Ja, wij hebben geen wortels

Naema Tahir: Eenzaam heden. Prometheus 251 blz. €17,95

De ontworteldheid van het migrantenbestaan wordt in Naema Tahirs eerste echte roman Eenzaam heden op een wel heel letterlijke manier gethematiseerd. De hoofdpersoon van het boek, de tienjarige Dina, dochter van naar Londen geëmigreerde Pakistaanse ouders, wordt op een nacht wakker, mompelt ‘ik wil aarden’, stapt naar buiten, werpt zich op de klei van de achtertuin en wroet zich onder in de modder. Om vervolgens haar vrije tijd door te brengen in de perenboom van de buurman. ‘Dag perenboom, mag ik komen wortelen?’

Het is helaas niet alleen het naïeve wereldbeeld van haar tienjarige hoofdpersoon dat Naema Tahir hier schetst. Want de roman in zijn geheel getuigt van veel zwaar aangezette pathetiek. Zo valt in Dina’s vader weinig meer te herkennen dan een karikatuur van de migrant met heimwee. Geobsedeerd door de stichter van de Pakistaanse staat, Mohammed Ali Jinnah, vernoemt hij zijn kinderen naar de grote leider of diens dochter, droomt hij al marcherend door het kleine Londense rijtjeshuis van dienst nemen in het Pakistaanse leger, en wil hij slechts gerechten eten waarvan hij weet dat Jinnah ze ooit at. Met Dina’s moeder bedrijft hij alleen in december de liefde, in de hoop dat zijn kinderen, net als hij, geboren zullen worden op de onafhankelijkheidsdag van Pakistan, 14 augustus. In Dina’s geval is dat gelukt, bij haar broertje en zusje worden de verjaardagen een paar dagen verzet.

Het zal wellicht allemaal tragikomisch bedoeld zijn, maar om ontroering met een knipoog op te wekken is raffinement nodig. Juist in de scène waar de Pakistan- waanzin van Dina’s vader aan diggelen valt, blijkt dat het Eenzaam heden daaraan wat ontbreekt. Tahir legt hem dan letterlijk het motto van de roman in de mond: „Ik hèb geen wortels”, fluisterde hij. „En daar heb ik veel last van.” Ook in de rest van het verhaal wordt er weinig aan de verbeelding of het inlevingsvermogen van de lezer overgelaten: alle belevenissen en motieven worden geëxpliciteerd. De luchtige toon die tegenwicht moet bieden aan de stevig aangezette migrantendilemma’s van de personages blijft veelal steken in formuleringen die geforceerd overkomen als ‘hij kirrehikte tamelijk tiranniek’, ‘ik verdronk in ongekend nuttige tijd’ en ‘ik was een vrij gevoelig meisje, dat ook nog eens vrij eenzaam was’.

Waar de handicap van het Nederlands als tweede, of zelfs derde taal bij sommige schrijvers juist tot origineel of prettig simpel taalgebruik kan leiden, lijkt Naema Tahir zich net iets vertild te hebben, waardoor haar eigen stem in het gedrang is geraakt. Dat ze genoeg waardevols te vertellen heeft blijkt echter ook uit Eenzaam heden. De belevingswereld van een islamitisch opgevoed tienermeisje met ontluikende seksuele gevoelens biedt een mooi tegenwicht voor de gangbare stereotypen uit het maar doordreinende immigratiedebat. Tahir laat juist de verwevenheid zien van religie, ontworteldheid en seksualiteit. Zo biedt een van de voorschriften uit de sharia Dina’s moeder de gelegenheid om de sluimerende affaire tussen haar zus en haar man bloot te leggen. En zo voelt Dina zich in haar pogingen te verwestersen aangetrokken tot de buurman, omdat die zo op Jezus lijkt – in de Hollywoodvertolking van acteur Jeffrey Hunter dan. Aan gevoel voor subtiliteit en gevatheid ontbreekt het Tahir niet. Hopelijk vindt ze als romanschrijfster de vorm waarmee ze die volledig tot hun recht kan laten komen.