Spelling voor studenten

Goed, het staat dus nu officieel vast. De jongere generatie kan niet goed rekenen. De vaardigheid in wiskunde van vijftienjarigen neemt sinds 2000 geleidelijk af. Kinderen uit groep 8 worden gestaag slechter in cijferend delen en vermenigvuldigen, omdat de staartdeling is afgeschaft en er steeds minder klassieke keersommen worden geoefend. In plaats daarvan gebruiken leerlingen combinaties van zelfgekozen strategieën en dat gaat relatief vaak fout.

Geen wonder. In mijn tijd waren de meeste kinderen geen briljante rekenaars en daarom waren wij beter af met een standaardmethode dan met een combinatie van inzicht en zelf gekozen oplossingsmethoden. Er is geen reden om aan te nemen dat onze nakomelingen opeens mathematische talenten zijn, dus waarom zou dat voor hen anders liggen?

De jongere generatie kan ook niet goed lezen. Dit geldt vooral voor allochtone kinderen, maar niet alleen voor hen. Met name vmbo-scholieren zijn niet in staat ‘studerend te lezen’; zij kunnen niet lezen en tegelijkertijd de gelezen informatie verwerken.

En ten slotte kan de jongere generatie niet spellen. We hebben het dan niet over Taalunie-hobby’s: is het ruggengraat of ruggegraat, kwijtgeraakt of kwijt geraakt, ten eeuwige of ten eeuwigen dage en hete bliksem of hetebliksem. We hebben het gewoon over elementaire werkwoordspelling: hij wordt met dt, vind jij met een d, en ‘bepaald’ met een d of met een t, afhankelijk van de vraag of het woord wordt gebruikt als persoonsvorm of als voltooid deelwoord. We hebben het over verwijswoorden: Het is ‘het meisje dat’, ‘het parlement dat’, niet ‘het meisje die’ en ‘het parlement welk’, zoals mijn studenten soms schrijven om de ingewikkelde keuze tussen die en dat te vermijden. We hebben het over zinnen met een enkelvoudig onderwerp die niet ineens een meervoudig gezegde moeten krijgen en omgekeerd.

Dat de jongere generatie de spellingsregels niet beheerst, komt niet in de eerste plaats door henzelf. Het komt ook niet door de Taalunie, hoewel ik op paranoïde momenten wel eens denk dat de Taalunie expres elke paar jaar een heleboel wijzigingen doorvoert in het groene boekje, zodat foutloos spellen voor niemand meer is weggelegd en dus ook nergens meer als kwalificatie of onderscheidend criterium kan worden gebruikt.

De Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen legt in haar onlangs verschenen hoofdrapport uit hoe het wel komt. Kinderen leren op de basisschool redelijk spellen, maar raken dit vermogen in het middelbaar onderwijs kwijt, omdat ze daar niet op spelling worden afgerekend. „Vaak zijn de consequenties van het maken van fouten in spelling, formulering, stijl en genreconventies zeer gering. Zolang het schoolbeleid is dat onverzorgde teksten geaccepteerd worden, gaat daarvan het signaal uit dat vorm en taalgebruik er niet toe doen”, aldus de commissie. Van laksheid in het middelbaar onderwijs is daarbij lang niet altijd sprake. Docenten geschiedenis, aardrijkskunde, of biologie willen hun leerlingen toetsen op hun beheersing van die vakken, niet op hun kennis van het Nederlands. Taalzwakke leerlingen die hard werken voor geschiedenis of aardrijkskunde moeten daar goed in kunnen zijn en dat betekent dat je ze niet bij ieder afzonderlijk vak weer moet afrekenen op hun taalkundig onvermogen.

De Expertgroep heeft een reeks van criteria opgesteld waaraan leerlingen vanaf een nader te bepalen ingangsdatum moeten voldoen, van basisschool tot middelbaar onderwijs, tot ROC, Pabo en lerarenopleiding. Laten we hopen dat de basisschoolkinderen van nu over enkele jaren weer net zo goed kunnen lezen, spellen en rekenen als hun ouders op die leeftijd.

Intussen zitten we echter met een hele lichting scholieren en studenten voor wie het hoofdrapport van de Expertgroep te laat komt. Over deze groep spreekt de Expertgroep zich niet uit, maar voor hen is, zou ik zeggen, maar één oplossing. Deze kinderen, jongeren en studenten moeten bijgespijkerd worden in elementaire vaardigheden door het onderwijstype waarin zij zich bevinden. Voor rekenen en wiskunde zijn er bij hogescholen en universitaire opleidingen al instap- en inhaalcursussen. Voor taal moeten we hetzelfde gaan doen. We kunnen in de alfa- en gammawetenschappen studenten niet meer laten wegkomen met werkstukjes in schrikbarend slecht Nederlands, die we dan nadrukkelijk beoordelen los van het taalgebruik. Universitair docenten hebben daarvoor kwalificaties als: ‘Er zit een kop en een staart aan’. ‘Ik begrijp ergens wel wat hij bedoelt’. ‘Ze kan niet schrijven, maar ze kan wel denken’. ‘De bronvermelding is helemaal in orde’. De Vrije Universiteit kondigde deze week aan dat men een entreetoets Nederlands wil invoeren, gevolgd door een gerichte bijspijkercursus voor zwakke studenten. Een heel goed initiatief.

En wat we zeker niet moeten doen, is deze studenten, die zwak zijn in stijl en spelling, opschepen met Engelstalige studieprogramma’s, waar ze hun werkstukjes moeten aanleveren in Engels, dat nog slechter is dan hun Nederlands en dat door hun overwegend Nederlandstalige docenten niet adequaat kan worden gecorrigeerd. Met een generatie studenten die heel matig schrijft en spelt moeten we niet gaan experimenteren. We kunnen ze beter alsnog geletterd afleveren in hun en onze eigen moerstaal.

Over de drempels met taal en rekenen, rapport Expertgroep Doorlopende Leerlijnen via www.minocw.nl.Eerdere columns van Margo Trappenburg op www.margotrappenburg.nlReageren kan op nrc.nl/trappenburg (Reacties worden openbaar na goedkeuring van de redactie.)