Literatuur met wortels in de lucht

Onlangs zag ik Naema Tahir bij Pauw & Witteman haar handen in de lucht steken en verklaren dat ze geen plant is. Planten hebben wortels in de aarde, mensen niet. Onder verwijzing naar Antoine de Saint-Exupéry zei ze dat ze als migrant wortels in de lucht had. En dat ze op een apebroodboom leek. Ik vond het wel mooi gezegd, al probeerde ik me ook voor te stellen wat de metafoor nu precies inhield.

Twee weken later hoorde ik een soortgelijke plantaardige metafoor uit de mond van een andere schrijfster. Elif Shafak vergeleek zichzelf tijdens Winternachten met een Toeba, een boom die men volgens de Koran alleen in het paradijs aantreft. De boom staat op zijn kop en heeft zijn wortels in de lucht in plaats van in de grond. ‘Ik ben niet geworteld in een specifieke plaats: ik voel me verbonden met veel plekken en steden tegelijk. Mijn fictie is dan ook zowel Turks als kosmopolitisch.’ Shafak zei dat ze geen immigrant was, want die wil proberen te aarden, terwijl zij als nomade een permanent gevoel van vervreemding meedraagt. Het enige constante voor Shafak bij al die plaatsen waar ze kwam, was het schrijven, en ze noemde vliegvelden als een van de plekken waar ze haar romans voltooide. Ze leeft, zei ze, in een ‘voortdurend heden’.

Twee schrijfsters met ‘wortels in de lucht’: Shafak blijft nergens lang genoeg om echt wortel te kunnen schieten, Tahir voelt zich met meerdere plekken verbonden en wil/kan daarom niet op één plek wortel schieten. Beiden leggen de relatie tussen hun identiteit en de literatuur die zij schrijven. Pak een boek van Shafak en grote kans dat je op diverse plekken op de wereld komt, omdat personages niet stil hebben gezeten – zo blijken de Turkse en de Armeense geschiedenis bij elkaar te komen in een Amerikaans dorp in De bastaard van Istanbul. Tahir noemde haar roman Eenzaam heden ‘het WRR-rapport in literaire vorm’. In het eerste hoofdstuk plant het jonge meisje Dina zichzelf in de grond om zo letterlijk een poging te doen tot aarden, maar besluit uiteindelijk de Britse én Pakistaanse identiteit als invloeden te erkennen. Precies zoals Tahir zelf dus, die zichzelf een ‘lopende multiple identity’ heeft genoemd. Ze gebruikt daarbij trouwens steeds het Engels, wat nogal kosmopolitisch klinkt, en natuurlijk fraaier dan ‘meervoudige identiteit’ wat als een stoornis klinkt.

Hoewel ze dus geregeld over (meervoudige) identiteit praten en schrijven, geven beide auteurs ook aan dat het de kracht van literatuur is om de hokjesgeest te overschrijden en dat ze het juist niet voortdurend over identiteit willen hebben. ‘Ik heb een allergie ontwikkeld voor het benoemen van de identiteit,’ zegt Tahir, terwijl Shafak vindt dat ‘de gerichtheid op identiteit niet centraal moet staan binnen de literatuur’ en constateert dat dit wel gebeurt. Shafaks punt wordt pijnlijk bevestigd in de receptie van Tahir. De aandacht voor Tahir is groot, en dat heeft onder meer te maken met die inderdaad interessante ‘multiple identity’, want over opmerkelijke literaire kwaliteiten hebben we nog weinig vernomen. Er is een snufje exotisme nodig – een snufje Pakistan of Turkije in dit geval – een mix van oost en west, een derde wereldland, islam of een kleurtje voordat je de interessante multiple identity kan opeisen dan wel (literair) uitbaten.

Het gevaar met al die aandacht voor multiple identity is dat het een tunnelvisie kan veroorzaken. In HP/ De Tijd stond onlangs bijvoorbeeld een artikel waarin een aantal mensen gevraagd werd het succes te verklaren van De vliegeraar van Khaled Hosseini, waarvan wereldwijd miljoenen exemplaren zijn verkocht. De vraag werd gesteld aan ‘succesvolle migranten’ van boeiende, maar ook nogal uiteenlopende achtergronden (Fahra Karimi, Efshan Ellian, Naema Tahir, Kader Abdolah) in Nederland. Daarmee werd de verklaring nogal gestuurd: het succes van het verhaal of een Afghaanse balling in Amerika móét wel iets met migratie en identiteit te maken hebben. Tahir meende bijvoorbeeld dat Hosseini erin is geslaagd het wezenlijke gevoel weer te geven waarmee elke migrant in het westen te maken krijgt: ‘Wij migranten zijn in een cultuur terechtgekomen waarin iedereen opnieuw een thuis moet herwinnen. Ik herken dat wel. Ík draag ook een multiple identity: Pakistaans, Brits, moslim, Nederlands’.

Ik zie een probleem met deze neiging om je voortdurend te richten op multiple identity, omdat andere verklaringen en aspecten van literair succes zo ondersneeuwen. De grootste afname van De vliegeraar zit namelijk niet onder mensen met ook zo’n multiple identity net als de hoofdpersoon, maar juist bij, laten we zeggen, de ‘gewortelde’ Ria uit de Achterhoek, die geen moslim is noch grenzen tussen oost en west heeft overschreden. Natuurlijk is Ria best nieuwsgierig naar Afghanistan, de geschiedenis en het landschap en de omgang tussen mannen en vrouwen daar (‘mondiaal exotisme’), maar eigenlijk denk ik dat ze, net als ik trouwens, vooral ontroerd is door de vliegervriendschap tussen twee schattige jongetjes, en de latere band tussen een vader en een zoon die ook samen gaan vliegeren.

De vliegeraar is zo’n heerlijke bestseller waarin alles op magische wijze hersteld wordt. De volwassen Amir kan zijn fout van vroeger herstellen: hij greep niet in toen zijn beste vriend verkracht werd, maar kan diens zoon later wel redden van verkrachting. Amir kan geen kinderen krijgen, maar precies op het moment dat hij dit zegt, krijgt hij bij toeval een kind in de schoot geworpen om voor te zorgen. Zijn moeder, die hij nooit gekend heeft omdat ze stierf tijdens zijn geboorte, was lerares, en later trouwt hij met een lerares. Dat meisje kan op haar beurt een puberfout herstellen door niet meer boos weg te lopen van haar ouders, maar nu het gesprek met hen aan te gaan. De vliegeraar is, kortom helende literatuur, en het steeds weer terugkeren van het vliegeren, bij uitstek iets wat ouders met kinderen doen, of het nu in Amerika of Afghanistan is (dat is de couleur locale), symboliseert dat helende sentiment. Al het gepraat over de (multipele) identiteit van auteurs ontneemt ons het zicht op een andere, voor de hand liggende verklaring voor het succes van De vliegeraar. De vliegeraar is een boek met wortels in de lucht: sentimentele vliegertouwtjes, in dit geval.

Zie ook recensie ‘Eenzaam heden’ p. 10