Klik door naar Oeroeg, ga niet langs Appeltern

Morgen wordt Hella Haasse 90 jaar. Dinsdag opent de schrijfster het Hella Haasse Museum, een virtuele plek waar de liefhebbers kunnen rondspeuren in de wereld van de schrijfster. Het zal ook het werk van biografen veranderen. Ineens kan iedereen meekijken.

Biografen betreden archieven met een mengeling van genot en angst. Tegenover de verwachtingsvolle opwinding over de nog te ontdekken schatten, staat de ontmoediging van de rijstebrij waardoor de onderzoeker zich heen zal moeten eten. Stapels ongeordende dozen en mappen, ongedateerde brieven, op het eerste gezicht onbetekenende kattebelletjes, moeilijk te ontcijferen agenda’s, vergeelde foto’s, manuscripten van later beroemd geworden boeken.

Waar te beginnen? Hoe te schiften? Wat is het verhaal dat zich in dit, eigenlijk niet voor mijn ogen bedoelde, materiaal schuilhoudt? Waarom wil ik dat verhaal vertellen, hoe moet ik het vertellen, welke invalshoeken van de honderden die zich aandienen kies ik?

Hermione Lee, biografe van Virginia Woolf en hoogleraar in Oxford, sprak in een recent interview over haar ‘afgrijselijke archiefflauwte’. „Je brengt maanden in de archieven door en bent twee tot drie jaar zoet met het lezen van al het primaire materiaal. Al die verschillende soorten materiaal vormen een bizar soort zelfontstekingsmechanisme dat alleen jij begrijpt. En als je dan gaat schrijven, moet je opnieuw beginnen. Meestal weet je niet wat je zoekt, behalve als je van een bepaald standpunt uitgaat, en dat vind ik een totaal verkeerde manier om een biografie te schrijven.”

Zou de archiefflauwte uitsterven als virtuele musea, zoals er nu één voor Hella Haasse is opgericht, terrein winnen? Zal de toekomstige biograaf van onze veelzijdigste schrijfster verlost zijn van het maandenlang dolen in over vele landen verspreide archieven? Maar dan, wat gaat er verloren als al het materiaal waarvan je nog niet eens wist dat je het zocht al keurig chronologisch en thematisch voor je is uitgestald?

Ik kreeg voorafgaand aan de officiële opening van het Hella Haasse Museum een rondleiding langs de jeugdfoto’s, manuscripten en brieven en ontdekte al snel dat deze gigantische Fundgrube elke archiefflauwte wegneemt. Wat er voor in de plaats komt is een adrenalineshot of een injectie met een nog veel sterker goedje. Voor je ogen, je vingers die de muis bedienen, voor al je zintuigen eigenlijk, rijst een berg van mogelijkheden, dwarsverbanden, verhalen en subverhalen op. Zoals Hella Haasse in haar essays en historische romans altijd maar weer speurt naar ‘grondpatronen’ en ‘samenhangen’ in leven en werk van anderen, zo zal de Haasse-biograaf – en elke willekeurige bezoeker – in dit museum aanknopingspunten vinden voor de samenhangen en grondpatronen in háár leven en werk.

In haar essay Dubbelportret. Een en ander over de biografie al dan niet literair schreef Haasse dat het er in een biografie om gaat met behulp van alle geëigende technieken van benadering en presentatie een mens op het spoor te komen en te volgen in zijn maatschappelijke leven en in zijn privébestaan, als unieke persoonlijkheid én als representant van zijn tijd. Welnu, een vracht bouwstenen daarvoor ligt in dit museum klaar. Een schrijversbiograaf, voegde Haasse eraan toe, moet in de eerste plaats onderzoeken ‘uit welke elementen de kernsituatie bestaat die de mens in kwestie tot schrijven dreef, en die – gegeven de innerlijke noodzaak creatief te zijn, als enig middel om deel te hebben aan de werkelijkheid – in het gehele oeuvre, in tal van varianten, soms openlijk, maar vaker verborgen, vermomd te vinden is’.

Dit is de opdracht aan de biograaf van Hella Haasse (en aan iedere schrijversbiograaf) in een notedop. Het bestaan van een digitaal schrijversmuseum of van schrijverswebsites verandert daar in principe niets aan. Wat wél verandert, is dat het grote publiek voortaan over de schouder van de biograaf kan meekijken.

Van Huizinga is het begrip ‘de historische sensatie’ afkomstig: het extatische gevoel dat de beschouwer overkomt als een document of voorwerp hem in onmiddellijk contact met een persoon of gebeurtenis uit een andere wereld brengt. Deze sensatie zal steeds minder de exclusieve ervaring van onderzoekers zijn. Zelfs de opwinding bij het plotseling ontdekken van een niet eerder vermoed verband, het vinden van een onmisbaar puzzelstukje, zal de biograaf voortaan delen met anderen. Sterker, hij zal eerder gecorrigeerd worden als hij sommige verbanden niet ziet of wenst te zien, archiefstukken ongelezen laat of, kwalijker nog, een vooropgezette interpretatie inbouwt en zich aan reductionisme bezondigt.

Blijft er nog wel een taak voor biografen als iedere snipper archief, alle handschriften, compleet met doorhalingen en correcties, elk boodschappenlijstje, het sullige vakantiekiekje, de compromitterende foto of aandoenlijke liefdesbrieven, voor iedereen beschikbaar zijn? Maar natuurlijk. Bij een biografie draait het tenslotte om het verhaal dat uit dergelijk materiaal te destilleren is en dat staat of valt met het perspectief waaruit dat op fantasievolle wijze wordt verteld.

Het werk van serieuze biografen wordt er met nieuwe digitale faciliteiten alleen maar interessanter op. Naarmate er meer materiaal bereikbaar is zal de biografie mogelijk van karakter veranderen. Geen onafzienbare opsomming van levensfeiten, maar meer toegespitste en diepgravende antwoorden op hypotheses over de betekenis van het leven voor het werk van een auteur en omgekeerd. Het aanleggen van digitale musea of het uitbreiden van de al bestaande zal onderdeel worden van de biografische arbeid, waaraan meer mensen van uiteenlopende disciplines gaan deelnemen.

Zoals Hella Haasse al opmerkte, zijn schrijvers geneigd hun ‘kernsituatie’ die hen tot schrijven dreef, te verstoppen in hun werk of waar dan ook. Niets menselijks is hun vreemd. Zij proberen sporen uit te wissen, onwelgevallige eigenschappen of gebeurtenissen te verdoezelen, zichzelf mooier voor te stellen dan ze zijn. Niettemin zal de biograaf ‘met behulp van alle geëigende technieken’ de hele mens achter een geliefd of bewonderd oeuvre op het spoor willen komen en zal de discussie over de vraag waarom dat eigenlijk zo nodig moet, blijven woeden. In wezen is Philip Roths recente roman Exit Ghost, dankzij de mogelijkheden van digitale schrijversmusea, alweer achterhaald. Zijn personage Zuckerman vreest dat een van incest verdachte bevriende schrijver, en vervolgens hijzelf, slachtoffer zal worden van de sensatiebeluste biograaf Kliman. ‘Als ik eenmaal dood was, wie kon dan mijn levensverhaal tegen Richard Kliman beschermen? [...] Mijn grote, onwelvoeglijke, geheim. En vast wel meer dan één. Verbazingwekkend, trouwens, dat je kunnen en je prestaties, voor zover daarvan sprake is, hun bekroning vinden in het vonnis van de biografische inquisitie.’

Aan die ‘biografische inquisitie’ – voor zover die al bestaat – zullen digitale musea als dat van Hella Haasse een einde kunnen maken, evenals aan het gedrag van schrijversweduwen m/v die het levensverhaal van hun geliefden uit eigenbelang willen ‘beschermen’. Hoe meer verbanden het publiek zélf kan leggen tussen leven en werk van een auteur, hoe groter dus de controle op de biograaf, des te minder kan het vinden van ‘de kern’ in de weg staan.

Van Hella Haasse verschijnt morgen ter gelegenheid van haar negentigste verjaardag een nieuw deel in het Verzameld Werk: ‘ Uitzicht’ een bundel essays die de schrijfster opnieuw heeft geredigeerd (Querido, 360 blz. € 21,95).

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Hella Haasse

Onder het stuk Klik door naar Oeroeg , ga niet langs Appeltern (Boeken 1 februari, pagina 8/9) over Hella Haasse staat dat Uitzicht een bundel essays is ‘die de schrijfster opnieuw heeft geredigeerd’. In het boek zelf staat vermeld: ‘Essays, portretten en beschouwingen gekozen en van een nawoord voorzien door Margot Dijkgraaf en Patricia de Groot.’ Dit laatste is juist.