Geen verbod merkparodie

Het merkenrecht is vaak niet te verenigen met het democratische recht op vrije meningsuiting. Het merkenrecht moet daarom worden ingeperkt, schrijft Wolfgang Sakulin.

De ophef over arrestaties bij demonstraties van de Internationale Socialisten op de Dam is alweer over. De posters, die op pakjes Marlboro waren geïnspireerd en die de tekst droegen: ‘Geert Wilders… Extremist… brengt u en de samenleving ernstige schade toe’, bleken geen strafbare belediging.

Maar dat is niet het einde van de affaire. Begin deze week heeft Philip Morris, de eigenaar van Marlboro, aangegeven via het merkenrecht gebruik van de poster te willen tegenhouden. De Internationale Socialisten zijn per direct met het verspreiden van de poster gestopt. Gezien de rechtspraak op dit terrein zou Philip Morris bij een rechtszaak wel eens in het gelijk gesteld kunnen worden.

Het merkenrecht hanteert strenge handelsnormen ter bescherming van de reputatie van merken. In het economisch verkeer mag men alleen voordeel behalen uit, of schade toebrengen aan de reputatie van andermans merk als daar een „geldige reden” voor is. Volgens jurisprudentie mag andermans merk slechts gebruikt worden als daar een „strikte noodzaak” voor bestaat.

Zolang deze regel geldt tussen marktpartijen onderling, valt daarvoor veel te zeggen. Het kost veel om een merk bekend te maken en te houden. Het zou onwenselijk zijn als marktpartijen op elkaars reputatie zouden meeliften of elkaars reputatie om zeep zouden helpen.

Maar wanneer dezelfde norm wordt toegepast op niet-commerciële uitingen, dan dreigt zij inbreuk te maken op de vrije meningsuiting. In de praktijk rijst er een probleem. Het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom, waarin ook het merkenrecht is geregeld, geldt namelijk ook buiten het economisch verkeer. Als politiek of artistiek gebruik van merken alleen mag in geval van „strikte noodzaak”, dan is dat in strijd met de vrije meningsuiting. Het recht op vrije meningsuiting zoals vastgelegd in Artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) houdt namelijk in dat sociaal of politiek debat alleen mag worden beperkt voor zover dat in een democratische samenleving noodzakelijk is (dat is dus: zo min mogelijk).

Bekende merken dragen vaak meerdere lagen van betekenis in zich. Het zijn niet alleen commerciële, maar ook sociale en politieke symbolen. HEMA of McDonald’s zijn commerciële merken, maar staan daarnaast ook synoniem voor de Nederlandse koopcultuur of voor het Amerikaans imperialisme. Bij internationaal opererende bedrijven vervangen merken steeds vaker personen als gezicht van het bedrijf. Het Marlboro-merk representeert bijvoorbeeld de macht van Philip Morris en van de sigarettenindustrie in het algemeen. Zulke sociale en politieke betekenissen mogen niet exclusief toebehoren aan de merkhouder.

Desondanks plaatsen rechters vaak de bescherming van de commerciële waarde voorop. Zij verboden bijvoorbeeld het gebruik van een bewerkt Super-de-Boerlogo op actieposters van Milieudefensie over te hoge concentraties pesticiden in voedingswaren. Ook mochten scholieren, die tegen de slechte kwaliteit van het onderwijs van hogeschool InHolland protesteerden, de domeinnaam www.injeholland.nl niet gebruiken. Dergelijke uitspraken creëren een afschrikkend effect en schaden daarom de bereidheid van mensen om hun meningsuitingen op een effectieve manier vorm te geven.

Dit is een verkeerde ontwikkeling. Er zou juist ruimte moeten zijn voor merkgebruik waar het gaat om kritiek aan het adres van de merkhouder, bij parodie of in de kunst. Het merkenrecht met zijn strenge normen zou zich alleen moeten uitstrekken tot de bescherming van de commerciële betekenis van merken. Sociale en politieke betekenissen daarentegen moeten vrij gebruikt kunnen worden, al moet er wel altijd een afweging van belangen worden gemaakt als er zeer ernstige schade dreigt te ontstaan.

Wolfgang Sakulin is promovendus aan het Instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam.