Seriemoord in zang en dans

De nieuwe film van Tim Burton is een macabere musical over een barbier die de kelen van zijn klanten afsnijdt om hun lijken als pasteivulling te gebruiken.

Sloom stroomt het bloed langs de smoezelige huizen van negentiende-eeuws Londen, over de glimmende kinderhoofdjes van de straten, tussen de raderen van een fabrieksmachine door, om ten slotte in een riool te storten en het toch al brakke water rood te kleuren. Ook de muziek bij die openingsbeelden, met zwaar aangezette orgeltonen en een schrille fabrieksfluit als verwijzing naar de opkomende industrialisatie, wekt ongerieflijke voorgevoelens op. Sweeney Todd is de dissonant onder de musicals – de voornaamste personages wacht een gruwelijke dood – en regisseur Tim Burton heeft daarmee de dissonant onder de musicalfilms gemaakt. Dit is horror in muziek, zang en (een heel klein beetje) dans.

Sweeney Todd, de barbier der wrake, snijdt zijn klanten in de kappersstoel de keel af. Hun lijken schuift hij door naar Mrs. Nellie Lovett, die het vlees in haar pasteitjes verwerkt. In de film wordt hij gespeeld door Johnny Depp. Het is Depps zesde hoofdrol in een Burton-film, en misschien wel de meest gewaagde. Niet alleen omdat Todd tegelijk huiver en mededogen moet opwekken, maar ook omdat hij veel moet zingen. En dat heeft hij nooit eerder gedaan. Evenmin als Helena Bonham Carter trouwens, die Mrs. Lovett vertolkt. Ze zien er spookachtig uit, die twee, met geblankette gezichten vol vegen en veel zwart onder hun brandende ogen. Depp draagt bovendien een vervaarlijk golvend kapsel met een witte lok die als een stormalarm naar voren steekt. Hij oogt nog wat jong voor het verleden dat hem wordt toegedicht, maar al gauw lijkt dat er niet meer toe te doen. Sweeney Todd heeft de gelaatstrekken van Johnny Depp gekregen.

Een groteske verschijning is hij, even kunstmatig als het kleine stukje stad dat in de filmstudio is nagebouwd en met speciale effecten nog spookachtiger werd gemaakt. Tim Burton, de grootste stilist onder de huidige filmmakers, was kennelijk niet uit op een realistische reconstructie van het Victoriaanse Londen. Of op zo’n knusse Christmas Carol-stad met dikke sneeuwdekentjes op de vensterbanken van de popperige winkeltjes zoals Anton Pieck die vaak heeft getekend. Nee, dit is het Londen waarin Jack the Ripper had kunnen rondlopen, op zoek naar nieuwe prooien. Een ongewassen stad met lugubere steegjes en een sterke suggestie van stank. Een schrale stad ook, want bijna alle kleur is uit de beelden weggebeten. En daar, onder de hanebalken van een hoog huis, hanteert Sweeney Todd zijn flonkerende kappersmes. Akelig precies laat Burton keer op keer zien hoe dat mes door de kelen van de klanten snijdt, hoe het bloed eruit spat en hoe hun levenloze lichamen daarna door een luik op de vloer van de kelder ploffen.

Wellustig verfilmde de meester van de gothic cinema een verhaal dat al minstens anderhalve eeuw oud is, maar nog alom tot de verbeelding spreekt. Al was het maar doordat het zo makkelijk opwekt tot de morele verontwaardiging waarin menigeen zich ook nu nog met graagte wentelt. Er kan immers geen enkele twijfel bestaan over de afkeurenswaardigheid van ‘s mans daden. Maar ongetwijfeld appelleert Sweeney Todd ook aan diepere instincten, anders zou hij de tand des tijds niet zo glorieus hebben overleefd. Dat zou te maken kunnen hebben met de oerangst voor de kappersstoel – machteloos onder het mes – en wellicht ook met de fascinatie die aan kannibalisme kleeft: het onbekende, het onvoorstelbare dat toch bestaat.

Maar wie was Sweeney Todd?

Tot voor kort gingen de meeste geleerden ervan uit dat hij een verzonnen figuur is. De schepping van een naamloze broodschrijver, die in later onderzoek is geïdentificeerd als Thomas Peckett Prest. Hij schreef in 1846 in een blaadje met de weidse naam The People’s Periodical and Family Library een feuilleton dat The String of Pearls heette – naar het parelsnoer dat een van Todds slachtoffers bij zich droeg om aan een vrouw te geven. Londen griezelde en smulde ervan.

Peckett Prest was een buitengewoon behendig verteller die de spanning in Dickens-stijl geraffineerd wist te doseren. Maar wat nu vooral opvalt, is dat hij zijn verhaal expliciet situeerde in 1785 – en dus niet in zijn eigen tijd. Nadrukkelijk voerde hij zijn lezers terug naar het verleden van een stad die bijna 65 jaar na dato onherkenbaar was veranderd. „Voordat Fleet Street zijn huidige status had bereikt”, begint het verhaal, „was er een kleine kapperszaak die werd gedreven door een man die de naam Sweeney Todd droeg.” In de musical – en ook in de verfilming – speelt het verhaal zich af in de negentiende eeuw, toen het feuilleton voor het eerst verscheen. Maar eigenlijk is het dus een achttiende-eeuwse geschiedenis, of het nu wel of niet echt is gebeurd.

The String of Pearls verscheen in 1850 in boekvorm. In het voorwoord staat dat er menigmaal naar het waarheidsgehalte is geïnformeerd: „Daarop kunnen wij zonder aarzelen zeggen dat er inderdaad zo’n man heeft bestaan; het verslag van zijn misdaden kan nog altijd worden gevonden in de annalen van de criminaliteit in dit land.” Het probleem is alleen dat de uitgever een notoir onbetrouwbare duitendief moet zijn geweest, die zijn anonieme auteurs ook ongebreideld plagiaat liet plegen op de sterschrijvers uit die tijd. Bijna niemand heeft dat voorwoord dan ook serieus genomen.

En toch lijkt het er nu op dat Todd echt heeft bestaan. Dat blijkt uit het eind vorig jaar verschenen boek Sweeney Todd, The True Story of the Demon Barber of Fleet Street van de Engelse historicus Peter Haining. Na niet minder dan vijftig jaar studie is hij tot de conclusie gekomen dat Todd en zijn misdaden geen verzinsels zijn. Haining vond de bevestiging in The Newgate Calender, een tijdschriftje dat eind achttiende, begin negentiende eeuw sensationele en gedetailleerde rechtbankverslagen publiceerde. Daarin stond een verslag in geuren en kleuren van de rechtzitting tegen Sweeney Todd, die op het schavot aan zijn einde kwam. Zijn medeplichtige Mrs. Lovett had zich al tijdens haar voorarrest in de cel met gif van het leven beroofd.

Todd was een ware serial killer. Volgens een politierapport werden in zijn huis genoeg herenkostuums aangetroffen om 160 heren te kleden. Dat is natuurlijk geen onomstotelijk bewijs voor moord, maar in zijn kelder vond men de rest: stinkende stapels botten waarvan het vlees voor de pasteitjes in haast en dus nogal slordig was afgehakt. Geen wonder dat de zaak werd betiteld als „een van de processen van de eeuw”. Haining vond zelfs een portretje, „naar het leven getekend terwijl hij terechtstond”, dat in die tijd voor drie pennies op straat werd verkocht – zo zeer was Londen in de ban van deze massamoord. Het vertoont een schichtig opzij kijkende man die met verkrampte kop een mes zit te slijpen. Op een paal troont, als een scalp, het bepruikte hoofd van een rechter die hij had onthoofd.

De eerste theaterversie van het verhaal

ging al in 1847 in Londen in première. Er zouden er vele volgen: onvervalst melodrama voor een publiek dat zich graag kwam vergapen aan bloeddorstige taferelen. De eerste verfilming – toen nog zwijgend – dateert uit 1926. Eén ding hadden al die bewerkingen gemeen: dat het Todd alleen om het gewin te doen was. Hij beroofde zijn slachtoffers van hun bezittingen en deelde met Mrs. Lovett in de opbrengst van de pasteiverkoop. „Het lijdt geen twijfel dat de liefde voor geld de allesoverheersende factor was in Sweeney Todds intellectuele organisatie en dat hij alles afmat aan wat het hem zou opleveren of wat het hem zou kosten”, staat in het negentiende-eeuwse feuilleton.

Anderhalve eeuw later werd er een

element aan de Todd-legende toegevoegd. Dat gebeurde in 1974, in een nieuwe toneelversie van The Victorian Theatre in Londen. Voor het eerst verscheen Todd daarin als een brave barbier, die na vijftien jaar ballingschap terugkwam in Londen, vervuld van wraakgevoelens jegens de wrede rechter die hem ten onrechte had veroordeeld teneinde zelf Todds vrouw en dochter te kunnen verschalken. En zo kreeg ook Mrs. Lovett iets wanhopigs, wat ze eerder niet had. Zij hunkert naar de liefde van Sweeney Todd, terwijl hij alleen maar oog heeft voor het grote onrecht dat hem is aangedaan.

Op dat toneelstuk, met het liefdesdrama als extra aanjager, is de musical gebaseerd die nu door Tim Burton is verfilmd. Stephen Sondheim, de origineelste musicalmaker van de laatste halve eeuw, dichtte en componeerde een wervelend vlechtwerk van muzikale motieven en tekstuele vondsten – soms voluit lyrisch, en daardoor wonderbaarlijk mooi contrasterend met de macabere intrige. In de meeste musicals vallen inhoud en vorm eenduidig samen. Maar hier niet. Zo ontstaat het idee voor de ultieme misdaad (de lijken worden de vulling voor de pasteitjes) tijdens een sierlijk walsje vol binnenrijmen en puntige woordgrappen. En die wals wordt wilder en vuriger, als Todd en Mrs. Lovett elkaar wijsmaken dat ze de maatschappelijke verhoudingen voorgoed op hun kop gaan zetten. Ga maar na: eeuwenlang hebben de hooggeplaatsten de onderklasse leeg gevreten, overdrachtelijk gesproken. Maar voortaan is dat, letterlijk, andersom. Het volk vreet straks rechters, advocaten, priesters en politici op.

Alles botst en schrijnt en kantelt in die musical. Een van de meest smeltende melodieën - een ode aan de vrouwen - fungeert nota bene als duet tussen de demonische barbier en de rechter die als aanstaand slachtoffer in de stoel zit. Later vertelde Sondheim dat hij een voorbeeld had genomen aan de muziek die Bernard Herrmann maakte om de spanning in de films van Alfred Hitchcock tot het uiterste te doen stijgen. Zelfs in de lieflijkste passages is er altijd wel één schril vioolstreekje of een onbehaaglijk hoog hobonootje om de zaak weer op scherp te zetten.

Het filmscenario wijkt nauwelijks af van de theatermusical. Sommige songs zijn ingekort en een enkel nummertje is geheel weggelaten, maar veel scheelt het niet. De belangrijkste ingreep is de Brechtiaanse koorzang die Tim Burton heeft geschrapt. Heel begrijpelijk, want zo’n ensemble dat op gezette tijden vertelt hoe het verder gaat, is een typische theatervorm. Een filmer kan zoiets in beelden vertellen. Maar wie de musical lief is, zal het koor in de film wel missen – het koor dat in een funerair soort marstempo opkwam en de voorstelling begon met de woorden: „Attend the tale of Sweeney Todd / his skin was pale and his eye was odd / he shaved the faces of gentlemen / who never thereafter were heard of again... Een openingslied als een voorbode van naderend onheil.

De ratten ritselen in de riolen, een sinistere mist sluipt vanaf de Theems de stad binnen en Sweeney Todd slijpt zijn messen.

Sweeney Todd draait vanaf 7 februari in de Nederlandse bioscopen.