Opsporingsbelang wint van individu

De roep om publicatie van foto’s van verdachten klinkt de laatste jaren steeds luider. De wet staat het toe, maar alleen onder bepaalde voorwaarden.

Het publiceren van foto’s van verdachten is toegestaan, mits met mate en in redelijkheid. Daarbij wegen het Openbaar Ministerie en de politie steeds belangen tegen elkaar af – het belang van privacy versus dat van straf en preventie. Hoe ernstiger de verdenking, hoe eerder een beeld wordt gepubliceerd.

Dat is, samengevat, de kern van de Wet politieregisters en de aanwijzing opsporingsberichtgeving. Publicatie mag alleen bij verdachten van misdrijven waar voorlopige hechtenis op staat. En bij ontsnapte, gewelddadige gedetineerden, vermiste personen en onbekende doden.

Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) eist dat de beslissing om te publiceren per verdacht individu apart moet worden genomen. Er moet in het bijzonder worden gelet op „beschadigende en onomkeerbare neveneffecten van publicatie op internet voor ‘first offenders’, mensen die nooit eerder met de politie in aanraking waren.

In 2006 onderzocht het CBP de gang van zaken rond rellen bij een voetbalwedstrijd in Rotterdam, na de Vierdaagse in Nijmegen en tijdens de kermis van Katwijk, en een sms-actie die de politie van Berg en Terblijt hield. Ook dat mocht, maar niet als standaardprocedure.

Ook bij sms-acties moet de politie steeds opnieuw beoordelen of het strafbare feit wel ernstig genoeg is om de inbreuk op de privacy te rechtvaardigen. Internet- en sms-acties moeten dus maatwerk zijn, voorbehouden aan ernstige gevallen. Want straks kom je al op internet als de bewakingscamera ziet dat je een propje op straat gooit, schuin oversteekt of de poep van je hond niet opruimt, zo is de onuitgesproken vrees.

Tegelijk neemt de roep om meer repressie toe. In 2004 bepleitte toenmalig korpschef Vogelzang van de regiopolitie Utrecht dat bijvoorbeeld veelplegers uit de anonimiteit moeten worden gehaald. Hun foto’s zouden op internet moeten komen. Daarbij ging het niet om opsporing van verdachten, maar om het waarschuwen van het publiek tegen ex-veroordeelden die op vrije voeten zijn.

Dat pleidooi kwam de korpschef op een strenge brief te staan van Ulco van de Pol, buitengewoon lid van het CBP. Vogelzang werd herinnerd aan zijn geheimhoudingsplicht, die volgt uit artikel 30 van de Wet politieregisters. Het publiceren van politiefoto’s mag alleen als „recht wordt gedaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.” Publicatie moet in een redelijke verhouding staan tot het doel: het voorkomen van strafbare feiten. En het mag alleen als er geen ander, minder ingrijpend middel voor handen is.

Politiefoto’s en informatie over veelplegers mogen overigens wel worden gedeeld. Winkeliers mogen politiefoto’s bijvoorbeeld onderling verspreiden en aan hun personeel laten zien. Maar de foto’s aan het publiek tonen of op de eigen site zetten, mag weer niet.

In een artikel in het Algemeen Politieblad schreef Van de Pol, die ook rechter is, dat ook een veelpleger de kans moet krijgen in de maatschappij terug te keren zonder te worden beschimpt, bespot of belaagd. Politie en justitie weten uit ervaring dat het verspreiden van verkeerde foto’s consequenties kan hebben. Bij een verkeerde of verkeerd begrepen foto ligt schade aan reputatie, eer en goede naam op de loer. Het is dan niet ondenkbaar dat de burger ook bij de afstraffing een handje mee gaat helpen. In een rechtsstaat is een verdachte in principe een burger die onschuldig is totdat het omgekeerde is bewezen. Ook dat belang moet de politie dienen.

Niet elke politieman is daarvan doordrongen. De Amsterdamse korpschef Bernard Welten noemde in 2004 het recht op privacy zelfs „de schuilplaats van het kwaad”. Naarmate burgers meer strafbare feiten plegen, verspelen ze hun aanspraak op bescherming van hun particuliere levenssfeer, zo lichtte Welten destijds toe in NRC Handelsblad. De Rotterdamse PvdA-fractievoorzitter Peter van Heemst herhaalde die uitspraak gisteravond in de gemeenteraad.

Ook burgers worden minder terughoudend. Tenminste, zolang het de privacy van een ander betreft. Bij de nationale ombudsman werd in 2002 geklaagd over de politie van Flevoland. Die had geweigerd om in het televisieprogramma Opsporing Verzocht een compositiefoto van een verdachte verkrachter te laten zien. De ombudsman was het niet met de klacht, van het slachtoffer, eens. Het slachtoffer had tegenstrijdige verklaringen afgelegd en leek als getuige helemaal niet zo betrouwbaar. De compositiefoto, gemaakt op basis van haar verklaringen, was wel erg algemeen.

Een 79-jarige vrouw uit Amsterdam die haar foto terugzag in een etalage met de tekst ‘Deze vrouw heeft hier gestolen’ spande een kort geding aan. Zij voelde zich in het nauw gedreven en kreeg ook gelijk van de kortgedingrechter.

Voorlopig houden de toezichthouders vast aan de criteria voorzichtigheid, maatwerk en redelijkheid. Dat zijn per definitie rekbare begrippen. Het belang van opsporing krijgt, zoals in de Rotterdamse gemeenteraad, steeds meer gewicht. Privacy is in het defensief.