The making of Jérôme K.

Wat betekent het voor het eerbiedwaardige bankiersvak dat solide bankieren verknoopt is geraakt met ongebreideld speculeren?

‘For The Love of God’, een menselijke schedel ingelegd met diamanten, door de Britse kunstenaar Damien Hirst Foto Reuters ***RESTRICTED TO EDITORIAL USE*** A handout picture obtained 01 June 2007 shows the latest work by British artist Damien Hirst entitled 'For the Love of God'. Hirst unveiled Today at the White Cube Gallery in London 'For the Love of God', a 50 million pound (74 million euro, 79 million dollar) diamond-encrusted human skull. Hirst covered the 18th Century skull entirely in 8,601 pave-set diamonds. AFP PHOTO/Prudence Cuming Associates Ltd Reuters

William D. Cohan:The Last Tycoons The Secret History of Lazard Frères & Co. Doubleday, 742 blz. € 26,–

Robert Frank: Richistan A Journey though the American Wealth Boom and the Lives of the New Rich. Crown, 277 blz. € 15,–

Wat bezielde Jérôme Kerviel, de beurshandelaar van de Franse Bank Société Générale, die door zijn riskante speculaties een verlies van 4,9 miljard euro veroorzaakte? Kerviel is volgens zijn advocaten een klerk, een jongen uit de provincie die na een lange aanloop was opgeklommen tot een afdeling van het hoofdkantoor van Société Générale. Aan zijn speculaties heeft hij zelf niets overgehouden, beweert hij. Hij wilde winnen, zei hij tegen de politie, voor de bank.

De kans is groot dat Kerviel bevangen was door geldkoorts, ‘de gloeiende roes van de speculatie’ die de Franse schrijver Émile Zola beschrijft in zijn roman L’Argent uit 1891. Notabelen en klerken, arme vrouwen en loopjongens, iedereen in dit boek wordt meegesleept in de opwaartse roes van ‘De Wereld’, een investeringsproject waarmee drie mensen het Midden-Oosten willen ontsluiten. Samenwerkende pakketboten in de Middellandse Zee, wegen in Libanon – de hoofdpersoon van l’Argent, Saccard, kaapt de droom van de ingenieur Hamelin en diens zuster Caroline, en plant er de speculatie in, de speculatie die ‘de vlammende ziel’ wordt van investeringsfonds De Wereld. Saccard bouwt zijn kaartenhuis volgens methodes die de hedendaagse krantenlezer bekend moeten voorkomen. Hij boekt toekomstige winsten op de balans van het lopende jaar. Hij laat stromannen aandelen kopen om de koers van ‘De Wereld’ op te pompen. Hij handelt met voorkennis.

Dit alles vertelt Zola in een boek met de spanning van een uitslaande index, met in het midden het magische gebouw van de beurs zelf, op zijn trappen het gewemel van mannen in donkere jassen, zwarte mieren. Hier spat op het laatst Saccards reusachtige zeepbel uitéén: ‘Een hagel van verkooporders kwam op de markt neer, en de geweldige pakketten effecten versnelden de daling. De koersen daalden tot 1500, 1200, 900. Er waren geen kopers meer, de vlakte bleef bedekt met kadavers. Boven het donkere gewemel van de jassen leken de drie koersopnemers overlijdens te registreren.’

Saccard zelf is ‘een bandiet van het financiële trottoir’, maar ook iemand die ‘zich hoog verheft op zijn kleine benen’ als hij spreekt over zijn project. Saccard gloeit van eerzucht meer dan van hebzucht. Zoals Kerviel is Saccard uit de provincie naar Parijs gekomen. En zoals Kerviel nog gewaagder ging gokken toen hij verlies leed, zo heeft Saccard al eens een fortuin verloren, en is nu vastbesloten nóg hoger te stijgen om de vernedering van onbetekenendheid uit te wissen.

L’Argent is één van de laatste delen uit de ‘Rougon Macquart-cyclus’, twintig romans waarin Zola zijn personages plaatst in de zich in hoog tempo industrialiserende samenleving van het eind van de 19de eeuw, en waarvoor hij onderzoek deed als een journalist. Heerlijke boeken voor wie op zoek is naar een meeslepend verhaal, of wie de tijd waarin hij zelf leeft geboren wil zien worden, waarbij het fin de siècle, met zijn snel verbeterende infrastructuur en communicatie, kan gelden als de vorige ronde van globalisering. Wat Zola schrijft over, zeg, de opkomst van grote warenhuizen (Au Bonheur des Dames), of de raadselachtige complexiteit van de financiële wereld, is nog steeds relevant.

In L’Argent is Saccard de gokker, de rusteloze vertegenwoordiger van de nieuwe tijd, die met het geld en het vertrouwen van anderen inzet op de toekomst. Zola zet hem af tegen de bankier Gundemann, de man wiens hele zorgvuldig kapitaal van hemzelf is, gebouwd op het verleden. In Gundemann ziet Saccard ‘de gestalte van de onberispelijke arbeider, die hardnekkig zijn toren van miljoenen opricht met de enige droom om hem aan de zijnen na te laten.’ Het is de gokker versus de bouwer.

Die tegenstelling tussen bouwers en gokkers, tussen verdieners en speculanten, is ook het fundament van The Last Tycoons, the Secret History of Lazard Frères & Co van William D. Cohan, het boek over deze particuliere Amerikaanse zakenbank dat in het net voorbije jaar tot ‘zakenboek van het jaar’ werd gekozen door de bank Goldman Sachs en de Financial Times. Op de shortlist stonden ook de memoires van Alan Greenspan (besproken in de Economiebijlage van 18.09.07) en een boek over de invloed van migratie op economie, boeken voor een veel breder publiek. Het boek van Cohan bestaat uit 700 pagina’s ins en outs over het sluiten van overnamedeals, slechts af en toe verluchtigd met roddel, machtsstrijd, seksuele veroveringen, kunstverzamelingen of Cubaanse sigaren. Het bevat slechts één sappige moord en veel te weinig interpretatie.

Vreemd op het eerste gezicht dat zo’n boek voor insiders die prijs wint, maar in het licht van de laatste weken blijkt het juist een prima keuze. Want via al die uitputtend beschreven transacties laat dit boek zien hoe in de financiële wereld de bouwers gaandeweg gingen samenvallen met de gokkers, en hoe de gangbaarste manier van bouwen gokken werd. Uiteindelijk wordt de particuliere bank Lazard na 160 jaar ‘naar de beurs gebracht’. Dat zinnetje markeert behalve het einde van een tijdperk ook een achterhaalde uitdrukking, want in 2005 was de beurs de banken al lang binnengetrokken.

Cohan verhult niet dat hij een verhaal van opkomst en ondergang wil vertellen, met de nadruk op het laatste; zijn boek is een morele geschiedenis, het requiem voor een ambacht. De eerste naoorlogse topman van Lazard, André Meyer (bijnaam: Zeus), was een honderd procent Gundemann. De laatste topman, Bruce Wasserstein (bijnaam: bid- ’em-up-Bruce, of ‘the apeman’), is een volbloed Saccard.

Cohan werkte zelf zes jaar voor Lazard Frères & Co. Voor zijn boek

[Vervolg op pagina 2]

Hoe ‘Great Men’ tot snelle jongens verwerden

interviewde hij honderd mensen en traceerde nog veel meer deals. Zijn tekening van de machtswellust, het seksisme en het ‘disfunctionele, feodale’ werkklimaat bij Lazard is niet mals. Toch proef je zijn mateloze bewondering voor wat hij noemt de ‘Great Men’, de genadeloosheid en koelbloedigheid van de miljoenenjongleurs, en niet te vergeten, de sommen die ze aan het eind van de maand kunnen bijschrijven. Cohan hangt de vuile was buiten, maar met zijn boek ontstijgt hij de grauwe legioenen der bankklerken. Misschien had Jérôme Kerviel zich beter ‘op zijn kleine benen kunnen verheffen’ met een boek. Of putten uit het inzicht van Zola: ‘Zijn grote mannen niet slechts dwazen die slagen?’

De bedragen in The Last Tycoons (90 miljard voor de overname van chemieconcern Warner Lambert door branchegenoot Pfizer) gaan ondertussen ieder voorstellingsvermogen te boven. Investeringsbanken zetten miljarden om, strijken fortuinen aan betaling op . De CEO’s keren zichzelf tientallen miljoenen aan salaris uit. Voormalig Lazard-topman Michel David-Weil, een nazaat van een van de oprichters, bezat in 2000 naar schatting 2,2 miljard dollar, een van de kostbaarste privécollecties schilderijen ter wereld en huizen aan Fifth Avenue, op Long Island, in Saint Germain des Prés en Cap d’Antibes. Als coming man Bruce Wasserstein in 1988 op een salaris van zeven miljoen zit, neemt hij ontslag om een eigen overnamefonds te beginnen – tijd om ‘serieus geld te verdienen.’ De dertig miljoen die Wasserstein in de jaren negentig in het dan zieltogende Lazard investeert, zijn nu 560 miljoen dollar waard. Hij vult zijn inkomen aan met Wasserstein & Co, een privé-private equityfonds.

Eén keer in zijn boek noemt Cohan een weggesaneerde werknemer van een overgenomen bedrijf, een zestiger die na zijn ontslag op een parkeerplaats werkt voor vier dollar per uur, terwijl Wasserstein voor de deal in kwestie 63 miljoen toucheert. Maar verder blijft dit boek veilig binnen de muren van ‘Richistan’, zoals journalist Robert Frank de wereld van de extreem rijken noemt. Franks gelijknamige boek is een vermakelijke safari door dit exotische land, dat in niets meer lijkt op de landen waar gewone stervelingen wonen. Frank citeert een elfjarige dochter van een Richistani, die voor haar verjaardag een tochtje vroeg in een vliegtuig ‘met andere mensen’. Ze kende alleen de privéjets van haar vader. Eat your heart out, Paris Hilton.

Het luchtige Richistan is een verhelderende sociologische voetnoot bij het boek van Cohan. Bij zijn krant, de Wall Street Journal , stuitte Frank op het feit dat het aantal miljonairshuishoudens in de VS sinds 1995 meer dan verdubbeld is. In ‘Billionaireville’, miljardairsdorp, woonden in 1985 dertien miljardairs, in 2006 meer dan 400, onder wie vast veel bankiers. Richistani’s zijn eigenlijk wandelende holdings, schrijft Frank. ‘My Life inc.’ bevat huizen als hotels, spaargeld in de vorm van hedgefondsen en ngo’s.

De nieuwe rijkdom is het gevolg van het dynamischer worden van de wereldeconomie in de afgelopen dertig jaar, door deregulering, nieuwe technologie en mondiale concurrentie – een ontwikkeling die uitgebreid is beschreven door Robert Reich in Supercapitalism (besproken in Boeken, 28.12.07). Lage rentestanden en groeiende pensioen- en spaarreserves hebben geleid tot ‘een rivier van geld die de wereld over stroomt’. Het is, schrijft Frank, een kwestie van slim instappen om in geld te kunnen zwemmen. In recordtijd bouwen turbobouwers gokkenderwijs de toren op waar drie of meer generaties Gundemann voor nodig waren. Ze worden niet rijk van spoorwegen, maar van dotcombeleggingen of prullaria. Frank bezoekt ‘instapreneur’ (instant-entrepreneur) Ed Bazinet, de ‘koning van het keramieken huisje’. Droog en geestig beschrijft hij butlerscholen en zit bij praatgroepen voor ongelukkige rijken.

Anders dan Cohan heeft hij nog net een hoofdstuk over voor de bestaansonzekerheid aan de onderzijde van de samenleving, de precarité die mede het gevolg is van volatility aan de top. De rijken trekken zich terug uit gezondheidszorg en onderwijs, beleid wordt dankzij de hoge kosten van campagnes op hen toegesneden. Maar hun luxegoederen zijn zichtbaarder geworden en zorgen voor goudkoorts bij de kwijnende middenklasse. Is het gek dat gelukszoekers à la Kerviel Richistan binnen proberen te komen? Gokken kan toch iedereen?

In Cohans boek valt de ontwikkeling van het statische kapitalisme van de Gilded Age (de naoorlogse welvaartsboom) naar het huidige superkapitalisme tussen de regels door te traceren – van de eerste, traag aanzwellende overnamegolf door het telecombedrijf ITT in de jaren zestig en zeventig tot de tsunami van deals van vandaag, waarvoor op Wall Street een speciale krant bestaat, de Daily Deal. Sommige zaken zijn van alle tijden: bij Emile Zola én bij William D. Cohan worden wetten opgerekt of omzeild, stellen de autoriteiten onderzoek in, maar veroordelen of beboeten zelden, en faalt interne controle zolang er winst gemaakt wordt, met telkens nieuwe Jérôme Kerviels tot gevolg.

Maar andere zaken zijn sterk veranderd. Diplomatie was de kern van het vak waarin de eerste topmannen van Lazard zich specialiseerden: het adviseren van bedrijven over fusies en overnames, en het tot stand brengen daarvan. Geen financiële constructies, maar alleen ‘belangrijk advies aan belangrijke mensen’ en het cijferwerk, dat in computerloze tijden, ‘een driedimensionale schaakwedstrijd’ was. De Europeaan André Meyer was als kind aan de nazi’s ontsnapt, volgens Cohan versterkte dit karaktertrekken als volharding, betrouwbaarheid en ondoorgrondelijkheid.

Anno 2005 is de metamorfose van het vak compleet. ‘Great Men’ zijn nu snelle jongens die uitblinken in gewiekstheid en ‘connectedness’. Het eerste wat aapmens Wasserstein na de beursgang doet is een (mislukte) overnamepoging van TimeWarner met als doel opsplitsing, terwijl hij TimeWarner zelf mede had helpen ontstaan. Wasserstein is geen financiële diplomaat, maar een financiële huurling.

Steeds hoger het tempo van de deals, het snelle geld wordt het razende geld, het duizelt de lezer voor ogen. Maar het beeld dat uit The Last Tycoons oprijst is niet bezijden de waarheid: een vicieuze cirkel van deals, overnames en leningen, een web van schulden tot voorbij de horizon, driedubbele hypotheken op de toekomst. Het mysterie van de financiële wereld ligt niet langer in de discretie van de toplieden, want veel van wat ze doen ligt op straat. De nieuwe geheimzinnigheid schuilt in de steeds ondoorzichtiger complexiteit van hun acties, de ‘goed afgedekte risico’s’ en ooit te incasseren waardepapieren die als smog over de reële wereld liggen.

In die reële wereld wordt Zola’s Saccard, zoals dat hoort in een 19de-eeuwse roman, aan het slot weer snoeihard teruggeworpen. Of dat ook voor Wasserstein & Co. zal gelden, en wat daarvan dan de gevolgen zijn voor iedereen die níet in Richistan woont, wordt uit de boeken van Frank en Cohan uiteraard niet duidelijk. En zolang je nog in confortabele onwetendheid verkeert, zendt Zola genoeglijke huiveringen langs je ruggengraat.

‘De beurs, grijs, tekende zich af in de somberheid van de ramp, die haar sinds een maand verlaten liet. Het was de onvermijdelijke epidemie, waarvan de verwoestingen de markt iedere tien tot vijftien jaar meevoeren. (...) Maar ditmaal was er achter die rode rook van de horizon, als een groot dof gekraak, het nabije einde van de wereld.’

‘L’ Argent’ van Zola is in vertaling alleen antiquarisch verkrijgbaar. De citaten in dit stuk komen uit een vertaling van C.F. de Witt-Huberts. Uitgeverij Walter Beckers, Antwerpen, 1970