"Nee, de Anna Bijns Prijs zet eindelijk een minderheid in het zonnetje

Hoezo ‘zwakke zusters van Letterenland?’ Wat maakt het boek van Christiaan Weijts dan zo geweldig?

Oh ja, criteria die door mannen zijn opgesteld.

Toegegeven: de Anna Bijns Prijs is misschien niet de meest relevante prijs die de literaire wereld te bieden heeft. De selectiecriteria zijn wat arbitrair, want geen aangeboren baarmoeder, geen kansen. Het is jammer dat een deel van de genomineerden al door andere jury’s erkend is. En een prijs als deze werkt boven bierglazen uitgebrulde grappen over vrouwelijke onkunde in de hand.

Het rumoer in de media over de Anna Bijns Prijs overstemt tijdelijk het schrille gegorgel dat Heleen van Rooyen zo vaak laat horen door de bewezen kwaliteit van een vrouwenhand centraal te stellen, maar leidt ook tot oproepen ons te schamen voor het hebben van een aparte prijs voor vrouwelijk literair talent. Wie zo’n prijs juist vindt, vindt verkeerd.

Christiaan Weijts suggereert dat deze prijs de erkenning is van het feit dat vrouwelijke schrijvers hulpbehoevende zwakke zusjes zijn. Dat is een uitzonderlijk kromme redenering. De prijs is er voor een literaire minderheid; vrouwen hebben pas na de Tweede Wereldoorlog literaire erkenning gekregen. De vraag is of Weijts winnaars van prijzen voor allochtonen, debutanten en kinderboekenschrijvers ook als probleemkindjes beschouwt.

Een prijs voor een literaire minderheid betekent erkenning voor een groep schrijvers die ondergesneeuwd dreigt te raken door het literaire geweld van de meerderheid, en is in die zin gewoon attent. Jammer is wel dat de behoefte aan deze prijs überhaupt bestaat. Hoewel vrouwen de grootste lezersgroep zijn, vrouwelijke schrijvers het goed doen en veel verkopen, zijn ze in het prijswinnend literaire veld marginaal aanwezig.

Weijts gaat er van uit dat dit komt doordat vrouwen te anekdotisch schrijven, en dat dit niet literair genoeg is om elders in de prijzen te vallen. Hij gaat daarbij voorbij aan het feit dat de huidige literatuuropvatting voornamelijk aan mannen te danken is, dat de ‘doorslaggevende criteria’ vastgesteld zijn binnen een masculiene traditie.

De triomfantelijkheid van Weijts over Cox Habbema (een actrice!) is misplaatst, omdat zij in haar eentje nooit de stem van het vrouwelijke lezerspubliek zal kunnen verwoorden. Bovendien wordt er voor dit soort ‘jackpots’ zoveel ingestuurd, dat de jury, om de prut van de parels te kunnen scheiden, op zoek zal gaan naar iets in de inzendingen dat ze tot literatuur maakt, iets dat overeenkomt met het terrein van de literatuur zoals we die al te lang kennen.

Het feit dat Weijts de geschriften van Betje Wolff en Aagje Deken, net als die van Heleen van Rooyen, als vrouwelijk geleuter ziet, verdient een hartelijke schaterlach. Sara Burgerhart, de eerste Nederlandse zedenroman en voortrekker van het burgerlijk realisme, was een succes. Nog steeds wordt het op scholen en universiteiten gelezen en zijn er van de ‘theekransjes-per-brief’ vier moderne drukken in omloop. Mannelijke tijdgenoten van de dames zijn bijna alleen te vinden in universiteitsbibliotheken en op stadsplattegronden nabij de Bilderdijkkade en de Rhijnvis Feithstraat. En laten we het gewoon een keer niet over Heleen van Rooyen hebben. Dan zeg ik niks over Kluun.

Weijts heeft gelijk als hij meent dat te veel prut het stempel ‘literatuur’ meekrijgt. Vrouwen moeten zich niet verschuilen achter de voordelen die een stel tieten geeft, maar verantwoording afleggen voor wat ze schrijven. Die ruimte moet ze echter wel geboden worden. Wat maakt de perikelen van Connie Palmen tot anekdotisch geneuzel, en Weijts eigen semi-autobiografische Art.285b tot een ‘groots, geestig en diepzinnig werk’? Parallellen met Dante en de klassieke mythologie? De bepiemeldheid van de schrijver? Het kan een kwestie van kwaliteit zijn, maar ook van literair paradigma.

Er is weinig mis met een tweejaarlijks feestje om vrouwentalent te vieren. Niemand hoeft zich te schamen voor het lijstje laureaten. De Anna Bijns Prijs is een vrouwendivisie in dezelfde race, waardevol omdat er even wat licht straalt op onmiskenbaar vrouwelijk talent. Dat is geen zwaktebod, dat is een verademing.

Wiegertje Postma (1987) is met haar ‘streekbusroman’ Vijf Strippen genomineerd voor de DebutantenPrijs.