Staatsoliebedrijven komen eraan

Toenemende concurrentie van staatsoliebedrijven zet internationale energieconcerns onder druk. Ze moeten zichzelf opnieuw uitvinden.

Het moeten pijnlijke tijden zijn voor de internationale olieconcerns. Na miljarden geïnvesteerd te hebben in de ontwikkeling van nieuwe gas -en olievelden, eisen staatsoliemaatschappijen – met hulp van hun regeringen – steeds vaker een groter belang op voor zichzelf in de winningactiviteiten. En daarmee de opbrengsten.

Voorbeelden te over. In Rusland moest het Nederlands-Britse Shell iets meer dan een jaar geleden onder druk van het Kremlin de helft (27,5 procent) van zijn belang in het Sachalin-gasveld verkopen aan staatsgasbedrijf Gazprom. Enkele maanden later onderging BP dezelfde behandeling. De Britse oliemaatschappij moest haar volledige aandeel in het gigantische gasveld Kovitka verkopen.

De Kazachse regering dwong begin dit jaar bij een consortium van internationale oliebedrijven, geleid door het Italiaanse Eni, een groter belang af voor haar nationale energiekampioen KazMunaiGas. Dat ging ten koste van zowel Eni als de andere bedrijven in het consortium (waaronder het Franse Total, het Amerikaanse ExxonMobil en Shell). In Bolivia kondigde president Evo Morales vorig jaar de nationalisering van de gas- en olie-industrie af, een tegenvaller voor het Braziliaanse Petrobras dat een groot deel van die industrie in handen heeft.

Deze golf van nationaliseringen lijkt voorlopig niet voorbij. Shell-topman Jeroen van der Veer bij de presentatie van de jaarcijfers gisteren: „De concurrentie van nationale oliebedrijven wordt steeds sterker. Dat is een trend die zal doorgaan. Zeker als de olieprijs hoog blijft.” Op berichten dat ook de Nigeriaanse regering inmiddels aan zou dringen op een groter belang voor staatsoliebedrijf NNPC wilde Van der Veer niet ingaan.

Een belangrijk gevolg van de nationaliseringen is dat veel internationale oliebedrijven op zoek moeten naar alternatieven om de productie op te schroeven. Doordat de concerns belangen in olie- en gasvelden moeten afstaan, komt de productie onder druk te staan. Daar komt bij dat veel van de bedrijven ook met andere problemen kampen die de productie verstoren. Bestaande velden raken leeg, er wordt weinig nieuwe olie of gas gevonden. Op sommige plaatsen leiden ongeregeldheden en politieke onrust tot verminderde productie.

Sinds de jaren negentig worden bijvoorbeeld in het olierijke Delta-gebied in Nigeria om de haverklap installaties en pijpleidingen van Shell gesaboteerd. Werknemers van het bedrijf worden ontvoerd. De lokale bevolking en milities eisen een groter deel van de olieopbrengsten. Na vorige week zijn daar nieuwe problemen bij gekomen. De Nigeriaanse regering heeft de financiering van haar deel van de joint venture met Shell gestaakt. Tijdens de presentatie van de jaarcijfers zei Van der Veer dat de overgebleven partner in zo’n geval twee opties rest: „de productie stilleggen” of „de financiering van zijn partner voor eigen rekening nemen”. Shell heeft een voorziening getroffen van 716 miljoen dollar (484 miljoen euro).

Door de problemen in Nigeria is naar eigen zeggen van Shell de productie daar met 180.000 vaten per dag gedaald. Het bedrijf liet gisteren voor het vijfde achtereenvolgende jaar dalende productiecijfers zien. Toch verwacht Van der Veer nog tientallen jaren in Nigeria te blijven. „Het land heeft enorme reserves en ligt gunstig ten opzichte van de Europese markt.” Misschien ook niet verwonderlijk: Shell wint naar eigen zeggen meer dan 10 procent van al zijn olie in het Afrikaanse land.

Wat de internationale oliebedrijven doen om de dalende productieniveaus tegen te gaan? Shell probeert zichzelf opnieuw uit te vinden. Er wordt uitgeweken naar meer stabiele regio’s om olie en gas te winnen, zoals Noorwegen. Voor de kust bevinden zich daar grote velden. In Canada wordt uit de teerzanden in Alberta olie gewonnen. Maar Shell wijkt ook vaker uit naar (onherbergzame) gebieden waar olie moeilijk te winnen valt. In de ultradiepe wateren van de Golf van Mexico bijvoorbeeld. En het Arctische Zee-gebied. Plekken waar de nationale oliebedrijven zonder de technologische expertise van internationale olieconcerns moeilijk bijkunnen en dus minder snel deze concerns de deur zullen wijzen.

Of dat een sterke strategie is, moet zich in de toekomst uitwijzen. Een land als China, dat steeds actiever wordt in de mondiale olie-industrie met oliemaatschappijen PetroChina en CNOOC, is bijvoorbeeld berucht om de snelheid waarmee het technologie van buitenlandse bedrijven kopieert, nadat het deze heeft ingehuurd voor gezamenlijke ondernemingen. Bovendien lijkt Shell met deze strategie voor een deel in het vaarwater van de toeleveranciers van de gas- en olie-industrie als Schlumberger en Halliburton terecht te komen. Maar Van der Veer voorziet geen problemen: „Er is genoeg ruimte voor iedereen in de energiewereld. Het is niet wij of zij. Vergelijk het met het bouwen van een stad. Er zijn architecten nodig en bouwers.”

Er zijn ook nog andere mogelijkheden om te diversifiëren. In Nigeria bouwde Shell onlangs zijn zesde LNG-trein (liquified natural gas) en loopt daarmee voorop in de markt voor vloeibaar gas. Voorlopig heeft het concern in ieder geval ademruimte. Ondanks de dalende productie blijft het bedrijf zeer hoge winsten maken. Over 2007 zelfs de hoogste winst die een Europees bedrijf ooit heeft gemaakt. Dat is vooral het gevolg van de hoge olieprijzen.