluk bestudeert, komt er na veel schade en schande achter hoe moeilijk zijn vrouw heeft kunnen loskomen van haar jeugdliefde, die als tiener bij een zeilongeluk om het leven kwam. Mart heeft zijn Dana verwaarloosd, jarenlang nauwelijks met haar gepraat – het hoeft dan ook niet te verbazen dat zij is gevallen voor een twintig jaar jongere klusjesman.

Niet dat Mart daar snel achter komt. Hij heeft het te druk met zijn eigen buitenechtelijke relatie. En aan het begin van Paradiso heeft hij zich zelfs voorgenomen om zijn vrouw – en puberdochter – te verlaten. Hij rijdt vastbesloten naar zijn huis in Waterland, en stuit op een wegblokkade. De polder is ontruimd wegens een verzakte dijk en zijn vrouw is geëvacueerd. Maar hoe Mart ook zoekt, hij kan haar dagenlang niet vinden.

De huwelijkscrisis, het bedrog, de zoektocht, het moeizame communiceren – Paradiso zou een verhaal van de Deense grootmeester Jens Christian Grøndahl kunnen zijn. ‘Een raadselachtige samenloop van omstandigheden had hem de maat genomen en deed dat nog steeds’, staat er aan het eind van het boek. Maar dan is de geheimzinnige sfeer van de eerste hoofdstukken al vervlogen en zijn alle losse draadjes door Van Beijnum bij elkaar gebracht. Vrouw keert terug, de echtelieden spreken hun wederzijds huwelijksbedrog uit en hervinden elkaar. In de laatste scène ziet Mart hoe een machtige zwaan door de avondmist vliegt.

Van Beijnum is dol op symbolen. Te dol. Een zwaan als apotheose is eigenlijk al veel van het goede, zinnebeeld als hij is van de monogame eeuwige trouw. Maar ook verder laat Van Beijnum geen kans onbenut de diepere betekenis van zijn roman te onderstrepen. Zelfs de verzakte, maar niet volledig verwoeste dijk wordt een spiegel van de relatie tussen Mart en Dana: ‘Te licht geworden, daar kwam het op neer, de dijk was te licht geworden en had, toen het kritische punt eenmaal bereikt was, de zijwaartse druk van het water niet kunnen weerstaan’.

Deze laatste zin, die je op zichzelf best mooi zou kunnen vinden, is typerend voor Paradiso. Anders dan in zijn beste roman, De oesters van Nam Kee (2000), bedient Van Beijnum zich niet van straattaal en van een overtuigende, overrompelende stem die het verhaal vorm geeft, maar van een kabbelende stijl die op zijn best sensitief is en op zijn slechtst kitscherig.

Kees van Beijnum: Paradiso. De Bezige Bij, 294 blz. € 18,90