Onderweg naar nergens

Miljoenen Chinezen zijn, op weg naar huis voor het Lentefestival, gestrand.

Komt dat alleen door de sneeuwstormen, of is er ook sprake van een falende staat?

Het is een hard gelag voor de jonge lasser én miljoenen zoals hij. Na een jaar onafgebroken werken wilde Chen Zaimiao graag naar huis. Hij had vrije tijd gespaard én een paar duizend yuan om voor het Chinese nieuwjaarsfeest, het Lentefestival, eerder te mogen vertrekken en langer te kunnen blijven bij vrouw, kind en ouders.

Veel verder dan de voor hem vreemde en dure metropool Shanghai zal hij niet komen, want alle treinen en bussen naar zijn thuisprovincie Guangxi, aan de Vietnamese grens, zijn uitgevallen.

Onder normale omstandigheden zou zijn jaarlijkse reis zo’n dertig uur kosten, maar door de sneeuwstormen is hij al meer dan een week onderweg „naar nergens”. Vliegen, als dat al mogelijk zou zijn, is voor hem geen optie. Hij bracht al een paar nachten door in de ondergrondse parkeergarages. Gisternacht sliep hij in een van de grote, witte tenten op het stationsplein. Hij wil zijn geld niet verspillen aan een hotel.

„In plaats van naar het zuiden te reizen kom ik steeds noordelijker terecht”, vertelt hij, terwijl hij bouillon met jiaozi (dumplings) slurpt. „Ik ga terug naar de fabriek. Als er nog plaats is in de bus. Het enige voordeel is dat ik driemaal zoveel betaald krijg als ik doorwerk tijdens het Lentefestival.” Van zijn vrouw en thuiswonende zuster krijgt hij voortdurend sms’jes met de vraag waar hij blijft. „Ik durf niet te vertellen dat ik niet kom”, zegt hij berustend.

Zaimiao is niet de enige migrantenwerker die heeft besloten te breken met de traditie en weer aan het werk te gaan. Volgens dagblad China Daily hebben twee miljoen arbeiders hun reisplannen veranderd en keren zij, aangemoedigd door de autoriteiten en de aanhoudend slechte weersvoorspellingen, terug naar de doordraaiende fabrieken.

De financiële hoofdstad van China is aan de vooravond van het Lentefestival (woensdag), een doorgangsstation voor miljoenen reizigers, vooral migrantenwerkers en studenten. Shanghai klaagt weliswaar luidkeels over het noodweer, maar in de stad zelf is er op een golf van gebroken ledematen en ingestorte daken na nog weinig aan de hand.

De echte problemen doen zich vooral voor in de zeventien oostelijke en zuidelijke provincies, waar de autoriteiten niet voorbereid waren op langdurige sneeuwstormen. In Hunan, Hubei, Jiangsi en Guangdong zijn wegen al dagenlang afgesloten: bussen en treinen staan daar al sinds begin vorige week stil. Door de stagnatie in de kolenaanvoer hebben elektriciteitscentrales hun productie stilgezet of verminderd.

De gelatenheid van de miljoenen gestrande reizigers op de internationale tv is schijn. In de menigte bij het station van Shanghai wordt veel gehuild in mobiele telefoons. Een vrouw mept met een opgerolde krant op het hoofd van een man die haar probeert opzij te duwen bij de ingang naar een overvolle wachtkamer. Op internet wordt melding gemaakt van reizigers die op de vuist zijn gegaan met politie en stationspersoneel. De inzet van een miljoen soldaten zegt iets over de ernst van de wintercrisis.

De duizenden wachtenden in het station van Shanghai kunnen op de tv-monitoren zien dat hun lotgenoten op stations Guangzhou, Nanjing, Chongqing en andere provinciehoofdsteden het niet beter hebben.

De Chinese staatstelevisie maakt een groot nummer van de excuses die premier Wen Jiabao maakt aan reizigers in Guangzhou en aan de familieleden van drie elektriciens die omkwamen toen zij in de stormen een hoogspanningskabel wilden herstellen. Zij zijn „revolutionaire helden”.

De televisie concentreert zich op de hulpverlening door het leger en de politie, die volgens de tv overal warme thee uitdeelt. De autoriteiten vertellen dat alle problemen „binnenkort” opgelost zijn. In het station is de informatievoorziening uitermate summier, ook omdat er niets nieuws te vertellen is.

De voor de hand liggende constatering dat de autoriteiten in de getroffen provincies niet voorbereid waren op sneeuwstormen en op de chaos in het openbaar vervoer, komt niet over de lippen van de presentatoren.

Het dichtst bij kritiek kwamen gisteren enkele anonieme analisten in de Engelstalige Chinese media. Zij verklaarden dat de spoorwegen door het uitblijven van investeringen in infrastructuur en materieel bijzonder storingsgevoelig zijn. Toeval of niet, de spoorwegdirectie kondigde aan dat er miljarden geïnvesteerd zullen worden in nieuw materieel en zo’n 8.000 kilometer nieuw spoor.

Ook het prijsbeleid van de centrale autoriteiten zou een rol spelen. Peking stelt de elektriciteitsprijzen vast voor consumenten. Die prijzen worden om politieke redenen zeer laag gehouden. Maar de prijsvorming voor kolen is geleidelijk aan geliberaliseerd. Elektriciteitsmaatschappijen moeten daardoor relatief dure kolen inslaan, maar kunnen de daarmee gepaard gaande kosten niet doorberekenen aan de consumenten.

Om toch winst te maken, houden zij de stroomproductie zo laag mogelijk en dat zorgt tijdens onverwacht koud weer, als de vraag het aanbod vele malen overstijgt, voor grote problemen. „Er is geen back-upsysteem, er zijn geen noodvoorzieningen”, aldus de anonieme critici.

Maar dat is een discussie die ver over de hoofden van Zaimiao en Yulong heen gaat.