Knobbelzwanen in de mist

Kees van Beijnum houdt van krachtige symbolen en niet van losse eindjes, zo blijkt uit ‘Paradiso’, zijn roman over een huwelijkscrisis in Waterland.

Kees van Beijnum: Paradiso. De Bezige Bij, 294 blz. € 18,90

‘Geliefden van weleer, in oude liedjes keerden ze altijd terug,’ mijmert de hoofdpersoon van Kees van Beijnums zevende roman. En niet alleen in liedjes. Denk maar aan ‘The Dead’, het mooiste verhaal dat James Joyce schreef. Hierin komt een middelbare man er op een winternacht achter dat zijn vrouw nog steeds treurt om de zeventienjarige jongen die min of meer uit liefde voor haar stierf. Hij realiseert zich dat hij die ervaring nooit met haar heeft kunnen delen en ook ‘wat een schamele rol hij, haar echtgenoot, in haar leven heeft gespeeld.’

In Van Beijnums Paradiso gebeurt min of meer hetzelfde. Mart Hitz, een wetenschapper die het geluk bestudeert, komt er na veel schade en schande achter hoe moeilijk zijn vrouw heeft kunnen loskomen van haar jeugdliefde, die als tiener bij een zeilongeluk om het leven kwam. Mart heeft zijn Dana verwaarloosd, jarenlang nauwelijks met haar gepraat – en het hoeft dan ook niet te verbazen dat zij is gevallen voor de twintig jaar jongere klusjesman die als twee druppels water op haar jonggestorven Johan lijkt.

Niet dat Mart daar snel achter komt. Hij heeft het te druk met zijn eigen buitenechtelijke relatie. En aan het begin van Paradiso (dat onder meer is genoemd naar de poptempel waar hij zijn nieuwe vriendin heeft ontmoet) heeft hij zich zelfs voorgenomen om zijn vrouw – en puberdochter – te verlaten. Hij rijdt vastbesloten naar zijn huis in Waterland, en stuit op een wegblokkade. De polder is ontruimd wegens een verzakte dijk en zijn vrouw is geëvacueerd. Maar hoe Mart ook zoekt en navraag doet, hij kan haar dagenlang niet vinden. En ‘ieder gebrek aan inspanning, ieder uitstel, kwam hem voor als een vorm van verraad, des te groter door het geheim dat hij met zich meedroeg.’

De huwelijkscrisis, het bedrog, de zoektocht, het moeizame communiceren – Paradiso zou een verhaal van de Deense grootmeester Jens Christian Grøndahl kunnen zijn. ‘Een raadselachtige samenloop van omstandigheden had hem de maat genomen en deed dat nog steeds,’ staat er aan het eind van het boek. Maar dan is de geheimzinnige sfeer van de eerste hoofdstukken jammer genoeg al vervlogen en zijn alle losse draadjes door Van Beijnum bij elkaar gebracht. Vrouw keert terug, haar verdwijning wordt opgehelderd, de echtelieden spreken hun wederzijds huwelijksbedrog uit en hervinden elkaar. Marts vriendin is op een hardhandige manier geloosd, en ook Dana’s speeltje is de wacht aangezegd. In de laatste scène ziet Mart hoe een machtige zwaan door de avondmist vliegt.

Van Beijnum is dol op symbolen. Te dol. Een zwaan als apotheose is eigenlijk al veel van het goede, zinnebeeld als hij is van de monogame eeuwige trouw. Maar ook verder laat Van Beijnum geen kans onbenut om de diepere betekenis van zijn roman te onderstrepen. Mart is een geluksdeskundige, die na jarenlange studie in de praktijk moet leren waar het geluk zich precies bevindt. Hij gelooft ‘in gedragsverandering en niet in een zoektocht naar de duistere kanten in jezelf’, maar komt erachter dat in zijn geval het eerste uit het tweede voortkomt. En zelfs de verzakte, maar niet volledig verwoeste dijk wordt een spiegel van de relatie tussen Mart en Dana: ‘Te licht geworden, daar kwam het op neer, de dijk was te licht geworden en had, toen het kritische punt eenmaal bereikt was, de zijwaartse druk van het water niet kunnen weerstaan.’

Deze laatste zin, die je op zichzelf best mooi zou kunnen vinden, is typerend voor Paradiso. Anders dan in zijn beste roman, De oesters van Nam Kee (2000), bedient Van Beijnum zich niet van straattaal en van een overtuigende, overrompelende stem die het verhaal vorm geeft, maar van een bedachtzame, kabbelende stijl die op zijn best sensitief is en op zijn slechtst kitscherig. Het eind van het boek bevat een paar sentimentele passages, die met terugwerkende kracht een schaduw leggen over de vele mooie zinnen die Van Beijnum ook kan schrijven.

De kernzin uit Van Beijnums roman zou zó afkomstig kunnen zijn uit ‘The Dead’: ‘Toch voelde hij dat er iets was dat hij niet van haar wist, iets wezenlijks wat misschien al lang had gebalanceerd op het randje van zijn bewustzijn.’ Maar anders dan Joyce’ verhaal is Paradiso een pleidooi voor communicatie in het huwelijk. Het boek zou dus moeten draaien om de relatie tussen Mart en Dana. Het is een veeg teken dat je tijdens het lezen nog de meeste compassie krijgt met Marts vriendin Karin, die zo tragisch en zonder pardon terzijde geschoven wordt.