Niet bij eigen smaak alleen

Vijftien jaar na zijn beroemde anthologie van het Amerikaanse verhaal maakte Richard Ford een nieuwe. Collega-bloemlezer Joost Zwagerman is het hartgrondig oneens met de selectie.

Richard Ford (sam.): The New Granta Book of American Short Stories. Granta Books. 753 blz. € 29,–

Als ik al niet verknocht was geweest aan het Amerikaanse korte verhaal, dan had in 1992 Richard Fords bloemlezing The Granta Book Of The American Short Story me ongetwijfeld over de streep getrokken en was er dankzij die bloemlezing weer een zieltje gewonnen voor dit genre. Ford beperkte zich in The Granta Book... tot de periode 1942-1992, wat de afwezigheid verklaarde van cracks in het genre als Edgar Allan Poe, Henry James, Ernest Hemingway en F. Scott Fitzgerald. Jammer was die tijdsafbakening wel, want met de uitbreiding van de periode met nog eens vijftig jaar, had The Granta Book ook kunnen tonen hoe het korte verhaal zich in de VS heeft ontwikkeld. Zoals in de Russische literatuur Toergenjev eens opmerkte dat schrijvers van korte verhalen ‘allemaal onder de overjas van Gogol’ tevoorschijn kwamen, zo kan in de VS vrijwel geen schrijver van korte verhalen uit onder de slagschaduw van James, Hemingway en Fitzgerald.

Tot de 43 verhalen in Fords bloemlezing uit ’92 behoorden wél moderne klassiekers van Paul Bowles, Flannery O’Connor, John Cheever en John Updike. Maar ook nam Ford verhalen op van toen nog beginnende schrijvers als Lorrie Moore, David Leavitt en Amy Tan. Van deze drie heeft Lorrie Moore zich ontwikkeld tot een van Amerika’s getalenteerdste korte-verhalenschrijvers, met de bundel Birds of America (1998) als haar voorlopige meesterstuk. Een goede neus voor nieuw talent had Richard Ford dus onmiskenbaar.

Uit de keuze van die 43 verhalen én uit zijn voorwoord in The Granta Book bleek Fords voorliefde voor het zogeheten dirty realism: felrealistische, en vaak secuur vertelde verhalen, met als hoofdfiguren vaak mensen die nog nét niet tot de white trash behoren. De belangrijkste gezant van het dirty realism is wel Raymond Carver.

Met zo’n voorliefde voor één richting binnen het genre is natuurlijk niets mis, ware het niet dat andersoortige verhalen er in The Granta Book wel erg bekaaid afkwamen. Wie afgaat op de keuze in The Granta Book zou bijvoorbeeld niet weten dat in de jaren zestig en zeventig een subgenre genaamd meta-fiction bloeide in Amerika: experimentele romans en korte verhalen waarin duchtig gerommeld werd met de wetten van de roman- en verhaalkunst. In meta-fiction versmolten feit en fictie en werden met vormexperimenten de grenzen van de traditionele fictie verkend. Slechts twee van de verhalen in The Granta Book waren meta-fiction.

Met de verschijning van de nieuwe editie van The Granta Book Of The American Short Story hoopte ik op een bijstelling van Fords keuze, ten gunste van diverse subgenres. Maar wat blijkt: alle 43 verhalen zijn vervangen! Sommigen, onder wie Welty, Cheever, Updike, Paley, O’Connor en Moore, zijn ook deze keer gebloemleesd, maar met een ander verhaal. Maar de afvallers springen meer in het oog, vooral omdat dit niet de minsten zijn (zie kader).

Een aantal onder hen komt wegens anciënniteit niet meer in aanmerking vanwege de tijdsspanne van vijftig jaar, maar de namen die ervoor in de plaats zijn gekomen behoren niet tot de eerdergenoemde eregalerij en kunnen niet allemaal Geheimtipps zijn: Louise Erdrich, Denis Johnson, Tom Franklin, Edward P. Jones, Bharati Mukherjee en Elizabeth Spencer.

Bij het samenstellen van deze nieuwe editie heeft Richard Ford nog minder dan in 1992 rekening willen houden met representativiteit en diversiteit. Alleen zijn eigen smaak telde. Dat kan en dat mag, maar dan is het toch echt te veel eer dat de uitgever op de achterflap vermeldt dat de eerste editie inmiddels de reputatie geniet van ‘de definitieve anthologie van het Amerikaanse korte verhaal van de laatste helft van de 20ste eeuw’. Met de veronachtzaming van bepaalde subgenres, en met het afserveren van schrijvers als Malamud, Salter en Vonnegut kan Fords bloemlezing toch geen aanspraak maken op het epitheton ‘definitief’.

Waarom ontbreken in beide edities bijvoorbeeld verhalen van Saul Bellow en Philip Roth? Geen bloemlezer kan toch voorbijgaan aan Roths debuut uit 1959, de bundel Goodbye, Columbus. Waar zijn de hardboiled grotestadsverhalen te vinden, gesitueerd in kringen van New-Yorkse hippe snobs en drugsverslaafden? Voor Richard Ford bestaan de verhalen van Tama Janowitz, Dennis Cooper, Jonathan Ames en Bret Easton Ellis niet.

Een nieuwe generatie jonge schrijvers in Amerika mengt het beste van dirty realism en meta-fiction, en de avontuurlijkste en innoverendste schrijver van die generatie is wel David Foster Wallace, die inmiddels twee verhalenbundels op zijn naam heeft staan, waarvan Oblivion (2004) de sterkste is. Ook hij is afwezig. En als de afwezigen sterker opvallen dan de aanwezigen, is er iets vervelends aan de hand.

Ook binnen het genre van het traditionele korte verhaal met kop-en-staart slaat Ford nu juist de allerbeste verhalen en bundels over. Gelukkig was David Leavitt gebloemleesd in die eerste editie, en diens debuutbundel Family Dancing (1984) staat inmiddels terecht bekend als een moderne klassieker. Ford ‘beloont’ Leavitt met een uitsluiting in deze nieuwe editie. In 2005 verscheen na heel veel jaar weer een verhalenbundel van James Salter: het imponerende Last Night. In de 1992-editie was Salter nog aanwezig – nu niet.

Wanneer je je eenmaal verdiept in al die afwezigen, valt ook vrij snel op dat Fords keuze uit het werk van schrijvers die wél een plaats hebben gekregen, nogal fantasieloos en eenzijdig is. Van John Updike nam Ford een verhaal op over een huwelijk dat lang geleden had te lijden onder overspel. Aardig, maar in die categorie schreef en schrijft hij tientallen verhalen. Waarom niet gekozen voor een van Updike’s onbetwist allerbeste verhalen, bijvoorbeeld ‘A&P’? Dit verhaal staat niet voor niets in allerlei Amerikaanse schoolboeken; ‘A&P’ is in Amerika wat ‘Dominee met strooien hoed’ van Jan Wolkers of ‘Brommer op zee’ van Biesheuvel in onze literatuur is.

Met al die moeilijk te begrijpen omissies valt het nog mee dat Ford van Lorrie Moore wél haar tot nu toe meest gedurfde verhaal koos: ‘People Like That Are The Only People Here’, uit Birds of America. In dit verhaal volgt Moore een ouderpaar van wie hun enig kind op de afdeling oncologie ligt – en niet lang meer te leven heeft. Lorrie Moore beneemt de lezer de adem door zich te concentreren op de broze grens tussen ontreddering en waanzin, rouw en hysterie. Van het ouderpaar is het de moeder die deze broze grens overgaat. Haar toenemende waanzin spiegelt in ‘People Like That..’ in de toenemende fragmentering van het verhaal .

In The Granta Book of American Short Stories staan vrijwel uitsluitend verhalen die nauw verwant zijn aan het soort verhalen dat Ford zélf schrijft. Misschien is dat zijn criterium geweest: het kiezen van verhalen die hijzelf graag had willen schrijven, of waar hij dan toch op ambachtelijk niveau veel in herkent. Voor een bloemlezing is dit niet genoeg. Een lezer kan en mag méér verwachten van een bloemlezer dan het volgen en uitlichten van zijn eigen smaak en voorkeur. Een bloemlezer moet ook een open oog en oor hebben voor die literaire subgenres waar hij misschien minder affectie voor koestert. Zo’n instelling vergt een open geest, een empathie voor het vreemde, om het enigszins pastoraal te zeggen. Maar pastoraal werk is de bloemlezer naar mijn idee niet geheel vreemd: een bloemlezer biedt ruimte aan allerlei werk waarvoor hijzelf misschien niet zeven dagen in de week juichend door de straten trekt, maar dat hij tóch opneemt vanwege de ambitie recht te doen aan de diversiteit binnen een literair genre.

Ford wilde dat allemaal niet – of hij kon dat niet, dat wil ik in het midden laten. Het betekent wel dat er werk aan de winkel is voor een ander. Wie in de Verenigde Staten zou een échte verhalen-anthologie kunnen samenstellen die recht doet aan álle soorten korte verhalen van de laatste vijftig jaar uit de VS? John Updike schiet me direct te binnen. Of anders Joyce Carol Oates (die een voorbeeldige essay-anthologie samenstelde). Of, van de jongeren: Dave Eggers of David Foster Wallace. Beiden hebben ervaring in het bloemlezen, en uit hun bloemleeswerk blijkt dat ze minder eenzijdig ingesteld zijn of, om het ietsje strenger te zeggen, minder bekrompen zijn dan Richard Ford.