Kappen, nu stop met die herrie

In New Orleans, de stad van de jazz, werden zwarte musici gearresteerd omdat ze muziek maakten tijdens een traditionele jazzparade. De politie heeft inmiddels beterschap beloofd.

Het was zo’n parade die alleen in New Orleans voorkomt. Geen nieuws, maar dit keer werd de parade door de kranten uitvoerig verslagen. Tuba-speler Kerwin James was dood, bezweken aan de gevolgen van een hersenbloeding die hem tijdens de orkaan Katrina had getroffen, en daarom paradeerden vijfentwintig bevriende muzikanten spelend, zingend en treurend door de straten van Faubourg Tremé, de oudste buurt van New Orleans.

Het was een kleverige warme avond in oktober vorig jaar. Twee jaar na de ramp lagen de meeste straten en huizen in de Tremé er nog altijd kapot en verlaten bij; in de vochtige avondmist leek de buurt wel een spookstad, maar dat deed er even niet toe. Traag bewoog de stoet zich voort. Zo’n honderd mensen – volwassenen en kinderen – volgden de muzikanten die, terwijl ze speelden en liepen, langzaam hun gewicht van het ene op het andere been lieten vallen zodat de hele stoet wiegde op de slepende maat van de klaaglijke muziek, de gillende tonen van de trompetten en het lage janken van de trombone. Langzame begrafenisjazz waarin de geschiedenis, pijn, trots en hoop van generaties en generaties zwarten in New Orleans door klinkt.

Ooit maakten dit soort parades New Orleans beroemd. Zo ontstond meer dan honderd jaar geleden de jazz. Maar twee jaar nadat het kolkende bruine water van Lake Pontchartrain niet alleen huizen, gebouwen en straten verwoestte maar ook de helft van alle inwoners (en muzikanten) de stad uitjoeg, lijkt het erop dat het stadsbestuur besloten heeft om wat er nog over is aan traditionele rafelige zwarte cultuur in New Orleans aan banden te leggen. Want net toen de band de hymne I’ll fly away inzette en de muzikanten … When I die, hallelujah by and by, I’ll fly away… begonnen te zingen, klonk er vanuit de verte gejank van politiesirenes. In no time scheurden twintig politiewagens op de rouwende stoet af.

„Kappen. Nu. Ophouden met dat lawaai”, schreeuwde een oudere blanke agent, terwijl hij zijn auto uitstormde. De muziek verstomde. Alleen Glen David Andrews, een jonge, lange slanke trombonist, leider van de beroemde New Orleans jazzband The Lazy Six, speelde gewoon door. Zijn nog langere halfbroer Derrick Tabbs hield de grillige melodie bij elkaar door om de paar tellen op zijn trom te slaan.

„Kappen met die herrie zei ik.” Gewapende agenten hadden de stoet inmiddels omsingeld. Maar Andrews en Tabbs leken het niet in de gaten te hebben. Alsof ze in een trance waren. Tranen stroomden over hun wangen terwijl ze gepassioneerd doorspeelden. Totdat agenten de slungelige mannen van achteren beetpakten.

„Jullie zijn gearresteerd.”

Het incident in Faubourg Tremé

veroorzaakte een rel in New Orleans. Vooral omdat het de zoveelste keer was dat een typisch zwarte cultuuruiting werd aangevallen door dienaren van de overheid. Niet zo lang geleden trad de politie hard op tegen een groep paraderende zwarte indianen (bont en uitbundig als indianen uitgedoste Afro-Amerikanen; tijdens de jaarlijkse Mardi Gras-feesten zijn zij een belangrijke toeristenattractie). Hun Chief Tootie Montana kreeg een hartstilstand toen hij in de rechtzaal getuigenis aflegde over het gebeuren. Hij stierf ter plekke.

En dan nu dit weer, rouwende muzikanten die in de gevangenis worden opgesloten omdat ze muziek maken. Terwijl iedereen in New Orleans nog worstelt met het trauma van Katrina: de verwoestingen, de doden, maar meer nog het feit dat de voornamelijk arme zwarte bevolking pas na dagen hulp kreeg van Federale Troepen en president Bush. Alsof ze niet belangrijk genoeg waren om gered te worden.

Geen wonder dat trombonist Glen David Andrews verbitterd uitriep: „Ik weet dat ik geen Amerikaans staatsburger ben in de ogen van de powers that be.” En Lolis Eric Elie, invloedrijk columnist van de Times Picayun, de belangrijkste krant in de stad, schreef: „Burgermeester Nagin en zijn vrienden zijn achterlijk als het gaat om zwarte cultuur in New Orleans. Hij zou de cultuur waar hij zelf uit voortkomt juist moeten steunen.”

Faubourg Tremé is een buurt waar je als toerist in New Orleans niet snel komt, ook al grenst het aan het beroemde French Quarter waar Bourbon Street is met al z’n cafés en clubs. Faubourg Tremé, ook wel Sixth Ward genoemd, is tegenwoordig berucht vanwege drugshandel, geweld en armoede. Ik belandde er toevallig, kort voor Katrina. Ik logeerde bij een vriendin van een vriendin, Dawn Logsdon, die bezig was een documentaire te maken over Faubourg Tremé. Lolis Elie trad op als verteller omdat hij al jaren in de buurt woonde.

Dawn wilde niet veel kwijt over de film, maar ik begreep dat het een historische documentaire zou worden over de geschiedenis van de wijk waar de jazz was ontstaan en waar, in de tijd van de slavernij, als enige plek in heel Amerika vrije zwarten woonden die huizen bezaten en winkels, die studeerden en poëzieavonden organiseerden. Zwarte artsen woonden er, componisten, schilders, schrijvers en activisten. Vanuit Faubourg Tremé hadden zwarten in New Orleans een eeuw voordat Martin Luther King zijn beroemde woorden ‘I have a dream’ uitsprak, een revolutie ontketend, maar daar werd met geen woord over gerept in Amerikaanse schoolboeken, vertelde Dawn, en daarom wist ook bijna niemand buiten New Orleans ervan.

Ik vond New Orleans toen ik er in het voorjaar van 2005 was een mooie vreemde stad. Het was nog maar april maar overdag was het bloedheet, de subtropische vochtige lucht was als een kleverig web. De huizen en gebouwen zijn koloniaal en statig met gietijzeren balkons en ruime veranda’s; de straten, lommerrijk en stoffig, hebben dankzij de Franse en Spaanse overheersing Europese afmetingen. Zelfs de getto’s zagen er vriendelijk uit.

Na een paar dagen vertrok ik naar een andere kennis ‘in da hood’. Mama D. was een lokale zwarte activiste. Ze woonde een paar straten van Faubourg Tremé, in een net zo arme buurt. Ze was zestig; had dreads tot op haar billen. In haar statige, vervallen houten huis aan Rue Durgenois zat ze hele middagen op de veranda, luisterend naar reggaemuziek, af en toe een trekje nemend van een joint, roepend naar kinderen uit de buurt van wie ze het gevoel had dat ze ze moest redden. „Ga weg daar van die straathoek! Wil je dat de politie je neerknalt? Nou? Ze zijn heus niet vergeten dat er vorig jaar bij Jazzfest iemand is vermoord. Straks willen ze wraak en heb jij pech. Sodemieter op!”

Ik sliep in de logeerkamer, in het bed waar ooit Malcolm X en Martin Luther King hadden geslapen. Op een commode stonden foto’s van overleden familieleden. Dit huis was generaties lang in het bezit van de familie van Mama D. Ik was omgeven door geschiedenis; bijna alsof ik erin zou kunnen verdwijnen. Maar wanneer ik Mama D. vroeg over haar leven en ervaringen te vertellen, maakte ze een wegwerperig gebaar. „Denk je dat je me beter begrijpt als je me interviewt? Denk je dat echt? Relax baby.”

Wanneer ik door de stad liep, was het alsof ik werd verdoofd. Door de klamme hitte, maar ook doordat New Orleans me hetzelfde gevoel bezorgde als Mama D.: alsof de stad en haar bewoners hun best deden een geheim te bewaren. Afspraken die ik maakte met mensen werden afgezegd of liepen mis. Vanuit Rue Durgenois liep ik naar Armstrong Park in het hart van Faubourg Tremé. Daar was Congo Square, een door oude eiken omzoomd plein. Ik kende het plein uit een boek over Buddy Bolden, de eerste roemruchte jazzmuzikant uit New Orleans, van wie geen enkele opname bewaard is gebleven. Congo Square was de enige plek in Amerika waar slaven op zondag muziek mochten maken en spullen verkopen.

Het was bijna avond en het schemerde. Nevel hing tussen de bomen en boven de glanzende keien. Er was niemand. Ik dacht dat ik muziek hoorde, een ijl hoog zingen van een saxofoon, maar toen ik stilstond en beter luisterde, besefte ik dat de muziek alleen in mijn hoofd klonk.

Een paar maanden later

braken de dijken in New Orleans. Pas na weken hoorde ik dat Dawn en Lolis veilig in Baton Rouge waren. Nog later belde Mama D. op een middag, via de mobiele telefoon van een Belgische journaliste die bij toeval in Rue Durgenois was gestrand. Als enige in haar straat was Mama D. in haar huis gebleven. „Je kent me. Ik laat me niet wegjagen door een beetje water.” Daarna verloor ik alle contact. Telefoonlijnen werkten niet en brieven werden teruggestuurd. Tot ik in september vorig jaar opeens een pakketje in mijn brievenbus vond. Het kwam van Dawn, uit San Fransisco. Er zat een dvd in: Faubourg Tremé, The Untold Story of Black New Orleans. De film was geproduceerd door New Orleans’ beroemdste jazzcomponist Wynton Marsalis.

Ik zette hem meteen op. Ik zag Lolis Elie (1963), wandelend door Faubourg Tremé, een paar weken na Katrina. Alles was kapot en nat, maar zijn huis, dat ietsje hoger lag dan de andere huizen in de straat, had de overstroming wonderwel overleefd. Lolis ging op de bank zitten en duwde een tape in de videorecorder, keek naar zonovergoten opnames van Faubourg Tremé die hij voor de ramp samen met Dawn had gemaakt.

Het was alsof ik, met Lolis, terug in de tijd werd gezogen. Alleen voelde ik me nu minder een buitenstaander. Ik keek naar de kleurrijke parade van dansende, zingende en musicerende mensen in Faubourg Tremé. Hoorde de roestige haperende klanken van de blazers; rook de geur van gebraden varken en verse gumbo. Kinderen dansten de bamboola, de kalinde, oude Afrikaanse dansen. In New Orleans hadden slaven in de achttiende eeuw al het recht zich vrij te kopen. De Fransen en Spanjaarden die het voor het zeggen hadden in de stad waren ‘losser’ in hun houding tegenover slaven, luier in hun overheersing. Rond 1800, ruim een halve eeuw voor de afschaffing van de slavernij, was tachtig procent van de huizen en grond in Faubourg Tremé in handen van zwarten. „It was slavery gone wrong”, aldus Lolis in de film. Zwarten studeerden, trouwden met blanken, handelden en werden rijk. Sommigen hielden zelf slaven.

Aan de hand van oude prenten, vergeelde foto’s, recente straatbeelden, interviews en melancholieke jazz, werd het verhaal verteld, met Lolis als gids.

Hij vertelde hoe hij per toeval de geschiedenis van zijn buurt ontdekte toen hij in 1990 zijn huis kocht. Irwing Trevigne, een 75-jarige timmerman, hielp hem het krot op te knappen. Tijdens een koffiepauze vertelde hij Lolis over zijn oudoom Paul Trevingne die, net als Lolis, een newspaperman was en in 1862 de eerste zwarte krant van Amerika had opgericht: L’Union, later omgedoopt in The Tribune. Vanuit Faubourg Tremé vochten Trevigne en zijn kameraden voor burgerrechten voor zwarten. Ze hielden sit-ins en demonstraties en rond 1867 waren alle scholen in New Orleans toegankelijk voor blanke en zwarte kinderen, mochten zwarten zitten waar ze wilden in de paardentrams, en had Louisiana, dankzij het massaal registreren van zwarte kiezers, een zwarte gouverneur.

Maar de verlichting in het Diepe Zuiden duurde niet lang. Het geduld van de blanke elite raakte op. „America simply lost its will for equality.” Federale troepen, in New Orleans gestationeerd om de vrede tussen de rassen te handhaven, werden teruggeroepen. De Ku Klux Klan groeide, lynchen van zwarten werd volksvermaak en de wetten die zwarten voor korte tijd burgerrechten hadden gegeven werden teruggedraaid. In 1892 leverden Paul Trevigne en de andere activisten uit Faubourg Tremé een laatste gevecht nadat een van hen, Homer Plessy, voorin een paardentram was gaan zitten en gearresteerd werd omdat hij weigerde te verhuizen naar een bank voor ’gekleurden’. De zaak kwam voor het Supreme Court, het hoogste gerecht in Amerika, maar werd verloren.

„Die beslissing vergiftige de rassenverhoudingen in New Orleans voorgoed.” Maar de jazz was geboren. Omdat, aldus Wynton Marsalis in de film, „mensen altijd een uitweg zoeken. En muziek was onze enige uitweg. We hadden alles verloren.”

Een paar weken nadat ik de

documentaire had bekeken kreeg ik een e-mail van Dawn over de arrestatie van trombonist Glen David Andrews en zijn halfbroer tijdens de begrafenisparade in begin oktober.

Ik had Andrews in de film gezien. Een schuchtere volkse jongen met onhandig lange ledematen die los van zijn lichaam leken te bewegen. Hij deed me aan een octopus denken. „Muziek heeft mijn leven gered”, zei hij. „Anders was ik waarschijnlijk aan een overdosis drugs gestorven.” Gekleed in een wit glitterpak zag je hem dansen, roepen, zingen en spelen tijdens een feestelijke parade in Faubourg Tremé. Zijn onvoorwaardelijke overgave aan de muziek was ontroerend. De hele film had me trouwens geraakt; het verhaal, de tragische geschiedenis van de stad, de jazz, Katrina. Alsof ik het ontbrekende stuk van een puzzel had gevonden en nu pas echt klaar was om terug te gaan naar New Orleans, naar mijn vrienden.

Ik belde het telefoonnummer dat op de dvd stond en kreeg Lolis aan de lijn. „Moet je horen”, riep hij opgewonden. „De politie heeft beloofd dat ze nooit meer muzikanten zal arresteren en er is een hotline voor klachten over politie optreden! Dat is voor het eerst dat de politie concessies doet! Er waren zoveel protesten. Door Katrina zijn de mensen nergens meer bang voor. Dit is een nieuw begin.”

‘Faubourg Tremé, The Untold Story of Black New Orleans’, door Dawn Logsdon en Lolis Eric Elie. www.tremedoc.com