Schaamte is wat ons bindt

Doeschka Meijsings nieuwe romen gaat over een vrouw die wordt verlaten door een jongere vrouw. Anders dan sommigen hadden verwacht is Over de liefde sleutelroman noch afrekening.

Doeschka Meijsing: Over de liefde. Querido, 238 blz. € 22,95 / €18,95

Geen gelukkiger tijden voor een dorp dan wanneer de dokter een geheime verhouding krijgt met de apotheker – en die affaire over het dorpsplein ruist, terwijl de door het overspel bedrogen echtgenoten als enigen van niets weten. Een vergelijkbaar pleziertje had de cultureel-economische gemeenschap die meestal wordt aangeduid als de Amsterdamse Grachtengordel enkele jaren geleden. Daar werd men toen zeer geamuseerd door de liaison tussen de hoofdredacteur van een prominent tijdschrift en de oudere, getrouwde uitgever van haar blad. Pikant detail: de hoofdredacteur had tot op dat moment een vrouw als partner, de schrijfster Doeschka Meijsing.

De gisteren verschenen nieuwe roman van Meijsing heet Over de liefde en gaat over wat een vrouw meemaakt nadat zij is verlaten door haar partner, een veertien jaar jongere vrouw die hoofdredacteur is van de Wereldomroep. Zij verkiest opeens een man, ‘nog ouder dan ik, getrouwd, op het randje van verlepping’. Toch is dit boek niet wat men op het dorpsplein zal denken – of stiekem hopen. Over de liefde is geen sleutelroman en ook geen afrekening, al is de ontrouwe partner nadrukkelijk gemodelleerd naar die van Meijsing.

Wat het boek trouwens ook niet is – om maar met de deur in huis te vallen – is een perfecte roman. De plot ontwikkelt zich traag en een tikje voorspelbaar, het toeval speelt een te prominente rol, er staan storende herhalingen in, sommige episodes hangen er maar een beetje bij en Meijsing deinst er niet voor terug om haar personages flauwigheden in de mond te leggen als ‘en bedekken het met de mantel der liefde, die daarmee even onbetrouwbaar wordt als de lijkwade van Turijn’.

Toch is Over de liefde zeer de moeite waard.

Veel meer dan een roman is het boek een essay, een verkenning van de betekenis van niet alleen de liefde, maar ook van verdriet. Dat onderzoek wordt uitgevoerd door de vertelster Philippa van der Steur, Pip voor intimi. Zij zit diep in de ellende na de breuk met haar geliefde Jula. ‘Mijn wonden waren diep en stinkend’ aldus Pip. En: ‘Ja, in mijn geval stond ik de hele dag stram en strak bij de gootsteen, waar ik soms het water liet lopen en soms niet.’

Ze overdenkt al haar liefdes, niet alleen die voor de ontrouwe Jula. Sterker nog, die wordt de eerste vijftig pagina’s van de roman een beetje ontweken. Wel komt het lot van Pips oude cafévrienden ter sprake, van wie de een na de ander sterft; rouw die op de een of andere manier eenvoudiger en behapbaarder is dan liefdesverdriet. En hoe belangrijk is dat laatste liefdesverdriet eigenlijk? Was Pips relatie daarvóór niet veel heftiger, gepassioneerder en belangrijker? Bovendien wordt de hoofdpersoon weer geconfronteerd met haar allereerste, heimelijke liefde: die voor een onaanraakbare lerares op school, een zekere Buri Vermeer. Die heeft overigens nogal wat gemeen met de lerares Johanna Freida uit Meijsings romandebuut Robinson (1976).

Zo cirkelen Pips gedachten om het grote verraad heen, terwijl ze zich schuilhoudt in huis. Pas geleidelijk ontstaat er een soort portret van Jula, een ambitieuze, levenslustige vrouw, in optimisme en daadkracht het spiegelbeeld van Pip. Iemand wier fiets altijd een half wiel voor de hare reed. Maar ook iemand die lacht om haar grapjes, die haar een publiek geeft. En een vrouw die zich niets aantrekt van Pips verlangen om na de breuk alle contact voor eeuwig te verbreken.

Dat laatste blijkt wanneer Pip bij een ongeluk op straat een schedelbasisfractuur oploopt. Jula komt eten brengen en haar bed verschonen. In ruil – en bij wijze van wraak – krijgt ze zoveel verwijten dat ze het huis meestal in tranen weer verlaat.

Een relatiedrama als honderden anderen, zou je denken. Toch zijn er twee bijzondere elementen. In de eerste plaats is Pip een vrouw die wordt ingeruild voor een man. In haar depressie gaat ze zich vervolgens steeds meer afvragen of ondanks homohuwelijken en homotrots het verraad van Jula niet gewoon een herneming is van de natuurlijke orde. Ze constateert dat er door veel mensen met een zekere opluchting werd gereageerd op de affaire. Er was een vrouw weer teruggekeerd bij een man, zoals het hoort.

In de tweede plaats ging het om een liefde die zich deels in het openbaar afspeelde, midden op het dorpsplein als het ware. Iedereen wist wat er zich in Pips liefdesleven aan het voltrekken was, maar niemand vertelde het. Tweemaal in Over de liefde valt de naam Santiago Nasar, de held uit Gabriel García Márquez’ Kroniek van een aangekondigde dood. Van zijn aanstaande dood door eerwraak is een heel dorp op de hoogte, zonder dat iemand ingrijpt.

García Márquez’ boek gaat van de eerste tot de laatste letter over de werking van schaamte in een gemeenschap. Het is schaamte die maakt dat de bruid uit dat boek niet durft te zeggen dat ze geen maagd meer is, het is schaamte die maakt dat haar familie zich moet wreken op de vermeende schenner van haar eerbaarheid en het is schaamte die de dorpsbewoners ervan weerhoudt om de moordenaars tegen te houden.

Ook in Over de liefde komt alles bij elkaar in precies dat begrip, schaamte. Uiteraard de vernietigende kracht ervan. De schaamte van Pip voor de vernedering die ze heeft moeten ondergaan en de schroom van vrienden en kennissen om haar te informeren. En voor de homoseksuele Pip zijn liefde en schaamte altijd nauw verbonden geweest, wat weer wordt versterkt door het ‘overlopen’ van haar geliefde.

Meijsing gaat een stap verder. Aan het eind van de roman blijkt dat Bubi Vermeer, de docente die Pips grote stille (beschaamde) liefde was, zélf een eerste liefde heeft gehad waarover ze uit schaamte nooit een woord heeft gezegd. Het blijkt die liefde niet gedeerd te hebben, legt ze uit. Juist door het noodgedwongen stilzwijgen werd die liefde onkwetsbaar en sterker dan alles wat er zou volgen.

Tot dat moment denk je dat het schaamte is die Pip haar hele leven heeft dwarsgezeten, dat ze de schaamte voorbij moet zien te raken. Zoals haar ex Jula, die zich zowel in haar overspel als in haar latere toenaderingen uitgesproken schaamteloos betoont.

Zelfs daarmee is Meijsing nog niet tevreden, zo wordt duidelijk in de mooiste scène van het boek: bij een etentje met Jula’s familie (het is nog aan) vertelt Pip met vrolijke zelfspot over het moment waarop Jula suggereerde om hun samenzijn na twaalf jaar om te vormen tot een lat-relatie. De vrolijkheid komt voort uit schaamte, al is ze zich dat zelf maar half bewust. Maar ze oogst succes: ‘Het gezelschap lachte uitbundig en Jula reikte met een lange arm voor haar moeder langs en aaide me. Ik was gelukkig.’

Dan daagt je dat schaamte niet alleen een rol speelde in het einde van de liefde tussen Pip en Jula, maar dat het ook de kern ervan uitmaakte. Jula’s schaamteloosheid maakte haar aantrekkelijk voor de eenzelvige Pip. Maar andersom werkte het ook: Pips diepgewortelde schaamte maakte dat ze zich in gezelschap vaak verstopte achter een scherm van vrolijkheid en amusement. En dát waren precies de momenten waarop Jula het meest van haar hield, de momenten waarop ze samen gelukkig waren.

Deze liefde was er een waarin schaamte niet alleen een destructieve kracht was, maar ook een scheppende kracht. En als je de roman autobiografisch leest kun je in dat laatste zelfs een uitspraak over Meijsings eigen schrijverschap zien.

Zo is Over de liefde veel meer dan een roman over de liefde een indrukwekkend essay over schaamte. Schaamte die uiteindelijk weer diep met de liefde verstrengeld raakt.