Knielen in een hok vol fietsen

Van mijn vader erfde ik drie blauwe onderbroeken en een Mariabeeld; een van de vele die zijn huis sierden. Met het klimmen der jaren was mijn vader steeds katholieker geworden, maar hij liet vier ongelovige kinderen achter. Als volhardend gelovige was hij een uitzondering, want zijn generatie verliet sinds de jaren zestig massaal de kerk. Ook in het theater is de gelovige een zeldzaamheid.

Maar met de aanhoudende islam-obsessie is de belangstelling voor het christendom terug. De kinderen van de ongelovige generatie beginnen in het geloof van hun grootouders te graven. Wat bijvoorbeeld leidde tot de geboorte van het ietsisme: een stroming van geschoolde buitenkerkelijken die allerlei rituelen bijeen shoppen om uiting te geven aan hun religieuze gevoelens vol twijfel en ongeloof. Deze generatie hoeft niet meer tegen het geloof aan te trappen. Op het toneel leidt die spirituele revival dit seizoen tot een golfje aan voorstellingen over het christendom.

Knielen op een bed violen, de roman van Jan Siebelink die vanaf maart als toneelstuk te zien is, behoort op het eerste gezicht tot de anti-christelijke traditie van Jan Wolkers en Maarten ‘t Hart: jongetje lijdt onder vader en diens geloof. Maar de roman is een groot succes bij het protestantse volksdeel. Siebelink valt weliswaar een christelijke sekte aan, maar hij laat de geloofsopenbaring van zijn vader in haar waarde, en gaat zo voorbij het pro- of anti-religieuze.

Ook de vader van regisseur Lotte van den Berg maakte een hevige bekering door. Hij verliet zijn gezin en ging als kluizenaar in een fietsenhok wonen. Van den Berg wil niet over hem of over zijn geloof oordelen. Zij is een ‘ietsist’ pur sang: ze heeft een afkeer van duidelijkheid. Zelfs de term ‘ietsist’ zal ze te bepalend vinden. In haar voorstelling over religie, Winterverblijf, zitten dan ook geen vormen die specifiek christelijk zijn. Toch schept zij een etherische, geestelijke sfeer. Ze bouwt met nieuwe vormen een eigen eredienst. Niet voor de God van haar vader, maar wel voor het hogere in het leven.

Het collectief Wunderbaum bestaat grotendeels uit jongeren die ongelovig zijn opgevoed. In hun voorstelling Kamp Jezus zijn ze, als de ietsisten, op zoek naar een invulling van een spirituele leegte in hun bestaan. Ze gebruiken oude katholieke vormen en geven daar een eigen draai aan. Een der actrices laat zich bijvoorbeeld topless kruisigen.

Een andere actrice doet met een openhartig gebed de schok van die topless Jezus meteen vergeten: „God, ik schaam mij. Ik heb mij voor u uitgekleed. Ik heb mijn geslacht naar u gericht in de hoop dat u zou kijken en ik wist dat u keek.” Is dit anti-religieus? Bedoeld om te choqueren? Later schreeuwt ze nog: „God, ik wil je pijpen.” Misschien wat direct verwoord, maar zij doet eigenlijk niets anders dan zich plaatsen in de lange traditie van mystici, die streven naar een samenkomen met God.

Dit verwonderde, ietsistische theater heeft ook iets vrijblijvends. Omdat de makers niet zijn opgegroeid met het geloof blijven ze aan de oppervlakte. Over wat geloven werkelijk betekent kom je niets te weten.